RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 10/5071 Uitspraakdatum: 22 augustus 2011 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Venlo, inspecteur. 1.Ontstaan en loop van het geding 1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2000 met dagtekening 29 april 2010 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [nummer]H07) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 125.049 en bij gelijktijdige beschikking heffingsrente in rekening gebracht. 1.2.De inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 juni 2010 de navorderingsaanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd. 1.3.Belanghebbende heeft bij brief van 25 november 2010, ontvangen bij de rechtbank op 1 december 2010, medegedeeld dat hij meende tegen de navorderingsaanslag reeds op 25 juni 2010 beroep te hebben ingesteld. 1.4.De rechtbank heeft belanghebbendes brief van 25 november 2010 als beroepschrift aangemerkt, van belanghebbende een bedrag van € 41 aan griffierecht geheven en bij uitspraak op 23 maart 2011 het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. 1.5.De rechtbank heeft bij uitspraak op van 18 mei 2011 het verzet van belanghebbende tegen de in 1.4 genoemde uitspraak gegrond verklaard. 1.6.De inspecteur heeft bij brief van 26 mei 2011 nadere stukken ingediend. Een afschrift daarvan is aan belanghebbende verzonden. 1.7.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. De zaken met procedurenummers 10/5071, 10/2677, 10/2678, 10/2679 en 10/2680 zijn gelijktijdig behandeld. 1.8.Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen. Een afschrift daarvan is aan deze uitspraak gehecht. 1.9.Van het verder ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan ook een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. 1.10.De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. 2.Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1.Belanghebbende heeft met drie andere personen (hierna: de anderen) vanaf 2000 tot en met 2004 leiding gegeven aan [vennootschap A] GmbH en [vennootschap B] GmbH. 2.2.Onder andere de FIOD-ECD te Arnhem heeft met betrekking tot deze Duitse vennootschappen strafrechtelijke onderzoeken ingesteld bij belanghebbende en de anderen in verband met vermeende koppelbaaspraktijken. 2.3.Belanghebbende valt onder de competentie van de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Venlo. De anderen vallen onder de competentie van de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen. 2.4.Lopende het onderzoek heeft de inspecteur te Venlo in juli 2006 op verzoek van de FIOD-ECD een zogenoemde nadeelberekening gemaakt. Op 21 december 2006 heeft de FIOD-ECD een proces-verbaal opgemaakt (hierna: het p-v), waarin de door de inspecteur opgestelde nadeelberekening is opgenomen. 2.5.De inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland/kantoor Nijmegen heeft in 2006 aan de anderen navorderingsaanslagen opgelegd naar aanleiding van het onderzoek van de FIOD-ECD. 2.6.De inspecteur van de Belastingdienst Limburg/kantoor Venlo heeft eerst op 21 januari 2010 het p-v ontvangen. Met dagtekening 25 maart 2010 heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat navorderingsaanslagen over de jaren 2000 tot en met 2004 zouden worden opgelegd. 3.Geschil 3.1.In geschil is of het beroep van belanghebbende ontvankelijk is. Voorts is in geschil of de inspecteur de navorderingsaanslag tijdig, terecht heeft opgelegd en zo ja of deze juist is vastgesteld. 3.2.Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de overige vragen ontkennend. De inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan. 3.3.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daar ter zitting aan hebben toegevoegd. 3.4.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslag. 3.7.De inspecteur concludeert primair tot niet-ontvankelijkverklaring en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep. 4.Beoordeling van het geschil Ontvankelijkheid 4.1.De rechtbank dient, naar aanleiding van de in 1.5 genoemde uitspraak op verzet, te onderzoeken of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. 4.2.Belanghebbende heeft met dagtekening 25 juni 2010 een brief aan de rechtbank gezonden, die de rechtbank heeft ontvangen op 28 juni 2010, en waarin het volgende stond: “Hierbij teken ik bezwaar aan tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekering 2001-2002-2003-2004. Ik maak bezwaar op grond van de reden dat de Fiod op 25 januari 2005 mijn woning binnen viel, en de belastingdienst mij tot 2010 in het ongewisse liet. Ik verzoek u de aanslag aan te passen”. 4.3.De rechtbank heeft naar aanleiding van deze brief beroepen ingeschreven onder de in 1.7 genoemde procedurenummers, en wel voor de jaren 2001 tot en met 2004. Omdat het beroepschrift van 25 juni 2010 niet voldeed aan de voorwaarden die daaraan gesteld worden heeft de rechtbank bij brief van 1 juli 2010 belanghebbende verzocht de gronden van de beroepen mede te delen alsmede een afschrift van de bestreden besluiten toe te sturen. 4.4.Bij brief van 16 juli 2010 heeft belanghebbende de gronden van het beroep meegedeeld. Daarbij heeft hij een kopie bijgevoegd van een brief aan de ontvanger, gedateerd 4 juli 2010, die luidt voor zover hier van belang: “Bij deze vraag ik U om uitstel van betaling van de navorderingsaanslagen over de jaren 2000, 2001, 2002, 2003, 2004, aanslagnummer [nummer]H07,[nummer]H17, [nummer]H27, [nummer]H37, [nummer]H47. Reden, Omdat ik op het moment in bezwaar zit met de aanslagen bij de Sector Bestuursrecht van de Rechtbank Breda.” 4.5.Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de onder 4.4 vermelde brief aan de ontvanger voldoende duidelijk dat belanghebbende het niet eens is met de uitspraak van de inspecteur over het jaar 2000. Nu de rechtbank die informatie heeft ontvangen binnen 6 weken na de uitspraak van 15 juni 2010, is sprake van een tijdig ingediend beroepschrift en is het beroep ontvankelijk. De navorderingsaanslag 4.6.Op grond van artikel 16, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (hierna: de vijfjaarstermijn). Op grond van artikel 16, vierde lid, van de AWR, vervalt, indien te weinig inkomensbelasting is geheven over een bestanddeel dat in het buitenland wordt gehouden of is opgekomen, de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag ter zake door verloop van twaalf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan (hierna: de twaalfjaarstermijn). 4.7.Niet in geschil is dat de onderhavige navorderingsaanslag is opgelegd op een moment waarop de vijfjaarstermijn verstreken was. De navorderingsaanslag is opgelegd ter zake van de inkomsten die belanghebbende heeft genoten uit koppelbaaspraktijken in Duitsland, derhalve van inkomsten die in het buitenland zijn opgekomen. In beginsel is dus de twaalfjaarstermijn van toepassing. Nu de inkomsten echter zijn opgekomen in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) dient beoordeeld te worden of toepassing van de twaalfjaarstermijn in dit geval in overeenstemming is met EU-recht. 4.8.Het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJ) heeft bij arrest van 11 juni 2009, C-155/08 en C157/08, BNB 2009/222, naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad ter zake van de twaalfjaarstermijn het volgende voor recht verklaard: “1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang. 2) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer een lidstaat voor in een andere lidstaat aangehouden tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan voor in eerstgenoemde lidstaat aangehouden tegoeden en deze buitenlandse tegoeden alsmede de inkomsten daaruit zijn verzwegen voor de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat die niet over aanwijzingen beschikten op basis waarvan zij een onderzoek hadden kunnen instellen, de geldboete ter zake van verzwijging van deze buitenlandse tegoeden en inkomsten wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag van de navorderingsaanslag en over deze langere periode.” 4.9.De Hoge Raad heeft, naar aanleiding van voornoemd arrest van het HvJ, in zijn arrest van 26 februari 2010, nr. 43 670 bis, LJN BJ9120, BNB 2010/200 (hierna: het arrest van 26 februari 2010), onder meer het volgende overwogen: “2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. -2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.