ECLI:NL:RBBRE:2011:BU2027
vonnis RECHTBANK BREDA Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 239513 / KG ZA 11-484 Vonnis in kort geding van 24 oktober 2011 in de zaak van [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, advocaat mr. M.C.A.M. van der Meer, tegen [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. N.A. Boelhouwer.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3.2. De voorzieningenrechter zal in de dagvaarding de kennelijke verschrijving “met polisnummer 4028417” lezen als “met polisnummer 4026417”.
3.3. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij door de voorgenomen wijziging van de begunstiging van de betreffende lijfrenteverzekering onredelijk wordt benadeeld in de zin van artikel 479p Rv omdat de lijfrenteverzekering evident dient als oudedagvoorziening.
3.4. [gedaagde] betwist dat met de voorgenomen wijziging van de begunstiging van de betreffende lijfrenteverzekering sprake is van een onredelijke benadeling van [eiseres]. Volgens [gedaagde] is sprake van financieel wanbeleid aan de zijde van [eiseres] omdat zij de door [x] betaalde partneralimentatie heeft geïnd en uitgegeven, terwijl zij wist dat die zou eindigen en zij niettemin geen reserves heeft opgebouwd. Daarnaast stelt [gedaagde] dat [eiseres] willens en wetens een achterstallige hypotheekschuld ter zake haar woning in Duitsland heeft laten ontstaan. [gedaagde] verwijt [eiseres] dat zij de van [x] ontvangen overbedelingsuitkering heeft gebruikt voor de aflossing van een deel van de hypothecaire schuld, terwijl zij hiervan de achterstallige en lopende rentetermijnen had kunnen betalen. Gelet op het financiële wanbeleid van [eiseres] stelt [gedaagde] dat het onredelijk en onaanvaardbaar is indien de vordering van [eiseres] enkel wordt toegewezen omdat de lijfrenteverzekering een verzorgingskarakter heeft.
3.5. De voorzieningenrechter moet beoordelen of [eiseres] door de voorgenomen wijziging van de begunstiging van de betreffende lijfrenteverzekering onredelijk wordt benadeeld in de zin van artikel 479p Rv. Is dat het geval, dan moet de wijziging van de begunstiging van de lijfrenteverzekering worden verboden. Als het gaat om een lijfrenteverzekering met een verzorgingskarakter staat primair het belang van de begunstigde, in dit geval [eiseres], voorop. Van belang is of een dergelijke voorziening noodzakelijk is naast eventueel reeds elders bestaande aanspraken, zoals bijvoorbeeld die ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) of al dan niet verplichte pensioenregelingen en lijfrenten. Het criterium van onredelijke benadeling laat toe dat een lijfrenteverzekering die niet of niet geheel nodig is ter verzorging van de oude dag of nabestaanden geheel of gedeeltelijk uitwinbaar is.
3.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de lijfrenteverzekering strekt tot een noodzakelijke oudedagvoorziening. [gedaagde] heeft niet gemotiveerd betwist dat de lijfrenteverzekering nagenoeg het enige vermogen is dat [eiseres] nog heeft en dat op grond van deze verzekering een relatief bescheiden bedrag maandelijks tot uitkering zal komen. Niet valt te verwachten dat [eiseres], gelet op haar leeftijd (59 jaar), in de toekomst nog een noemenswaardig pensioen zal opbouwen, te meer nu zij op dit moment geen werk heeft. Dat [eiseres] mogelijk ook aanspraak zal kunnen maken op een AOW-uitkering en een bescheiden bedrag aan opgebouwde pensioenrechten, maakt niet dat daarmee het noodzakelijke karakter van de lijfrente komt te vervallen. De hoogte van de AOW-uitkering is slechts een percentage van het minimumloon. Als al deze voorzieningen bij elkaar worden opgeteld is sprake van een beperkte oudedagvoorziening aan de zijde van [eiseres]. Deze omstandigheden maken dat primair het belang van [eiseres] voorop staat, zodat zij door uitwinning van de lijfrenteverzekering in beginsel onredelijk wordt benadeeld.
3.7. Onder bepaalde omstandigheden zal echter moeten worden geoordeeld dat ondanks het verzorgingskarakter van de verzekering geen sprake is van een onredelijke benadeling. Hiervan zal sprake kunnen zijn indien [eiseres] verhaal door [gedaagde] op andere vermogensbestanddelen heeft gefrustreerd en haar hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In dat geval weegt het belang van [gedaagde] tot verhaal van haar vordering zwaarder dan het belang van [eiseres] tot behoud van haar oudedagvoorziening in de vorm van een lijfrenteverzekering.
De omstandigheid dat [eiseres] de aan haar uitgekeerde alimentatie heeft uitgegeven en geen reserve heeft opgebouwd levert geen ernstig verwijt op. Een uitkering uit hoofde van alimentatie is bestemd voor levensonderhoud, zodat [eiseres] niet kan worden verweten de door haar van [x] ontvangen alimentatie ook daadwerkelijk voor levensonderhoud te hebben uitgegeven in plaats van deze voor [x] te hebben gereserveerd. [eiseres] kan evenmin een ernstig verwijt worden gemaakt van haar keuze om met de overbedelingsuitkering een deel van de hypotheekschuld in Duitsland af te lossen, in plaats van deze uitkering te reserveren voor rentebetalingen. Doorgaans is een aflossing op de schuld niet nadelig voor schuldeisers als [gedaagde] omdat de (kans op) overwaarde van de woning daardoor toeneemt. Dat nu is gebleken dat geen overwaarde resteert, maakt dit niet anders. Afgezien hiervan is aannemelijk dat ook als [eiseres] ervoor had gekozen te reserveren voor rentebetalingen, de woning geen verhaalsobject voor [gedaagde] zou zijn geweest. De betaling van de alimentatie was gestopt en bij gebreke van andere inkomsten zou een (gedwongen) verkoop van de woning ook op langere termijn nodig zijn geweest. Gelet op de huidige opbrengst van de woning (EURO 55.000,-) en de schuld aan de bank (EURO 117.000,-) is aannemelijk dat ook dan geen overwaarde zou hebben geresteerd.
3.8. De conclusie van het voorgaande is dat [eiseres] door een wijziging van de begunstiging van de lijfrenteverzekering onredelijk zal worden benadeeld. Het gevorderde verbod tot wijziging van de begunstiging van de lijfrenteverzekering moet daarom worden toegewezen. De lijfrenteverzekering komt reeds aan [eiseres] toe, zodat de daartoe strekkende vordering bij gebrek aan belang zal worden afgewezen.
3.9. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden veroordeeld. Het salaris voor de advocaat wordt berekend op basis van 1,5 punt x tarief EURO 816,- nu een (beperkte) voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De kosten worden begroot op:
4.1. verbiedt de wijziging van de begunstiging van de lijfrenteverzekering van [eiseres] bij SRLEV N.V. met polisnummer 4026417;
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiseres], tot op heden begroot op EURO 1.574,81;
4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4. wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. Ganpat op 24 oktober 2011.