RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 11/1592 Uitspraakdatum: 4 oktober 2011 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Terneuzen, de inspecteur. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van de inspecteur van 2 december 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2008 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.794 (aanslagnummer [nummer].H.86). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan Accon AVM adviseurs en accountants te Terneuzen, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden]. 1.Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2.Gronden 2.1.Belanghebbende is in 2005 gestart met een vierjarige opleiding tot masseur. Na negen maanden studie heeft hij de bevoegdheid gekregen om een eigen praktijk te beginnen. Daarna is hij gestart met de opleiding tot massagetherapeut. Indien belanghebbende deze opleiding met goed gevolg zou afronden, zou hij zich kunnen aansluiten bij een beroepsvereniging. Dit zou zijn cliënten de mogelijkheid bieden de kosten van de massage te declareren bij de ziektekostenverzekeraar, waardoor belanghebbende een grotere klantenkring zou kunnen verwerven. 2.2.In de loop van het jaar 2007 heeft belanghebbende zijn massagesalon [massagesalon] opgericht. In september 2008 heeft belanghebbende besloten om niet te starten met het laatste jaar van zijn opleiding tot massagetherapeut. Per 1 november 2008 is hij als oproepkracht in loondienst gaan werken bij een uitvaartcentrum. Het betrof een aanstelling voor de duur van 8 uur per week. Naast deze dienstbetrekking is belanghebbende doorgegaan met zijn massagewerkzaamheden. 2.3.In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de zelfstandigenaftrek. 2.4.Voor de beantwoording van deze vraag is eerst van belang vast te stellen of de inkomsten uit de massagesalon winst uit onderneming vormen, zoals belanghebbende stelt, of resultaat uit overige werkzaamheden, zoals de inspecteur voorstaat. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is van een bron van inkomen. Belanghebbende heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij in 2008 zowel voor een accountantskantoor als voor particuliere klanten massages verzorgde. Hij verstuurde zijn klanten daarvoor een nota. Uit de urenspecificatie die in het dossier is opgenomen volgt dat belanghebbende gedurende het jaar geregeld betaalde massagewerkzaamheden heeft verricht. Zijn omzet bedroeg op basis van de aangiften omzetbelasting in 2007 € 1.230, in 2008 € 8.719 en in 2009 € 14.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.