Rechtbank Breda – ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9421
RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, voorzieningenrechter Procedurenummers: AWB 12/00565, 12/00566, 12/00567 Uitspraakdatum: 22 februari 2012 Uitspraak als bedoeld in titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende] te [plaats], belanghebbende, en de inspecteur en de ontvanger van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven, de inspecteur.
Belanghebbende heeft tegen de aanslagen tijdig bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift tegen de aanslag over 2008 is weliswaar prematuur ingediend maar de aanslag was toen al aangekondigd. De inspecteur heeft op 25 november 2011 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard. Belanghebbende is daarvan in beroep gekomen bij rechtbank Den Bosch die het beroepschrift heeft doorgezonden naar deze rechtbank waar de beroepen zijn geregistreerd onder de nummers 12/0007, 12/0008 en 12/0009.
1.2. Belanghebbende heeft bij de rechtbank Den Bosch geprocedeerd naar aanleiding van een door hem gedaan verzoek tot verstrekken van documenten op basis van de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB). Deze rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard en het WOB-beroepschrift doorgezonden naar de belastingrechter van deze rechtbank. Belanghebbende heeft in de onder 1.1. vermelde beroepen verzocht om uitstel voor de motivering totdat op het WOB-beroep is beslist.
1.3. Belanghebbende heeft de voorzieningenrechter gevraagd de ontvanger te verplichten om uitstel van betaling te verlenen voor de bestreden aanslagen totdat daarover in rechte is beslist.
4.2. Uit de stukken blijkt dat de ontvanger heeft aangeboden om uitstel te verlenen mits belanghebbende zekerheid zou stellen voor de betaling van de aanslagen. Belanghebbende heeft dat niet gedaan en stelt dat hij dat niet kan. Hij heeft ter zitting gesteld dat hij zijn huis met verlies heeft moeten verkopen en dat hij met een gering salaris in een huurhuis woont. De rechtbank acht de spoedeisendheid aannemelijk.
4.3. De belastingrechter is in beginsel niet bevoegd om te oordelen over zuivere invorderingskwesties. Dat geldt dan ook voor de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter ziet echter reden om een uitzondering op die regel te maken indien aannemelijk is dat de aanslagen duidelijk onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter acht zich bevoegd in een dergelijk geval de aanslagen te schorsen. Door een schorsing zou aan het verzoek van belanghebbende tot opschorting van invorderingsmaatregelen worden tegemoetgekomen. Omdat de uitspraak van de voorzieningenrechter hoogstens kan strekken tot schorsing van de aanslag, is de inspecteur en niet de ontvanger uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.
4.4. Aan het connexiteitsvereiste is voldaan nu belanghebbende tegen de uitspraken op de bezwaren beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Belanghebbende wil niet dat in het kader van de voorlopige voorziening ook in de hoofdzaak wordt beslist. De rechtbank zal hem hierin volgen.
4.5. Belanghebbende heeft zijn beroepschriften tegen de aanslagen summier gemotiveerd. De inspecteur heeft verweerschriften ingediend waarin hij geen nadere onderbouwing heeft gegeven van de juistheid van de aanslagen vanwege het gebrek aan motivering in het beroepschrift. De voorzieningenrechter heeft de inspecteur in het kader van deze procedure verzocht de verweerschriften aan te vullen. Dat heeft hij gedaan per email. Uit de aanvulling blijkt dat bij het opleggen van de aanslagen op de volgende punten is afgeweken van de aangiften:
2006 Meer inkomsten uit arbeid € 15.000
4.7. De voorzieningenrechter ziet ook in de in mei 2006 en juni 2008 tussen belanghebbende en de inspecteur gesloten overeenkomsten geen aanleiding tot het schorsen van de aanslagen. Beide overeenkomsten hebben betrekking op de jaren 2006 en eerder. Voor de aanslagen over 2007 en 2008 zijn de overeenkomsten dus niet van belang. De correcties in de aanslagen 2007 en 2008 zijn veel hoger dan de correctie in de aanslag 2006. Een (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter over die overeenkomsten zou belanghebbende dus niet baten nu dat oordeel geen gevolgen zou hebben voor de aanslagen 2007 en 2008.
4.8. Belanghebbende heeft ter zitting nogmaals gesteld dat de inspecteur ten onrechte geen stukken heeft overgelegd over [C. BVBA] en andere buitenlandse vennootschappen waarin belanghebbende een belang zou bezitten. Belanghebbende heeft om die stukken gevraagd in het verzoek op grond van de WOB. Nu het hier gaat om stukken die de inspecteur weigert te verstrekken op grond van artikel 67 AWR, staat tegen die weigering geen beroep open bij de bestuursrechter of de gewone belastingrechter (Raad van State van 14 april 2010, nr. 200906092/1/H3, LJN BM1041). De voorzieningenrechter ziet in het niet-overleggen van die stukken door de inspecteur echter geen grond voor schorsing van de aanslagen, temeer niet nu de correcties alleen betrekking hebben op [C. BVBA] en belanghebbende zelf beschikt over alle stukken van [C. BVBA]. Belanghebbende heeft dan ook op dit punt geen spoedeisend belang. De inspecteur zal overigens alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het kader van de gewone beroepsprocedures wel aan de rechtbank moeten sturen (artikel 8:49 Awb) tenzij hij een beroep doet op artikel 8:29 Awb.
4.9. Op grond van al het vorenoverwogene is het verzoek om een voorlopige voorzienig afgewezen.
4.10. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 22 februari 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzieningenrechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 29 februari 2012 Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.