RECHTBANK BREDA Team bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/4470 WET uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juni 2012 in de zaak tussen mr. [curator] q.q., te Tilburg, eiser, en het dagelijks bestuur van het waterschap Brabantse Delta, verweerder, gemachtigden: mr. R.J.J. Aerts, mr. E.H.P. Brans en mr. A.J. van der Ven. Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2011 (bestuursdwangbeschikking) heeft verweerder aan de vennootschap Chemie-Pack Nederland B.V. medegedeeld dat: - vanaf 5 januari 2011 bestuursdwang is toegepast om de overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet in oppervlaktewateren rondom het perceel Vlasweg 4 te Moerdijk op te heffen en tegen te gaan; - Chemie-Pack Nederland in dezen is aan te merken als overtreder; - de kosten wegens de zojuist aangeduide bestuursdwang op Chemie-Pack Nederland worden verhaald. Op 14 februari 2011 heeft Chemie-Pack Nederland bezwaar gemaakt tegen de bestuursdwangbeschikking. Bij besluit van 14 juli 2011 (beslissing op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar van 14 februari 2011 ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Op 24 augustus 2011 heeft Chemie-Pack Nederland beroep tegen de beslissing op bezwaar ingesteld. Nadien is Chemie-Pack Nederland in staat van faillissement verklaard. Vervolgens heeft eiser, in zijn hoedanigheid van curator van de failliete boedel, het onderhavige geding overgenomen. Bij besluit van 24 juni 2011 (kostenbeschikking 1) heef verweerder de kosten wegens de toepassing van bestuursdwang bepaald op een bedrag van € 9.954.488,19. Op 30 september 2011 (kostenbeschikking 2) heeft verweerder de kosten wegens de toepassing van bestuursdwang bepaald op een bedrag van € 1.092.738,36 (naast de bij kostenbeschikking 1 genoemde kosten). Op 14 maart 2012 (kostenbeschikking 3) heeft verweerder de kosten wegens de toepassing van bestuursdwang bepaald op een bedrag van € 160.574,42 (naast de bij kostenbeschikkingen 1 en 2 genoemde kosten). Krachtens artikel 5:31c, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen de kostenbeschikkingen. Het beroep is, gelijktijdig met het beroep met zaaknummer AWB 11/4471 WET, behandeld ter zitting van 19 april 2012. Namens eiser was mr. J. Braat aanwezig. Verweerder liet zich door zijn gemachtigden vertegenwoordigen. Zij werden vergezeld door [woordvoerder 1] (hoofd afdeling handhaving), [woordvoerder 2] (senior handhaver), [woordvoerder 3] (operationeel projectleider) en [woordvoerder 4] (hoofd afdeling juridische zaken & vastgoed). Daarnaast werd namens verweerder het woord gevoerd door [woordvoerder 5] (als projectleider werkzaam bij Trivoor Nederland). Beoordeling Voorgeschiedenis van de bestreden besluiten 1. Chemie-Pack Onroerend Goed B.V. is eigenaresse van het bedrijfsperceel met opstallen aan de Vlasweg 4 te Moerdijk. Dat perceel is in gebruik bij haar zustervennootschap Chemie-Pack Nederland, die daar een verpakkingsbedrijf van chemicaliën exploiteert. Op 5 januari 2011 brak een zeer grote brand uit op het perceel Vlasweg 4 te Moerdijk (perceel). De brand werd bestreden door een aantal brandweerkorpsen, aangestuurd door een multidisciplinair crisisteam (Commando Plaats Incident, kortweg CoPI). Bluswater vermengde zich met op het perceel aanwezige chemicaliën. Deze substantie stroomde in de sloten langs de Vlasweg en een deel van de Oostelijke Randweg. De sloten in kwestie zullen hierna gezamenlijk ook wel worden aangeduid als: de sloten. Het CoPI vreesde dat de sloten ernstig zouden worden vervuild, dat de vervuiling zich zou verspreiden naar de nabijgelegen Roode Vaart en dat dit grote schade aan het milieu en de volksgezondheid zou toebrengen. Daarom heeft het CoPI op 5 januari 2011 opdracht gegeven tot het afdammen van de sloten. Na het afdammen zijn de sloten gecompartimenteerd en is een aanvang gemaakt met het leegpompen van de sloten. Dat leegpompen vond van 5 tot en met 7 januari 2011 plaats op last van het Havenschap, dat de daarmee gemoeide kosten bij verweerder in rekening heeft gebracht. Vanaf 7 januari 2011 heeft verweerder het leegpompen van de sloten op zich genomen. Het pompen is doorgegaan tot en met 9 januari 2011. Vervolgens werden de bodem en de oevers van de sloten onder verantwoordelijkheid van verweerder afgeschraapt. Deze werkzaamheden zijn doorgegaan tot 6 februari 2011. Van 25 januari 2011 tot en met 22 juni 2011 zijn er pompen in en nabij de sloten en de Roode Vaart geplaatst ten behoeve van de nazuivering van het oppervlaktewater. De verwerking van het verontreinigde oppervlaktewater en de verontreinigde grond is gestart op 4 maart 2011 en heeft geduurd tot en met 8 juli 2011. Standpunten van partijen 2. Verweerder huldigt de opvatting dat het brengen van het bluswater in de sloten moet worden aangemerkt als een overtreding van artikel 6.2 van de Waterwet, en dat het onmiddellijk beëindigen van deze overtreding zo belangrijk was dat direct ingrijpen van het waterschap geen enkel uitstel kon dulden. De grondslag daarvoor is artikel 5:31, tweede lid, van de Awb. Verder meent verweerder dat de overtreding als zodanig - en de kosten die met het beëindigen daarvan zijn gemoeid - aan Chemie-Pack Nederland moeten worden toegerekend. Ter ondersteuning van deze opvattingen verwijst verweerder onder meer naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 oktober 2008 (LJN: BF8999). Het vorenstaande heeft geleid tot de bestuursdwangbeschikking, de beslissing op bezwaar en de kostenbeschikkingen. 3. Eiser staat op het standpunt dat Chemie-Pack Nederland niet is gehouden tot betaling van de in de kostenbeschikkingen genoemde bedragen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser volstaan met het betoog dat Chemie-Pack Nederland kan niet worden aangemerkt als overtreder van het in artikel 6.2 van de Waterwet vervatte verbod. In dit kader heeft eisers gemachtigde ter zitting verklaard dat in zoverre wordt verwezen naar de stellingen van de vennootschap Chemie-Pack Onroerend Goed in het geding dat bij de rechtbank bekend staat onder zaaknummer AWB 11/4471 WET. Ontvankelijkheid beroep 4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende belang bij de vernietiging van de beslissing op bezwaar en de kostenbeschikkingen om voortzetting van de onderhavige procedure te rechtvaardigen. Eiser fungeert immers als belangenbehartiger van alle crediteuren van Chemie-Pack Nederland, en het vervallen van de schulden aan verweerder althans het waterschap Brabantse Delta kan de gevolgen van het faillissement voor de andere crediteuren van Chemie-Pack Nederland verzachten. 5. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van 24 augustus 2011 een summiere motivering bevat. In dat geschrift is namelijk uitdrukkelijk betwist dat Chemie-Pack Nederland als overtreder kan worden gekwalificeerd. Verder constateert de rechtbank dat eiser die betwisting, zij het eerst ter zitting, heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder door deze handelwijze niet in zijn processuele belangen geschaad. Verweerder heeft immers reeds in procedure AWB 11/4471 WET gemotiveerd gereageerd op het argument dat - ook - Chemie-Pack Nederland niet als overtreder valt te kwalificeren. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb noodzaakt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep. Relevant wettelijk kader 6. Artikel 5:1, eerste lid, van de Awb verstaat onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enige wettelijk voorschrift. Artikel 5:1, tweede lid, van de Awb verstaat onder overtreder: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Artikel 5:21 verstaat onder last onder bestuursdwang: de herstelsanctie, inhoudende (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.