RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummers: AWB 11/2238 tot en met 11/2241 en 11/2247 tot en met 11/2251 Uitspraakdatum: 16 mei 2012 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht, de inspecteur. De bestreden uitspraken op bezwaar De uitspraken van de inspecteur van 16 maart 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1991 tot en met 1994, de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 1995 en de daarbij gegeven beschikkingen heffingsrente. Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [advocaat], advocaat te Maastricht, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. 1.Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. 2.Gronden 2.1.De Belgische Bijzondere Belastinginspectie heeft bij brief van 27 oktober 2000 aan het Ministerie van Financiën fotokopieën van microfiches verstrekt (hierna: de microfiches). Deze brief vermeldt dat de microfiches gegevens bevatten in verband met rekeningen van inwoners van Nederland bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: KB Lux). Naar aanleiding van de bij deze brief verstrekte gegevens hebben de FIOD-ECD en de belastingdienst een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject 2.2.Belanghebbende is in het kader van het Rekeningenproject benaderd als mogelijke rekeninghouder van de rekening onder nummer [nummer]. In januari 2002 heeft de inspecteur hem een vragenbrief gestuurd. Belanghebbende heeft de brief beantwoord en de gevraagde gegevens verstrekt. 2.3.Bij brief van 19 maart 2002 heeft de inspecteur belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1991 tot en met 1999 en navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1991 tot en met 2000 op te leggen met een boete. 2.4.Op 28 maart 2002 heeft de inspecteur een vaststellingsovereenkomst aan belanghebbende gezonden, waarin is opgenomen dat de na te vorderen belasting, de boeten en de heffingsrente worden vervat in één navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1999. De na te vorderen belasting is gebaseerd op de door belanghebbende verstrekte gegevens. 2.5.In de eerste week van mei 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende de inspecteur een brief gestuurd met daarin de mededeling dat belanghebbende per middel en per jaar een navorderingsaanslag wilde ontvangen. Vervolgens heeft de inspecteur de onder 2.3 genoemde navorderingsaanslagen opgelegd. 2.6.De in geschil zijnde navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1991 tot en met 1994 en VB over de jaren 1991 tot en met 1995 zijn gedagtekend 16 december 2002. Deze aanslagen zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. 2.7.De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 tot en met 1999 en VB over de jaren 1998 tot en met 2000 zijn opgelegd binnen de termijn van artikel 16, derde lid, van de AWR en zijn niet meer in geschil. De navorderingsaanslagen IB/PVV over het jaar 1995 en VB 1996, gedagtekend 2 augustus 2002 en de navorderingsaanslagen IB/PVV over het jaar 1996 en VB over het jaar 1997, gedagtekend 25 juli 2002, zijn opgelegd met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur ter zake van deze navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld. 2.8.Tussen partijen is uitsluitend in geschil het antwoord op de volgende vragen: 1. Is ten aanzien van de in 2.6. bedoelde navorderingsaanslagen de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR terecht toegepast? 2. Is het juiste bedrag aan heffingsrente vastgesteld? De hoogte van de navorderingsaanslagen en boeten als zodanig zijn niet in geschil. Verlengde navorderingstermijn 2.9.Hetgeen partijen verdeeld houdt is de vraag of de inspecteur bij het opleggen van de in 2.6. bedoelde navorderingsaanslagen voldoende voortvarend heeft gehandeld als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nummers 43050bis en 43670bis, onder ander gepubliceerd in BNB 2010/199 en 2010/200. 2.10.Bij arrest van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, onder andere gepubliceerd in BNB 2009/222, heeft het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), onder meer voor recht verklaard: "1) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer voor de belastingautoriteiten van een lidstaat spaartegoeden en inkomsten uit deze tegoeden zijn verzwegen en deze autoriteiten geen aanwijzingen over het bestaan ervan hebben op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen, deze lidstaat een langere navorderingstermijn toepast wanneer deze tegoeden in een andere lidstaat zijn aangehouden dan wanneer zij in eerstgenoemde lidstaat zijn aangehouden. De omstandigheid dat deze andere lidstaat het bankgeheim kent, is in dit opzicht van geen belang. 2) De artikelen 49 EG en 56 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat, wanneer een lidstaat voor in een andere lidstaat aangehouden tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan voor in eerstgenoemde lidstaat aangehouden tegoeden en deze buitenlandse tegoeden alsmede de inkomsten daaruit zijn verzwegen voor de belastingautoriteiten van eerstgenoemde lidstaat die niet over aanwijzingen beschikten op basis waarvan zij een onderzoek hadden kunnen instellen, de geldboete ter zake van verzwijging van deze buitenlandse tegoeden en inkomsten wordt berekend naar evenredigheid van het bedrag van de navorderingsaanslag en over deze langere periode.". 2.11.Naar aanleiding van dit arrest van het HvJ EG heeft de Hoge Raad in zijn hiervoor in 2.9. vermelde arresten onder meer de volgende regels geformuleerd die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de termijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR: "2.1.1. Uit de verklaring voor recht moet worden afgeleid dat de artikelen 49 en 56 EG zich er niet tegen verzetten dat een lidstaat die niet beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat, voor de belastingheffing over (inkomsten uit) dergelijke tegoeden een langere navorderingstermijn toepast dan de termijn die geldt voor de belastingheffing in verband met tegoeden in de eigen staat. 2.1.2. Zijn die aanwijzingen er wel, en wordt naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag opgelegd na het verstrijken van de termijn die zou gelden met betrekking tot tegoeden die worden aangehouden in de eigen staat, dan moet de daaruit voortvloeiende beperking van het vrije verkeer worden aanvaard indien de navorderingsaanslag wordt opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.