RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 812561-12 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 juli 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda raadsvrouw mr. Van Breemen, advocaat te Raamsdonksveer 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 juli 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Van Aken, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1. op 18 maart 2012 [slachtoffer 1] heeft verkracht, dan wel dat hij geprobeerd heeft haar te verkrachten; feit 2. op 26 maart 2012 heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te verkrachten, dan wel dat hij haar heeft mishandeld. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten in de primaire variant heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 baseert zij zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] welke verklaring steun vindt in de verklaringen van haar nichtjes. Ten aanzien van feit 2 baseert zij zich op de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van een getuige. De officier van justitie is van mening dat feit 2 in samenhang moet worden bezien met feit 1. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van feit 1 omdat van een gedwongen seksueel binnendringen of een poging daartoe geen sprake is. Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat verdachte een andere versie van de gebeurtenissen heeft. Aangegeven is dat hij werd geraakt door de fietster als gevolg waarvan zij ten val kwam. Verdachte wilde haar helpen. Daarnaast meent de verdediging dat het ook erg onwaarschijnlijk is dat iemand juist die plaats zou uitzoeken voor een poging tot verkrachting. De verdediging meent dat dit feitelijk ook niet mogelijk kan zijn gelet op de zeer beperkte ruimte in de bosjes ter plaatse. Hooguit is bewijs voor een mishandeling aanwezig. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1 Op 18 maart 2012 is [slachtoffer 1] samen met onder meer twee nichtjes uitgegaan in het centrum van Breda . Tegen 04.30 uur waren zij weer op de kamer van [slachtoffer 1] aan de [adres]. Omdat zij nog een sigaret wilde roken en geen vuur had, is zij weer naar buiten gegaan. Toen zij terug kwam in de hal van de studentenflat bemerkte zij dat er nog iemand in de hal was. Dit bleek verdachte te zijn. Hij probeerde haar te zoenen. [slachtoffer 1] kreeg klappen van verdachte. Zij stond tussen de gestrekte armen van verdachte tegen de deur. Met zijn rechterhand sloeg verdachte haar op de linkerwang. Aangeefster verklaart dat verdachte vaak sloeg. Hij sloeg op haar in. Verdachte duwde haar klem in een hoekje zodat zij geen kant uit kon. Zij werd hard in het gezicht geslagen, bij de keel gepakt en tegen de muur geduwd. [slachtoffer 1] draaide haar hoofd weg maar verdachte hield haar hoofd vast. Verdachte zoende daarna het slachtoffer waarbij hij met zijn tong in haar mond kwam. Zij kreeg weer klappen omdat zij wegdraaide met haar hoofd. Achter de rug van verdachte probeerde [slachtoffer 1] door middel van haar mobiele telefoon contact te krijgen met iemand. Verdachte wilde dat [slachtoffer 1] met hem mee zou gaan naar zijn woning. [slachtoffer 1] stelde voor dat verdachte maar mee moest gaan naar haar kamer. Verdachte maakte haar duidelijk dat als zij een onverwachte beweging zou maken, zij (het slachtoffer en haar twee nichtjes), vermoord zouden worden en de ogen uitgestoken zouden worden. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] aan de haren de trap mee opgetrokken. Toen zij op haar kamer kwamen, struikelde verdachte over een luchtbed dat achter de deur lag waarna de twee nichtjes wakker werden. Door één van hen is verdachte vervolgens naar buiten geduwd. In haar aanvullende verklaring van 17 april 2012 geeft [slachtoffer 1] aan dat zij de hele tijd heeft gehuild en ook tegen verdachte heeft gezegd dat hij moest stoppen en dat zij het niet wilde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met zijn tong in de mond van [slachtoffer 1] is geweest en dat hij zag dat zij bang was . Volgens verdachte heeft aangeefster het initiatief genomen tot de tongzoen en is dat zonder dwang gebeurd. De rechtbank constateert dat verdachte over hetgeen die nacht is voorgevallen niet consistent heeft verklaard. De verklaring van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarentegen vindt steun in de verklaringen van de twee nichtjes en andere objectieve gegevens. [naam nichtje 1], een van de nichtjes, werd ineens wakker omdat er iemand op haar bed viel . Het was een wat oudere man. Zij hoorde [slachtoffer 1] zeggen dat de man hen zou vermoorden en de ogen zou uitsteken. Zij zag dat haar nichtje [slachtoffer 1] erg bang en in paniek was. Zij duwde de man naar buiten. Ook het andere aanwezige nichtje, [naam nichtje 2], heeft gehoord dat zij volgens aangeefster vermoord zouden worden en dat de ogen uitgestoken zouden worden . Zij zag dat de man er agressief uitzag. Daarnaast is onderzoek verricht door het Nederlands Forensisch Instituut . Vastgesteld is dat DNA van verdachte is aangetroffen rond de lippen van het slachtoffer [slachtoffer 1], op haar linker- en rechterwang en in het nagelvuil van [slachtoffer 1]. Door aangeefster is verder verklaard dat zij geprobeerd heeft om via haar mobiele telefoon contact te krijgen met mensen. Bij onderzoek aan de mobiele telefoon van de vriend van aangeefster, [naam vriend], is vastgesteld dat op 18 maart 2012 om 06.08 uur een bericht is ontvangen. Te horen is de stem van een man en van een vrouw. De vrouw huilt. Een moment is te horen: “alsjeblieft laat me los”. Later wordt gezegd: “niet doen, niet doen” en “au au”. Verder wordt door de vrouw gegild. Ten slotte is er door de unit FTO letsel geconstateerd op het gezicht van aangeefster. Op het voorhoofd van het slachtoffer werd boven de neusbrug een verticaal verlopende kras aangetroffen. Het betrof een kennelijk verse kras met een lengte van circa 12mm. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aangifte, de verklaringen van de getuigen, het uitlezen van de voicemailberichten en de bevindingen van FTO en het NFI, wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte onder dwang met zijn tong in de mond van het slachtoffer is geweest zodat hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd, wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. Feit 2 Op 26 maart 2012 fietste [slachtoffer 2] rond 7.20 uur door het Valkenbergpark in Breda . Vlak bij het rode bruggetje zag zij een man. Op het moment dat zij de man passeerde, maakte hij een stap naar voren en duwde hij haar de bosjes in. De man probeerde haar verder de bosjes mee in te sleuren. Hij sloeg haar in het gezicht. Het slachtoffer was met haar benen onder haar fiets terecht gekomen. Zij werd aan haar haren en haar shawl onder haar fiets uitgesleurd. Vervolgens werd zij meermalen door de man geslagen met zijn vuisten. Gezegd werd dat zij moest ophouden met schreeuwen waarna verdachte tot twee keer toe zijn vinger in haar mond en keel duwde. De getuige [getuige 1] heeft gezien dat er iemand in de bosschages op een meisje zat. Hij zag dat de man de shawl voor het gezicht van het meisje hield en dat hij met zijn vuist het meisje sloeg. Dit werd met kracht gedaan. Nadat de getuige had geroepen “Politie, politie” rende de man hard weg in de richting van het centrum van Breda. Verbalisant [naam verbalisant] heeft tijdens het intakegesprek op 26 maart 2012 gezien dat onder het linkeroog van aangeefster een lichte zwelling en lichte verkleuring zichtbaar waren . Verdachte heeft verklaard dat hij het meisje dat gevallen was, wilde helpen. Gelet op de verklaring van aangeefster, op de verklaring van de getuige en op de bevindingen van de verbalisanten waaruit blijkt dat verdachte rennend het park is uitgekomen acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, sprake is geweest van een begin van uitvoering van een verkrachting. Door op gewelddadige wijze het slachtoffer van de fiets te duwen, trachten haar de bosjes in te sleuren, haar met zijn vuisten te slaan en gelet op de omstandigheid dat nog geen week ervoor verdachte zich ook al schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat de handelingen van verdachte er op gericht waren het slachtoffer te verkrachten. De feiten 1 en 2 dienen naar het oordeel van de rechtbank in samenhang bezien te worden. Ter zitting heeft de raadsvrouw van verdachte nog een tweetal foto’s overgelegd. Volgens de verdediging is het onmogelijk geweest dat verdachte heeft getracht het slachtoffer de bosjes in te trekken omdat meteen na de reling van de rode brug kippengaas is geplaatst waardoor het feitelijk onmogelijk zou zijn het slachtoffer de bosjes in te trekken. De rechtbank overweegt hieromtrent allereerst dat op één van de foto’s duidelijk is waar te nemen dat direct na de reling het hek van kippengaas schuin de struiken in gaat waardoor het feitelijk wel mogelijk is iemand in die richting te trekken. Daarnaast plaatst de rechtbank vraagtekens bij de plaats die door de raadsvrouw gefotografeerd is. Uitgaande van de tekening zoals gemaakt door het slachtoffer (bijlage bij haar aanvullende verklaring, bladzijde 198) komt de plaats waar zij is gevallen niet overeen met de locatie zoals gefotografeerd door de raadsvrouw. Reeds hierom treft het verweer van de verdediging geen doel. De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer 2] te verkrachten zoals onder feit 2 primair is tenlastegelegd. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 1. (primair) op 18 maart 2012 te Breda door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van een handeling die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen/gestompt en die [slachtoffer 1] klem heeft gezet en die [slachtoffer 1] bij de keel heeft vastgehouden en het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt/vastgehouden zodat die [slachtoffer 1] haar hoofd niet kon wegdraaien en die [slachtoffer 1] aan haar haren de trap op heeft getrokken/gesleurd en aldus voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan; 2. (primair) op 26 maart 2012 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot het ondergaan van (een)handeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.