RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02/806169-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 juli 2012 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [datum en plaats] wonende te [adres] raadsman mr. J.J.R. Albicher, advocaat te Roosendaal. 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juli 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Koning, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: in de periode van november 2007 tot en met mei 2011 opzettelijk de eer of goede naam van haar ex-echtgenoot heeft aangetast door ruchtbaarheid te geven van het feit dat deze zijn en andermans kinderen seksueel heeft misbruikt en deelnam aan een kinderpornonetwerk, dit al of niet terwijl zij wist dat er geen misbruik heeft plaatsgevonden en hij geen lid was van een dergelijk netwerk (feit 1), en tussen juli 2010 en oktober 2010, al of niet in vereniging, haar dochter opzettelijk heeft onttrokken aan het gezag van haar vader en het toezicht van Bureau Jeugdzorg (feit 2). 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie. De raadsman heeft aangevoerd dat [naam ex-echtgenoot] de ex-echtgenoot van verdachte, op 10 februari 2011 aangifte heeft gedaan van laster en/of smaad. Het betreffen klachtdelicten en dit impliceert dat een klacht moet worden ingediend binnen 3 maanden nadat de aangever kennis heeft genomen van de feiten. [naam ex-echtgenoot] baseerde zijn aangifte mede op een uitzending van het televisieprogramma Zembla, uitgezonden op 24 mei 2009. [naam ex-echtgenoot] heeft zelf aan die uitzending meegewerkt door zijn advocate zijn visie van het geheel te laten uiteenzetten, zodat hij in ieder geval sinds 24 mei 2009 op de hoogte was van de vermeende laster/smaad. Op 30 maart 2011 heeft [naam ex-echtgenoot] een aanvullende verklaring afgelegd en daarbij gewezen op de zijns inziens uit de indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg blijkende laster cq. smaad door verdachte. In die verklaring geeft [naam ex-echtgenoot] verder aan dat hij in augustus 2010 in de toenmalige winkel van verdachte had vernomen dat verdachte hem nog steeds betichtte van seksueel misbruik. Hierdoor is komen vast te staan dat [naam ex-echtgenoot] pas klacht heeft gedaan, terwijl hij al veel langer dan 3 maanden op de hoogte was van die vermeende feiten. De officier van justitie dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vervolging, aldus de raadsman. De officier van justitie heeft dit standpunt bestreden. Hij wijst erop dat de uitzending van Zembla tot op de dag van vandaag is te bekijken via internet, zodat het delict van verdachte nog immer voortduurt. Voorts was het voor [naam ex-echtgenoot] een buitengewoon grote stap om aangifte te gaan doen, waarbij hij voor wat betreft feit 2 ook nog eens werd tegengewerkt door de politie. Nu de smaad nog immer voortduurt en volgens vaste rechtspraak een gebrek in een klacht ook achteraf nog kan worden hersteld, en kan het openbaar ministerie worden ontvangen in de vervolging. De rechtbank overweegt het navolgende met betrekking tot: De verweten gedragingen: Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat zij in de periode van november 2007 tot en met mei 2011 op verschillende manieren bekend heeft gemaakt dat [naam ex-echtgenoot] zijn kinderen seksueel had misbruikt en wel aan haar of zijn familie, vrienden, kennissen, collega’s of buren, alsmede aan medewerkers van Bureau Jeugdzorg, [naam] of de politie en in het televisieprogramma Zembla. Door de toevoeging dat verdachte dit deed terwijl zij wist dat dit in strijd met de waarheid was valt de delictsomschrijving zowel onder smaad (artikel 261 Wetboek van Strafrecht) als onder laster (artikel 262 van die wet). Krachtens het bepaalde in artikel 269 van het Wetboek van Strafrecht betreft het misdrijven die niet kunnen worden vervolgd dan op klacht van degene tegen wie het feit is gepleegd. De termijn van de indiening van een klacht: De wetgever heeft in het onderhavige geval aan de indiening van een klacht een termijn verbonden van drie maanden, welke termijn aanvangt op het moment dat de tot het indienen van een klacht gerechtigde kennis heeft gekregen van de geuite beschuldigingen. De bedoeling van de wetgever om een termijn te verbinden aan het indienen van een klacht is gelegen in de omstandigheid dat de wetgever enerzijds de tot een klacht gerechtigde de mogelijkheid wilde ontnemen om tot in lengte van jaren gebruik te kunnen blijven maken van dat recht en anderzijds de beledigende niet onbeperkt een “zwaard” van vervolging boven het hoofd kan blijven worden gehouden. In de rechtspraak wordt weliswaar soepel omgegaan met de vereisten van de indiening van een klacht, doch het betreft dan de vereisten die samenhangen met de aard of de inhoud van de klacht. Deze soepelheid geldt uitdrukkelijk niet op het punt van de wettelijke klachttermijn. Bepalend voor de ontvankelijkheid is volgens deze jurisprudentie het moment waarop voor het eerst de wens tot vervolging is geuit. Zo de klacht dus is gericht op uitlatingen of gedragingen van verdachte, waarvan [naam ex-echtgenoot] meer dan drie maanden vóór de indiening van de klacht kennis had genomen, dan is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk in de vervolging. De rechtbank stelt vast dat [naam ex-echtgenoot] op 27 juli 2010 aangifte heeft gedaan van de onttrekking aan het gezag van zijn dochter [naam dochter]. In die aangifte wordt niet gerept van door verdachte gepleegde smaad of laster. Bij brief van 29 november 2010 heeft de raadsvrouw van [naam ex-echtgenoot] namens deze bij de hoofdofficier van justitie te Breda aangifte gedaan van smaad en/of laster, gepleegd door verdachte vanaf 2007. Op 10 februari 2011 heeft verdachte opnieuw aangifte en tevens klacht gedaan van smaad en/of laster, onder meer het programma Zembla betreffende. Anders dan de officier van justitie meent, is naar het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid geen sprake van één voortdurend feit, maar dient de ontvankelijkheid te worden beschouwd per tenlastegelegd incident. Programma Zembla De officier van justitie heeft betoogd dat verdachte, door in het programma Zembla de genoemde beschuldigingen te uiten, terwijl zij wist dat [naam ex-echtgenoot] voor die feiten integraal was vrijgesproken, zich heeft schuldig gemaakt aan een voortdurend delict. De uitzending van Zembla is immers tot op de dag van vandaag via internet te bekijken. De rechtbank volgt hem daarin niet. De uitlatingen van verdachte in het televisieprogramma Zembla betreffen immers één en dezelfde gedraging, te weten de uitlatingen voor de camera tijdens het interview ten behoeve van dit programma. Dit interview moet blijkens het dossier hebben plaatsgehad omstreeks april/mei 2009. Als verdachte al had kunnen voorzien dat deze Zembla-uitzending later via internet alsnog te bekijken zou kunnen zijn, dan kan zij in het onderhavige geval niet verantwoordelijk worden gehouden voor de beslissing van de VARA om de inhoud van het programma op internet te plaatsen. Bovenal echter doet de nog immer voortdurende toegankelijkheid van de uitzending van Zembla niet af aan het feit dat [naam ex-echtgenoot] reeds op of kort na de datum van uitzending, zijnde 24 mei 2009, kennis heeft genomen van het gepleegde feit. [naam ex-echtgenoot] heeft echter pas op 10 februari 2011 terzake aangifte gedaan en een klacht ingediend. Voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie is blijkens de hiervoor aangehaalde rechtspraak niet alleen de datum van indiening van de klacht bepalend, maar ook relevant de datum waarop [naam ex-echtgenoot] voor het eerst een wens tot vervolging heeft geuit. Het dossier bevat echter geen enkel aanknopingspunt dat [naam ex-echtgenoot] een dergelijke wens binnen de termijn kenbaar heeft gemaakt en evenmin dat [naam ex-echtgenoot] binnen die termijn door tegenwerking door de politie niet in staat zou zijn geweest een dergelijke wens kenbaar te maken. Ook de schriftelijke aangifte van 29 november 2010 terzake smaad/laster valt voor wat betreft het Zembla-programma ruimschoots buiten de klachttermijn van drie maanden als bedoeld in artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam ex-echtgenoot] daardoor ten aanzien van de uitlatingen in Zembla niet tijdig op de bij de wet voorgeschreven wijze klacht gedaan. De officier van justitie dient dan ook ten aanzien van dit onderdeel van de tenlastelegging niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omgeving en instanties Ten aanzien van het kenbaar maken aan familie, vrienden, kennissen of buren heeft [naam ex-echtgenoot] verklaard dat hij in augustus 2010 hoorde van zijn voormalige buurvrouw [naam buurvrouw] dat verdachte hem nog steeds van seksueel misbruik beschuldigde. Ten aanzien van beschuldigingen, geuit tegen de diverse instanties, is gebleken dat [naam ex-echtgenoot] daarvan kennis kreeg door rapporten, althans indicatiebesluiten van Bureau Jeugdzorg (hierna ook: BJZ) d.d. 12 maart 2010, 13 oktober 2010 en 15 december 2010, alsmede van [naam] Diagnostisch Centrum (hierna ook: [naam]) d.d. 29 juni 2011. [naam ex-echtgenoot] heeft op 27 juli 2010 aangifte gedaan van de onttrekking aan het gezag van dochter [naam dochter]. In die aangifte wordt niet gerept van gepleegde smaad of laster. Zo [naam ex-echtgenoot] al werd tegengewerkt door de politie, dan stelt de rechtbank vast dat aan het doen van deze aangifte medewerking is verleend. De raadsvrouw van [naam ex-echtgenoot] deed namens hem op 29 november 2010 voor het eerst aangifte van door verdachte gepleegde smaad/laster. Deze brief beschouwt de rechtbank als het eerste moment waarop verdachte de wens te kennen heeft gegeven dat verdachte zou worden vervolgd voor laster dan wel smaad. Dit brengt met zich mee dat de mededelingen van verdachte aan BJZ, neergelegd in het indicatiebesluit van 12 maart 2010, evenals de mededelingen van verdachte aan de politie buiten de klachttermijn vallen. Nu [naam ex-echtgenoot] dienaangaande zijn klacht te laat heeft ingediend, is de officier van justitie ook in zoverre niet-ontvankelijk in de vervolging. Ten aanzien van de tegenover de buurvrouw geuite beschuldigingen zal de rechtbank, gelet op de omstandigheid dat [naam ex-echtgenoot] daarvan kennis heeft genomen in augustus 2010 en de wens tot vervolging heeft kenbaar gemaakt op 29 november 2010, nog wel als binnen de termijn van drie maanden vallend beschouwen. Niet uitgesloten is immers dat [naam ex-echtgenoot] van deze uitlatingen eerst eind augustus heeft kennis genomen. Eveneens heeft [naam ex-echtgenoot] tijdig klacht ingediend voor wat betreft de uitlatingen van verdachte, neergelegd in de indicatiebesluiten van BJZ van 13 oktober 2010 en 15 december 2010, evenals in het rapport van [naam] van 29 juni 2011. Voor wat betreft laatstgenoemd rapport moet de klacht van 10 februari 2011 geacht worden daarop mede te zien, nu het soortgelijke uitlatingen van verdachte betreft. Ten aanzien van het overige onder 1 ten laste gelegde is de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank dan ook wel ontvankelijk in de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte smadelijke of lasterlijke uitspraken heeft gedaan aan medewerkers van BJZ en [naam] en baseert zich daarbij op de omstandigheid dat die uitspraken weliswaar zijn gedaan, maar binnen de setting van de hulpverlening. Gelet op de daarmee samenhangende geheimhoudingsplicht kunnen die uitspraken van verdachte niet worden beschouwd als zijnde gedaan met het kennelijke doel dat daaraan ruchtbaarheid zou worden gegeven. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochter [naam dochter] van juli tot half oktober 2010 heeft meegenomen naar het buitenland, en zodoende heeft onttrokken aan het wettige gezag van de vader van [naam dochter] en het opzicht van BJZ. Hij baseert zich daarbij op de deels bekennende verklaring van verdachte, de verklaring van [naam ex-echtgenoot] alsmede de rapportage van BJZ en van [naam]. Voorts wijst de officier van justitie erop dat, nu [naam dochter] onder toezicht was gesteld, de gezinsvoogd naar vaste rechtspraak te allen tijde toegang tot de minderjarige dient te hebben. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van beide feiten en wijst daarbij op het navolgende. Bij feit 1 kan het bestanddeel ruchtbaarheid geven niet worden bewezen en evenmin is komen vast te staan dat verdachte de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had. Bij feit 2 is geen sprake van het onttrekken aan het ouderlijk gezag, nu verdachte sinds de echtscheiding feitelijk alleen het gezag over [naam dochter] heeft uitgeoefend. Bovendien was verdachte (op vakantie) met [naam dochter] naar Frankrijk gegaan ter bescherming van haar dochter en haarzelf, nu [naam ex-echtgenoot] en leden van zijn organisatie haar hadden bedreigd. Evenmin heeft verdachte [naam dochter] aan het opzicht van Bureau Jeugdzorg onttrokken. Zij heeft geprobeerd haar vakantie te melden. Bovendien heeft Jeugdzorg geen aangifte gedaan, noch de aangifte van [naam ex-echtgenoot] ondersteund. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Feit 1: Thans ligt aan het oordeel van de rechtbank allereerst de vraag voor of de uitlatingen van verdachte aan medewerkers van BJZ en [naam], zoals blijkt uit de verslagen van respectievelijk 13 oktober 2010, 15 december 2010 en 29 juni 2011, lasterlijk dan wel smadelijk waren ten opzichte van [naam ex-echtgenoot]. Vast staat dat verdachte die uitspraken heeft gedaan, maar binnen de setting van de hulpverlening. De rechtbank volgt de officier van justitie en de raadsman dat deze uitspraken niet kunnen worden beschouwd als zijnde gedaan met het kennelijke doel dat daaraan ruchtbaarheid zou worden gegeven. Dat uitlatingen van verdachte in de betreffende rapporten zijn opgenomen brengt evenmin mee dat aan het vereiste van ruchtbaarheid geven is voldaan, nu de inhoud van deze rapporten in beginsel slechts in de hulpverleningssetting bekend wordt. Voorts dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte tegenover de buurvrouw van verdachte (en destijds van [naam ex-echtgenoot]) smadelijke of lasterlijke uitspraken heeft gedaan. Deze buurvrouw, [naam buurvrouw] heeft echter bij de politie verklaard dat zij dit wel eens met [naam ex-echtgenoot] had besproken, maar dat verdachte (zie pagina 036 van het eindproces-verbaal) nadat [naam ex-echtgenoot] was vrijgesproken niet veel meer over hem heeft gesproken met haar. De verklaring van [naam buurvrouw] dat verdachte tegen haar heeft gezegd dat zij bang was dat [naam dochter] straks weer naar haar vader moest en dat het verhaal dan verder zou gaan waar het gestopt was, acht de rechtbank onvoldoende steunbewijs voor de aangifte van [naam ex-echtgenoot] op dit punt. De rechtbank zal verdachte dan ook van dit gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken. Feit 2: Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank is de minderjarige [naam dochter] [2e naam dochter] naam ex-echtgenoot] geboren op [adres] en dochter van [initialen]. [naam ex-echtgenoot] met ingang van 22 december 2009 onder toezicht gesteld van de Stichting BJZ voor de duur van één jaar. [voornamen] [naam ex-echtgenoot] heeft op 27 juli 2010 aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag van zijn dochter [naam dochter] en de vermissing van haar. Hij heeft verklaard dat hij via BJZ begreep dat [naam dochter] na 15 juli 2010 niet meer op haar school is verschenen. Gezinsvoogdijwerker [naam gezinsvoogdijwerker] heeft gemeld dat verdachte in juli 2010 met [naam dochter] met onbekende bestemming is vertrokken zonder de gezinsvoogdijwerker hiervan op de hoogte te stellen. Verbalisant [naam verbalisant] heeft verklaard dat verdachte en [naam dochter] per 15 juli 2010 uit de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) waren uitgeschreven. Op 13 oktober 2010 werd door BJZ doorgegeven dat verdachte en [naam dochter] weer terug in Nederland waren. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat na de echtscheiding in 2004 zij en [naam ex-echtgenoot] waren overeengekomen dat het ouderlijk gezag van beide ouders zou worden gehandhaafd, hetgeen zij bij convenant hebben bekrachtigd. Zij heeft voorts verklaard dat zij op 15 juli 2010 met [naam dochter] is vertrokken naar Frankrijk, zonder de vader van [naam dochter] en de gezinsvoogdijstichting BJZ daarvan in kennis te stellen. Sinds 1 oktober 2010 zijn verdachte en [naam dochter] weer terug in Nederland. Op grond hiervan acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte haar dochter in de tenlastegelegde periode heeft onttrokken aan het wettige gezag van de vader én aan het opzicht van BJZ. De rechtbank verwerpt de stelling van de raadsman, dat het onderhavige geval niet valt onder de werking van artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht. De strekking van deze bepaling is nu juist om degene die het wettig gezag of het bevoegde toezicht over een minderjarige uitoefenen, in staat te stellen hun taak te kunnen vervullen, dit ter bescherming van de minderjarige. Dat er op dat moment geen feitelijk contact tussen vader en dochter was, doet daar niet aan af. Vader heeft wel mede het ouderlijk gezag. Verdachte heeft nog betoogd dat zij BJZ wel heeft proberen in te lichten, maar dat tot vier maal toe de telefoon niet werd opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank ontslaat het enkele feit, dat verdachte (zo dit al zou vaststaan) heeft geprobeerd naar Jeugdzorg te bellen, haar niet van de verplichting aan de gezinsvoogd formeel melding te maken dat zij voor ruim 2½ maand met haar 13-jarige dochter naar het buitenland gaat vertrekken. Tot slot heeft verdachte nog aangevoerd dat zij wel naar het buitenland moest vluchten, omdat zij en haar dochter werden bedreigd door [naam ex-echtgenoot] en werden bespioneerd door leden van zijn organisatie. Dat er een bedreigende situatie was ontstaan is niet gebleken door bijvoorbeeld, hetgeen voor de hand had gelegen, een aangifte van verdachte bij de politie. Wat er ook overigens zij van de beweringen van verdachte die op geen enkele wijze worden gestaafd, zij had daarop niet moeten reageren door met een jong, schoolgaand kind naar het buitenland te vertrekken zonder de vader en BJZ in kennis te stellen. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte 2. in de periode van 15 juli 2010 tot 1 oktober 2010 te Roosendaal, en onbekend gebleven bestemming(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.