RECHTBANK BREDA Team kanton Tilburg zaak/rolnr.: 718819-AZ-12-130 beschikking d.d. 15 augustus 2012 inzake [verzoekster], wonende te [woonplaats] (België), verzoekster, gemachtigden: mrs. [Broer] en P. Contreras, advocaten te Amsterdam, tegen: de onderlinge waarborgmaatschappij Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep, Aanvullende Verzekering Zorgverzekeraar U.A., kantoorhoudende te Tilburg, verweerster, gemachtigde: mr. E. van den Krommenacker, advocaat te Eindhoven. Partijen zullen hierna door de kantonrechter [[verzoekster]] en CZ worden genoemd.
(2008)altijd als voldoende door CZ is beoordeeld en waarbij [[verzoekster]] in februari 2010 gelet op haar verkoopresultaten zelfs nog tot “Kwartaalkoningin” is uitgeroepen. CZ heeft nog naar de vastgelegde en door [[verzoekster]] ontvangen bilatverslagen verwezen, waaruit wel degelijk kritiek op haar functioneren zou moeten blijken, maar de kantonrechter is van oordeel dat deze bilatverslagen buiten beschouwing kunnen blijven. Voor zover relevant dient hetgeen in bilatverslagen staat vermeld immers altijd terug te komen in de beoordeling. In de beoordeling over 2009 is geen enkele verwijzing naar welk bilatverslag dan ook terug te vinden. 4.5 Nog geen zes maanden na de beoordeling over 2009 werd op 23 november 2010 door CZ de beslissing genomen om [[verzoekster]] uit haar functie van accountmanager B te ontheffen. Dat het functioneren van [[verzoekster]] in de periode van 25 mei 2010 tot 23 november 2010 wezenlijk is veranderd, is de kantonrechter niet gebleken. Uit de brief van 23 november 2010 en de bij het verweerschrift gevoegde verklaring van [X] van 5 juli 2012 blijkt dat de [Q]-klacht aan de CZ-directie de zogenoemde druppel was die de emmer voor CZ deed overlopen. [X] heeft ter zitting toegelicht van mening te zijn dat [[verzoekster]] naar aanleiding van de eerder door haar ontvangen klacht van [Q] over de uitschrijfdatum van een CZ-zorgpolis zelf met [Q] contact had dienen op te nemen in plaats van de klacht naar de afdeling klachten en geschillen door te zenden. [[verzoekster]] heeft ter zitting verklaard dat zij, alvorens op die klacht van [Q] te reageren, eerst zelf intern wilde onderzoeken of het besluit van de verzekerdenadministratie tot het niet toekennen van restitutie juist was. Hoewel het wellicht verstandiger was geweest om meteen zelf met [Q] contact op te nemen, acht de kantonrechter de verwijzing naar de afdeling klachten en geschillen van CZ door [[verzoekster]], gelet op de langdurige voorgeschiedenis van klachten van [Q] die betrekking hadden op het coulancebeleid van CZ en het daarin door [X] zelf in 2009 nog ingenomen standpunt dat het coulancebeleid voor [Q] niet altijd door kon gaan, niet dusdanig ernstig dat dit een ontheffing van [[verzoekster]] uit haar functie rechtvaardigde. Te meer niet nu de afdeling klachten en geschillen ondanks het verzoek van [[verzoekster]] om de zaak eerst met haar terug te koppelen, meteen afwijzend richting [Q] heeft gereageerd. Daar kon [[verzoekster]] niets aan doen. 4.6 De andere klachten die [X] in zijn resumé heeft genoemd ter onderbouwing van de beslissing van 23 november 2010 om [[verzoekster]] haar functie te ontnemen betreffen: “[A] Vorig jaar heeft [A] ook over jou geklaagd. Zij vonden je niveau te laag maar ook hier problemen in de communicatie. Ook hier non-verbaal niet sterk. Meerdere malen heeft [A] getracht de behoefte bij jou aan te geven maar dat is nooit geland. Daadwerkelijke communicatie is er niet geweest, je sprak een andere taal, aldus [A]. Ook de inkopers van [A] (hadden jou nog niet eerder gesproken) vonden je een zwakke indruk maken. Complexe vraagstukken zijn aan jou niet besteed. [B] In maart en april 2010 zijn er klachten gekomen van de contactpersonen van [B] over je communicatie Het ging over de toonzetting, herhaaldelijk dezelfde vragen stellen, moeite om dingen te begrijpen. Hoewel niet direct hard te maken had [B] de indruk dat je ook verwachtingen wekt bij klanten die niet nagekomen kunnen worden. Deze klachten zijn met je besproken. [C] Via [C] zijn er ook klachten binnengekomen over jou wederom met betrekking tot je stijl van communiceren. Ook dit is met je besproken. IV-groep Is een "lastige klant", maar door de wijze van communiceren is duidelijk dat je hier m.i. niet goed mee om kan gaan. De relatie met P&O is verstoord. Ik heb aangeboden hier meer over te sparren maar je hebt dat aanbod nooit ingevuld. Tevens valt het m.i. jou aan te rekenen dat je deze klant niet eerder heeft gewezen op producten die niet passend zijn voor het bedrijf (kosten ongeveer 8.000 euro per jaar zonder toegevoegde waarde).” Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen ook deze klachten niet de beslissing van CZ van 23 november 2010 rechtvaardigen. Daarbij is van belang dat deze klachten bij CZ reeds bekend waren ten tijde van de beoordeling van [[verzoekster]] over 2009 en dat deze klachten, indien juist (want zij zijn door [[verzoekster]] betwist), door CZ kennelijk niet voldoende ernstig zijn bevonden om [[verzoekster]] in de beoordeling een waarschuwing te geven dat CZ nieuwe klachten van klanten over haar niet meer zou accepteren, met daaraan gekoppeld verplichte coaching of scholing voor [[verzoekster]] om de communicatie met klanten op het door CZ vereiste niveau te brengen. Daarbij komt bovendien nog dat de kantonrechter de door CZ gestelde klacht van de IV-Groep over [[verzoekster]] niet kan plaatsen in het licht van de wens van deze klant om [[verzoekster]] als accountmanager te houden (zie het hierboven in rechtsoverweging 2 onder f. weergegeven bilatverslag van 10 februari 2010). Verder heeft CZ haar stelling, dat de IV-Groep [[verzoekster]] verwijt dat zij € 8.000,- heeft betaald voor producten die niet passend zijn voor het bedrijf, op geen enkele wijze onderbouwd, zodat de kantonrechter daar verder aan voorbij gaat. 4.7 Uit het bovenstaande volgt dat de beslissing van CZ van 23 november 2010 om [[verzoekster]] uit haar functie te ontheffen op dat moment een deugdelijke grondslag miste. Dat valt CZ, mede gelet op het lange dienstverband en het langdurig voldoende functioneren van [[verzoekster]], bijzonder ernstig te verwijten. 4.8 Ook acht de kantonrechter de wijze waarop CZ heeft gereageerd op de ziekmelding van [[verzoekster]] verwijtbaar. De e-mails van 29 november 2010, 30 november 2010 en 2 december 2010 (producties 42 tot en met 44 bij het verzoekschrift) zetten de verhoudingen nodeloos verder op scherp. Met name de inhoud van de e-mail van 29 november 2010 acht de kantonrechter onbegrijpelijk. Een loonopschorting omdat [[verzoekster]] door haar ziekmelding per e-mail bij [X] zich niet zou hebben gehouden aan het ziekmeldingsprotocol van CZ, dat voorschrijft dat ziekmeldingen telefonisch dienen te geschieden, acht de kantonrechter in dit geval volstrekt ongepast en in strijd met goed werkgeverschap, mede gelet op het langdurige dienstverband van [[verzoekster]] waarbij zij ter zitting onweersproken heeft aangevoerd dat van ziekte aan haar kant in al die jaren niet of nauwelijks sprake is geweest. In plaats van een loonopschorting had het in de omstandigheden van het geval veel meer voor de hand gelegen wanneer [X] zelf de telefoon had gepakt om [[verzoekster]] naar aanleiding van haar ziekmelding even te bellen. De e-mail van 29 november 2010 acht de kantonrechter temeer onbegrijpelijk, nu [X] zowel op 5 juli 2012 als ter zitting heeft verklaard dat het niet zijn intentie was om [[verzoekster]] buiten spel te zetten, maar dat hij samen met haar op zoek wilde gaan naar een andere passende functie binnen CZ. Dat zou bijvoorbeeld een (nog verder) aangepaste vorm van de functie van Accountmanager kunnen zijn. [X] heeft ter zitting aangegeven dat hij na de ziekmelding van [[verzoekster]] wel degelijk telefonisch contact met haar heeft gezocht, maar dat zij telefonisch niet bereikbaar was. Wat daarvan zij, stelt de kantonrechter vast dat [X] zijn gestelde bedoelingen in geen van de genoemde drie e-mails aan [[verzoekster]] kenbaar heeft gemaakt. In plaats van de-escalerend op te treden, heeft CZ het geschil door de loonopschorting gejuridiseerd met alle gevolgen van dien. Indien [X] in één van de betreffende e-mails zijn bedoelingen duidelijk had gemaakt dan was de arbeidsrelatie tussen partijen wellicht gered. De onterechte, plotselinge ontheffing van [[verzoekster]] uit haar functie door CZ gevoegd bij het na de ziekmelding door [[verzoekster]] nodeloos verder op scherp stellen van de verhoudingen door CZ, rechtvaardigt op zichzelf een ontbindingsvergoeding met een C-factor ver boven de
- 4.9 Vervolgens hebben zich echter omstandigheden voorgedaan die een sterk matigende werking op die factor hebben. Na de mailwisseling over de ziekmelding heeft CZ het re-integratietraject naar het oordeel van de kantonrechter goed opgepakt. CZ heeft, nadat [[verzoekster]] enkele keren gesproken had met de bedrijfsarts en een personeelsadviseur van CZ, in de brief van 3 augustus 2011 voorgesteld om voor [[verzoekster]] een functie te creëren in Sittard. Naar het oordeel van de kantonrechter was dit op zich een goed voorstel om uit de ontstane impasse te komen. Van een onnavolgbare koerswijziging, zoals [[verzoekster]] heeft gesteld, was geen sprake, nu het voorstel niet gericht was op re-integratie in haar eigen functie. [[verzoekster]] had dit voorstel niet op voorhand mogen afwijzen. Weliswaar hebben alle betrokken bedrijfsartsen, gelet op de mentale weerbaarheid van [[verzoekster]], hun voorkeur voor een beëindiging van het dienstverband met CZ uitgesproken, zoals [[verzoekster]] ter zitting met juistheid heeft opgemerkt, maar niet gebleken is dat [[verzoekster]] medisch niet in staat was dit voorstel ten minste een kans te geven. Medische verklaringen die daaraan in de weg zouden staan, heeft [[verzoekster]] niet overgelegd. 4.10 Verder acht de kantonrechter voor de uiteindelijke bepaling van de C-factor ook van belang dat [[verzoekster]] al op 6 september 2011 aan de bedrijfsarts kenbaar had gemaakt dat zij niets voor een gecreëerde functie binnen CZ voelde. Dat zo zijnde had zij op dat moment al ontbinding kunnen en moeten vragen. Immers was toen voor [[verzoekster]] al duidelijk dat zij niet meer, ook niet in een andere functie, voor CZ werkzaam wilde zijn. 4.11 CZ heeft, nadat een tweetal beëindigingsvoorstellen van haar door [[verzoekster]] waren afgewezen, nog getracht om via mediation tot een oplossing te komen. De in februari/maart 2012 tussen partijen plaatsgevonden mediationgesprekken hebben niet tot het gewenste resultaat geleid. Het op het UWV-deskundigenoordeel gebaseerde standpunt van [[verzoekster]] dat het mediationtraject te laat door CZ is ingezet deelt de kantonrechter, gelet op de periode die hieraan vooraf is gegaan en de opstelling die [[verzoekster]] in die periode heeft ingenomen, niet. 4.12 De onterechte afwijzing door [[verzoekster]] van het voorstel om in Sittard een nieuwe functie te creëren en het lange wachten met het indienen van een ontbindingsverzoek door [[verzoekster]] hebben een sterk matigend effect op de C-factor. 4.13 Al het bovenstaande vertalend naar de C-factor is de kantonrechter van oordeel dat die in dit geval op 1 dient te worden gesteld, omdat het uiteindelijk aan beide partijen in gelijke mate verwijtbaar is dat er per 1 september 2012 een einde komt aan de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. Een C-factor van 1 komt overeen met een bedrag van € 185.625,- bruto. 4.14 CZ heeft nog gewezen op aanbeveling 3.1 van de Kring van Kantonrechters onder verwijzing naar door haar overgelegde berekeningen van inkomstenderving. [[verzoekster]] heeft de juistheid van deze berekeningen betwist omdat daarin geen rekening is gehouden met het niet door CZ weersproken feit dat [[verzoekster]] als inwoonster van België geen aanspraak kan maken op een Nederlandse WW-uitkering, terwijl de Belgische werkloosheidsuitkering veel lager is. In de berekeningen van CZ is namelijk wel van een Nederlandse WW-uitkering uitgegaan. Reeds daarom zal de kantonrechter aan de berekeningen van CZ voorbij gaan. 4.15 Omdat aan [[verzoekster]] een lagere vergoeding is toegekend dan waarom zij heeft verzocht zal de kantonrechter haar ingevolge het bepaalde in artikel 7:685 lid 9 BW in de gelegenheid stellen haar verzoek in te trekken. Ook aan CZ zal die gelegenheid worden geboden nu zij in haar verzoekschrift geen vergoeding heeft aangeboden. 4.16 Gezien de aard van de procedure worden de kosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
- De beslissing De kantonrechter: t.a.v. het verzoek van [[verzoekster]] - stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2012, onder toekenning aan [[verzoekster]], ten laste van CZ, van een vergoeding van € 185.625,- bruto; - stelt [[verzoekster]] in de gelegenheid om tot uiterlijk 30 augustus 2012 om 10.00 uur haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan (de gemachtigde van) CZ; t.a.v. het verzoek van CZ - stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 september 2012, onder toekenning aan [[verzoekster]] van een vergoeding van € 185.625,- bruto ten laste van CZ; - stelt CZ in de gelegenheid om tot uiterlijk 30 augustus 2012 om 10.00 uur haar verzoek in te trekken door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met gelijktijdige toezending van een afschrift daarvan aan (de gemachtigde van) [[verzoekster]]; en bij handhaving van het verzoek door [[verzoekster]] en/of CZ - ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, gelegen in verandering in de omstandigheden met ingang van 1 september 2012; - kent aan [[verzoekster]], ten laste van CZ, een vergoeding toe van € 185.625,- bruto en veroordeelt CZ om die vergoeding binnen 30 dagen na de ontbinding aan [[verzoekster]] te betalen; en zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek door [[verzoekster]] en/of CZ - compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.