RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02-984839-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 september 2012 in de strafzaak tegen [ver[naam verdachte] geboren op [datum en plaats] gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda raadsman mr. Lenaerts, advocaat te Breda 1 Onderzoek van de zaak De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 september 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Lemstra, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is tijdens de zitting van 20 maart 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak op 14 september 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: Feit 1: samen met een ander cocaïne in zijn bezit heeft gehad en/of heeft bewerkt/verwerkt/verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd, Feit 2: Primair: samen met een ander een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen, Subsidiair: samen met een ander meermalen geldbedragen heeft witgewassen Feit 3: samen met een ander een vuurwapen en munitie in zijn bezit heeft gehad. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende. De onder feit 1 ten laste gelegde cocaïne bevond zich in een afgesloten container achter een hek. Zowel het hek als de container konden geopend worden met sleutels uit de woning van de verdachten. De cocaïne zat verpakt in tassen waarop DNA-materiaal van beide verdachten zat en in een doos van een DVD-recorder van verdachten. Verdachten hebben daar geen verklaring voor gegeven. Naar de mening van de officier van justitie is dit voldoende om tot een bewezenverklaring voor het voorhanden hebben van 130 kilogram cocaïne te komen. De officier van justitie vindt echter dat er ook bewijs is voor de handel in de aangetroffen cocaïne, omdat ook een vacuümmachine met daarop sporen van cocaïne, sealzakken en gele vuilniszakken zijn gevonden in een loods van verdachte. Verdachte is bovendien één dag voor de zoeking met een gele vuilniszak te zien op zijn eigen camerabeelden terwijl een dag later in de kofferbak van de Range Rover van verdachte en in de loods gele vuilniszakken met daaraan de geur van cocaïne zijn aangetroffen. Ook zijn kleine hoeveelheden drugs op verschillende plaatsen in de woning van de verdachten aangetroffen en zaten er ook in de achterbak van de Audi van verdachte [mededader 1] sporen van cocaïne. Er zijn bill of ladings van koffiebonen aangetroffen, er liep een waakhond rond waarvan de verdachten ontkenden dat het hun hond was en verdachte verklaarde zeer belastend over al deze dingen in een OVC-gesprek. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen cocaïne, de verpakkingsmaterialen met daarop nog sporen van koffie en cocaïne en het aangetroffen geld is er volgens de officier van justitie ook sprake van handel in cocaïne. Voor wat betreft feit 2, het witwassen, stelt de officier van justitie dat er veel geld was verstopt in de koven van de rolluiken in de woonkamer en dat op één van de pakketten met geld een pinkafdruk van verdachte is aangetroffen. Ook hebben verdachten volgens de officier van justitie enorme contante uitgaven gedaan, de woning verbouwd en een tuin met zwembad aan laten leggen, terwijl zij geen verklaring hebben afgelegd over de herkomst van al het geld dat daarmee gemoeid was. Deze hoeveelheden geld kunnen volgens de officier van justitie niet verklaard worden uit legale inkomstenbronnen, zoals deze blijken uit de gegevens van de belastingdienst. Uit onderzoek naar de gestelde dienstverbanden van beide verdachten bij O.V.M.M. B.V. respectievelijk [naam bv.] B.V. is volgens de officier van justitie gebleken dat er sprake was van een zogeheten loanback constructie, waarbij de verdachten hun eigen salaris uit crimineel geld betaalden om zo criminele gelden wit te wassen. Gelet op de enorme bedragen, de schijnconstructie dat er sprake zou zijn van een legaal inkomen en de aangetroffen hoeveelheid cocaïne, andere verdovende middelen en verpakkingsmaterialen is de officier van justitie van mening dat er sprake is van gewoontewitwassen door beide verdachten. Met betrekking tot feit 3 baseert de officier van justitie zich erop dat beide verdachten al bij de zoeking op 12 oktober 2011 verklaarden dat er een vuurwapen in de woning aanwezig was, dat dit vuurwapen ook daadwerkelijk is aangetroffen en dat het niet verstopt, maar gewoon in een bureaula lag. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van feit 1 kan komen, omdat het DNA-onderzoek hoogstens zegt dat verdachte de tassen waarin cocaïne zat ooit aangeraakt heeft. Het is niet zeker dat verdachte in de container waar de cocaïne is gevonden is geweest. Er is geen direct verband tussen de overige aangetroffen sporen en de aangetroffen 130 kilogram cocaïne. Verdachte verklaart in het OVC gesprek over de aangetroffen zaken dat hij daarmee niets van doen heeft. Zo verklaart hij juist dat de cocaïne niet van hem is en uit het OVC-gesprek blijkt niet van daderwetenschap, omdat hem aan het einde van de zoeking op 12 oktober 2011 medegedeeld is wat er allemaal was aangetroffen en meegenomen. Ook heeft de verdediging gesteld dat er mogelijk meerdere sleutels van het hek en de container in omloop waren en dat ook andere mensen zich vrijelijk door de loodsen konden bewegen, waardoor er volgens de verdediging onvoldoende bewijs is dat de aangetroffen 130 kilogram cocaïne van verdachte was, laat staan dat bewezen kan worden dat verdachte hierin gehandeld heeft. De verdediging heeft ook tot vrijspraak voor feit 2 geconcludeerd en er daartoe op gewezen dat er geen bewijs is dat verdachte betrokken is bij de handel in verdovende middelen. Voor wat betreft het vermeende fictieve dienstverband geldt volgens de verdediging dat niet is aangetoond dat verdachte zelf betalingen heeft gedaan om daarmee salarisbetalingen te realiseren of dat dit op zijn aangeven is gebeurd, waardoor ook dit deel van de tenlastelegging naar de mening van de verdediging niet bewezen kan worden. Dat de betaalde verbouwing van de woning en de aanleg van de tuin en het zwembad contant door verdachte zouden zijn betaald, wordt alleen verklaard door de aannemers en niet ondersteund door overige bewijsmiddelen. Verdachte heeft op legale wijze inkomsten vergaard met de handel in horloges, auto’s en goud, maar heeft dit niet aan de fiscus verantwoord. Van zijn vader kreeg hij dure auto’s. De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank feit 1 Naar aanleiding van een onderzoek tegen de vader van verdachte vond op 12 oktober 2011 in de woning van verdachte en zijn medeverdachte aan de [adres] een zoeking plaats. Hierbij werd niet alleen de woning van verdachte doorzocht, maar ook de naastgelegen loodsen en een afgesloten container gelegen op hetzelfde perceel. In de container naast de woning werden 5 sporttassen van het merk Eastpack en één kartonnen doos van een Samsung recorder gevonden. Deze tassen en doos bleken na een eerste onderzoek en een voorlopige test pakketten cocaïne te bevatten. Na inbeslagname werden zowel de tassen en de doos als monsters van de pakketten poeder, vermoedelijk cocaïne, onderzocht door het NFI. Alle pakketten poeder uit de tassen en de doos bleken cocaïne te bevatten in totaal betreft het 130 kilogram. Verdachte en zijn medeverdachte huurden deze woning en een deel van de loods naast de container. Dit werd bevestigd door de eigenaresse mevrouw [naam eigenaresse] en haar partner, de heer [partner van de eigenaresse] . Van het deel van de loods dat zij huurden, aangemerkt als [adres], is ook een huurcontract aangetroffen. In de woning werd een sleutel aangetroffen waarmee het hek geopend kon worden dat toegang gaf tot de container waar de pakketten werden aangetroffen en de sleutel van de container zelf. De getuigen [naam eigenaresse] en [partner van de eigenaresse] verklaarden dat verdachte toegang tot de container had, omdat de sleutels in de woning van verdachte waren achtergebleven. Verdachte zelf verklaarde tijdens de zitting dat de hond die in een kennel naast het hek dat bij de container stond, van hem was . Getuige [naam eigenaresse] verklaarde daarover dat de hond van verdachte eerst rond de container liep. Zowel zij als haar partner hebben verdachte toen gezegd dat hij een kennel voor de hond moest bouwen. Dit heeft verdachte daarna volgens deze getuige ook gedaan. Ook heeft verdachte op verzoek van getuige [partner van de eigenaresse] bouwmaterialen geplaatst achter het hek dat toegang geeft tot de container waarin de cocaïne lag. Op grond hiervan staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat er 130 kilogram cocaïne in een container bij [adres] is aangetroffen en dat verdachte toegang tot deze container had en ook daadwerkelijk ter plaatse is geweest. De handvaten van alle vijf de Eastpack-sporttassen waarin cocaïne zat werden verwijderd voor nader onderzoek. Op alle tassen is celmateriaal dat matcht met het DNA-profiel van verdachte aangetroffen. In sommige gevallen is sprake van aangetroffen celmateriaal dat afkomstig kan zijn van verdachte en minimaal één andere persoon, waarbij de medeverdachte niet kan worden uitgesloten en in één geval is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de DNA-kenmerken een match vertonen met de DNA-profielen van beide verdachten. Tijdens de zitting van 5 juni 2012 zijn verdachte foto’s van de betreffende sporttassen voorgehouden. Verdachte verklaarde daarop dat hij deze tassen weleens gezien had in de loodsruimte waar ook de Harley Davidson stond. Ook verklaarde hij dat hij deze tassen weleens in zijn handen gehad had. Op de Samsungdoos waarin 35 pakketten cocaïne van elk 1000 gram zijn aangetroffen stonden codes en serienummers. Getuige [naam eigenaresse] verklaarde dat verdachte beveiligingscamera’s had laten plaatsen en de politie heeft deze opnameapparatuur in beslag genomen in de woning van verdachte. Op de betreffende Samsung recorder stonden dezelfde codes en serienummers als op de in de container aangetroffen doos met daarin de cocaïne. De rechtbank leidt hieruit af dat deze doos en recorder bij elkaar hoorden en dat deze eigendom van verdachte waren. Ook blijkt uit bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte de tassen waarin een groot deel van de cocaïne zat, heeft vastgehouden. De medeverdachte verklaarde dat zij en verdachte in een Audi A6 Station reden en de kosten daarvoor samen deelden. Deze Audi A6 is op 12 oktober 2011 in beslaggenomen en in de woning van verdachten zijn ook een aankoopfactuur en een kentekenbewijs van deze auto aangetroffen. Voor de rechtbank staat hiermee vast dat verdachten gebruik maakten van deze auto. Uit de kofferbak van deze Audi A6 is een zuigmonster genomen. In dit zuigmonster zijn sporen van cocaïne aangetroffen. Ook is een handgeschreven briefje met daarop onder andere ‘kwarts poeder cocaïne’ geschreven in de keuken van de woning van verdachten aangetroffen , is in de loods die verdachten huurden onder 45B een vacuumsealmachine met sealzakken en wit poeder erop aangetroffen. Dit poeder testte indicatief voor cocaïne. In de loods stond ook een tafel met daarop een dekzeil met restanten van wit poeder. Ook dit gaf bij de indicatieve monstertest een indicatie op de mogelijke aanwezigheid van cocaïne. Uit nader onderzoek bleek dat het poeder op de vacuümmachine inderdaad cocaïne betreft. Getuige [Getuige I] verklaarde dat het deel van de loods waarin dit alles werd gevonden door verdachte gebruikt werd en getuige [partner van de eigenaresse] verklaarde dat de vacuümmachine hem niets zegt en niet van hem of [naam eigenaresse] was. De aangetroffen sealzakken bij de vacuümmachine kwamen visueel overeen met de afmeting en vorm van de gesealde aluminiumverpakkingen waarin de pakketten cocaïne in de container in verpakt waren. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zich in ieder geval bezig hield met cocaïne. De cocaïne uit de aangetroffen pakketten was steeds omwikkeld met één of meerdere lagen transparant plastic folie en daaromheen was transparante of bruinkleurige plastic tape gewikkeld. Meerdere blokken waren ook omwikkeld met dunne lagen rubber of latex in diverse kleuren. In enkele pakketten zagen de verbalisanten tussen de lagen rubber en folie een fijnkorrelig bruinkleurig poeder. Dit poeder rook naar koffie. In de inpandige garage bij de woning van verdachte zijn zogeheten bill of ladings aangetroffen. Deze bill of ladings zien op het importeren van koffie uit Colombia, Brazilië en Peru. Het is de verbalisanten die het onderzoek naar verdachte uitvoeren bekend dat cocaïne vanuit Zuid-Amerika vaak verstopt wordt in ladingen koffie. Op 13 oktober 2011 vond van 11:14 uur tot 11:55 uur een opgenomen vertrouwelijk gesprek (hierna: OVC) plaats tussen verdachte en zijn broer [voornaam broer]. Verdachte zei in dit gesprek dat hem 4 miljoen euro af is gepakt en dan nog een half miljoen binnen. Ook zegt hij het volgende. “Van die cocaïne liggen die lijsten van Brazilië, Columbia en Peru. Al die lijsten had ik binnen liggen. Het vacuümapparaat hebben ze gevonden met die sealzakken. Ze kunnen zeggen wat ze willen, dat ik die loods gehuurd heb en die vacuümautomaat en die sealzakken.”… “Ik heb hier allemaal drugs, straks halen ze het nog weg, dacht ik.” “Kijk, waar ze die cocaïne gevonden hebben, dat is niet van mij, is mijn terrein niet. Ja, als mijn afdrukken erop staan ehh zal ik zeggen ja ik heb het misschien wel in die tas gezet zonder het te weten. Ik beroep mijn eigen op mijn zwijgrecht, [voornaam broer], ja, laat ze maar komen.” Toen zijn broer hem vroeg of het slot was ingedouwd, antwoordde verdachte in dit gesprek: “Ik had gewoon een sleutel, de sleutel lag bij mij binnen in de la. Maar ja er lagen zoveel sleutels bij mij binnen [voornaam broer] dus uh, ik weet het niet. Ik ben daar zo ingekomen in dat huis en er lagen honderdduizenden sleutelbossen dus uh…ik moest nog opruimen.” Verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zich dit gesprek niet kan herinneren, maar gelet op de gedetailleerde en specifieke informatie die de gesprekspartner van de broer van verdachte in dit gesprek ten toon spreidt, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niemand anders dan verdachte geweest zijn. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verdachte niet door de politie in kennis was gesteld van wat er tijdens de zoeking allemaal was aangetroffen. Pas op 13 oktober 2011 om 13:13 uur, dus nadat het OVC gesprek plaatsvond, is de lijst met in beslaggenomen goederen door de politie naar de rechter-commissaris gefaxt. In dit gesprek werd heel duidelijk door verdachte aan zijn broer verteld wat er allemaal in beslag was genomen. Verdachte vertelde onder andere over de bill of ladings, het vacuümapparaat, de sleutels en de cocaïne. Verdachte vertelde zijn broer weliswaar dat de cocaïne niet op zijn terrein was aangetroffen, maar wel dat hij de sleutel ervan had, nog achtergelaten door de vorige bewoners, die daar zelf ook over verklaard hebben. Hij bereidde zich in dit gesprek voor over zijn in te nemen proceshouding voor het geval zijn afdrukken erop staan. Op grond van voormelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en verband bezien is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 12 oktober 2011, 130 kilogram cocaïne voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen niet zonder meer bewezen kan worden dat verdachte ook handelde in cocaïne en zal verdachte daarom vrijspreken voor dit deel van de tenlastelegging. De rechtbank is van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de medeverdachte toegang had tot de container waarin de cocaïne is aangetroffen en ook niet dat zij er van op de hoogte was dat die cocaïne daar lag. Van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte is daarom niet gebleken. De rechtbank zal verdachte daarom eveneens vrijspreken van het plegen van het medeplegen van dit feit. feit 2 fictieve inkomens Tijdens de genoemde zoeking werden ook diverse financiële en administratieve bescheiden gevonden, waaronder een arbeidsovereenkomst van verdachte bij de organisatie voor Marketing&Management (hierna: O.V.M.M.) en diverse loonstroken van verdachte. Deze arbeidsovereenkomst is door verdachte op 5 november 2010 getekend en houdt in dat verdachte vanaf 8 november 2010 in dienst is bij O.V.M.M. als Rayon-manager verkoop Reclame tegen een bruto salaris van € 4.999,93 per vier weken. Uit zijn bankafschriften blijkt dat hij van 8 december 2010 tot en met 1 september 2011elke vier weken steeds € 3.099.59 overgemaakt kreeg en in juni 2011 € 4.698,14 ten titel van loon inclusief vakantiegeld. In totaal heeft verdachte ten titel van loon derhalve € 32.576,03 ontvangen. Ten tijde van de indiensttreding van verdachte was de heer [naam directeur) volgens de Kamer van Koophandel directeur en als enige zelfstandig bevoegd van O.V.M.M. Hij verklaarde dat hij het bedrijf alleen voor een vriend genaamd [naam vriend] op zijn naam had gezet. Deze vriend vertelde hem begin 2011 dat hij niets met O.V.M.M. wilde doen en er weer vanaf wilde. Daarom is het bedrijf in april 2011 overgegaan naar een de heer [naam] Verdachte verklaarde ook dat hij in de veronderstelling was dat er nooit iets met het bedrijf gebeurd is , dat hij nooit een arbeidsovereenkomst heeft opgesteld en dat de naam [naam verdachte] hem niets zegt. Van april 2011 tot en met november 2011 was Stichting dit is Zorg, met als enig bestuurder de heer [naam], blijkens gegevens van de Kamer van Koophandel directeur van [naam BV]. Hij verklaarde dat hij [naam] nooit had gezien, maar dat hij wel de BV van hem heeft overgenomen. Hij maakte daartoe een overname overeenkomst waarin stond dat het ontslag voor een nog aanwezig personeelslid voor zijn rekening en risico zou komen. De naam van dat personeelslid stond niet in die overeenkomst. Pas in september heeft hij, naar aanleiding van dreigende e-mails daartoe, eenmalig geld overgemaakt naar het rekeningnummer van [naam verdachte]. Hij heeft dit via de bankrekening van zijn ex-vrouw gedaan en verklaarde nooit de beschikking over een bankrekening op naam van O.V.M.M. gehad te hebben. In de maanden april tot en met juli 2011 heeft hij nooit salaris uitbetaald. Desgevraagd bevestigde deze getuige dat in de periode dat hij middellijk directeur van O.V.M.M. was dit bedrijf geen activiteiten heeft ontplooid. O.V.M.M. is officieel gevestigd in de [adres] Uit onderzoek is gebleken dat dit een bovenwoning boven een slagerijpand betreft. De standplaats van waaruit verdachte zijn werkzaamheden zou verrichten, betreft [adres] Almere. Uit nader onderzoek blijkt [adres] van [naam bedrijf] te zijn en [adres] van een notariskantoor. [naam bedrijf] heeft volgens de heer [eigenaar van dit bedrijf], directeur van [naam bedrijf], in 2010 een contract voor de huur van een virtueel kantoor gesloten met O.V.M.M. Dit is via de e-mail gegaan. Er is nooit iemand van O.V.M.M. ter plaatse geweest, telefonisch en via de email is tevergeefs veelvuldig contact met O.V.M.M. gezocht en er is nooit een geldbedrag ontvangen van O.V.M.M., waardoor [naam eigenaar pand in Al[naam bedrijf] het contract al in april 2010 eenzijdig beëindigd heeft. De enige post die ooit voor O.V.M.M. ontvangen is, is post van de belastingdienst geweest. Beide personen die als enige bevoegde bestuurders waren in de periode van het dienstverband van verdachte verklaren niemand in dienst te hebben genomen. Er zou slechts eenmaal loon overgemaakt zijn en dan nog naar aanleiding van dreigende e-mails in plaats van naar aanleiding van verrichte werkzaamheden. Ook verklaarden beiden dat zij niet op de hoogte waren van enige activiteiten van O.V.M.M. Nu uit onderzoek ook gebleken is dat de standplaats waar verdachte zou moeten werken nooit door O.V.M.M. in gebruik is genomen en dat de vestigingsplaats geen kantoorpand betreft, staat naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat verdachte nooit daadwerkelijk voor O.V.M.M. heeft gewerkt. Ook van de medeverdachte zijn tijdens de zoeking van 12 oktober 2011 bankafschriften, loonstroken en een arbeidsovereenkomst aangetroffen. Zij tekende op 1 januari 2011 een arbeidsovereenkomst bij [naam bv.] B.V. (hierna [naam holding]), waarmee zij per 1 januari 2011 in dienst van [naam holding] zou treden als account manager en per maand netto € 2.500,= zou verdienen. Uit haar bankafschriften bleek dat zij in de periode januari 2011 tot en met september 2011 maandelijks € 2.500,= betaald kreeg en in mei 2011 € 3.479,76 als loon inclusief vakantiegeld. Dit blijkt ook uit haar loonstroken, waarin steeds staat dat zij volledig gewerkt heeft en geen ziekte- of vrije dagen heeft opgenomen en dat is opmerkelijk. De medeverdachte verklaarde namelijk bij de politie dat zij na haar auto-ongeluk in februari 2011 eerst anderhalve maand in het ziekenhuis heeft gelegen en dus niet heeft kunnen werken. Bovendien verklaarde zij op 25 oktober 2011 op dat moment geen inkomen had en niet werkte vanwege het betreffende auto-ongeluk. Uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam holding] op 9 september 2011 is uitgeschreven uit het handelsregister en dat de inschrijving op 9 december 2010 is doorgehaald wegens opheffing van de vestiging. Uit gegevens van de Belastingdienst/FIOD komt naar voren dat met ingang van 9 december 2010 de loonbelastingactiviteiten van [naam holding] zijn vervallen, wat inhoudt dat [naam holding] vanaf die datum geen inhoudingsplichtige meer is voor de loonbelasting en geen personeel meer in loondienst heeft. Nu de medeverdachte verklaard heeft dat zij in ieder geval sinds haar ongeval in februari 2011 een periode niet meer gewerkt heeft en het bedrijf waarvoor zij zou werken sinds 9 december 2010 geen personeel meer in dienst heeft gehad, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de medeverdachte nooit daadwerkelijk [naam holding]aam bv.] B.V. heeft gewerkt. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hier bij beide verdachten om een fictief dienstverband met dito loon gaat in een zogeheten loan-back constructie. Dit houdt in dat verdachten middels fictieve loonbetalingen geldbedragen van misdrijf afkomstig hebben omgezet naar wit geld om zo over legale inkomsten te kunnen beschikken. Uit het verhoor van de heer [naam vorige eigenaar van de Holding] (die in de zomer van 2010 [naam holding] heeft verkocht) volgt dat hij verdachte het telefoonnummer van de nieuwe eigenaar heeft gegeven omdat verdachtes vriendin [voornaam vriendin] een baan zocht. De rechtbank leidt uit het voorgaande af, nu verdachte en zijn vriendin van elkaar moeten hebben geweten dat zij niet daadwerkelijk voor de bedrijven in de genoemde functies werkten, dat zij op de hoogte waren van elkaars loonconstructie. Het witwassen in vereniging acht de rechtbank dan ook bewezen. aanleg tuin en zwembad De getuigen [naam eigenaresse] en [partner van de eigenaresse] verklaarden dat verdachten in de zomer van 2011 een tuin aan hebben laten leggen en een zwembad hebben laten plaatsen in de tuin aan de [adres]. De heer [naam hoveniersbedrijf] uit Sint Willibrord verklaarde dat hij in de eerste week van mei 2011 door een man en een vrouw werd benaderd met de vraag of zijn bedrijf de tuin behorend bij het perceel [adres] wilde aanleggen. Het viel hem op dat de man, die [naam verdachte] heette, moeilijk liep en dat de vrouw iets aan haar arm had. Zij vertelden hem dat zij een ongeluk gehad hadden. Het bedrijf heeft in opdracht van [naam verdachte] de tuin, de verlichting en de beregening aangelegd. De rekening is contant door [naam verdachte] betaald. De heer [naam hovenier] overhandigde de facturen van [naam hovenier] Hoveniers gericht aan de familie [naam verdachte] aan de politie. Het betreft drie facturen van respectievelijk € 25.000,=, € 19.999,= en € 11.000,=. Alles bij elkaar hebben verdachten dus ruim € 55.000,= contant aan [naam hovenier] Hoveniers betaald voor de aanleg van ze tuin. De heer [naam verkoper zwembad] van Waterstijl Strijen B.V. verklaarde dat verdachte hem benaderde over de aanleg van een zwembad in zijn tuin in Rucphen. Hij ging vervolgens naar de [adres] en trof daar [voornaam verdachte] en een vrouw. Het was een tenger klein blond vrouwtje met blond haar. Bieden liepen volgens de getuige erg moeilijk. De getuige begreep dat zij een ongeluk hadden gehad. De getuige maakte een globale offerte voor het aanleggen van een zwembad en verdachte ging daarmee akkoord. Op 4 april 2011 is de getuige de eerste aanbetaling in Rucphen op gaan halen. Het totale factuurbedrag werd in vijf keer contant betaald. De bedragen staan vermeld op de eindfactuur op naam van [voornaam verdachte] [fictieve acht[voornaam verdachte]am]. Hiermee wordt echter [voornaam verdachte] [naam verdachte] bedoeld volgens de getuige. Het zwembad is in juni 2011 geplaatst. De getuige heeft de facturen overhandigd. Het betreft een vijftal facturen van respectievelijk € 9.520,=, € 9.520,=, € 4.760,=, € 10.100,= en € 12.800,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.