RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 11/1996 Uitspraakdatum: 7 september 2012 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [belanghebbende], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Maastricht, de inspecteur. 1.Ontstaan en loop van het geding 1.1.De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.359 (aanslagnummer [nummer]H.86). 1.2.De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 maart 2011 de aanslag gehandhaafd. 1.3.Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 4 april 2011, ontvangen bij de rechtbank op 5 april 2011, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. 1.4.De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5.Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2012 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [advocaat], advocaat te Maastricht en, namens de inspecteur, [gemachtigden]. De zaken met procedurenummers 11/1994 tot en met 11/1997 zijn gelijktijdig behandeld. 2.Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1.Belanghebbende en haar echtgenoot dreven, in de vorm van een vennootschap onder firma, een onderneming in elektronica (hierna: de VOF). De VOF had een licentie voor de verkoop van producten van [leverancier]. Deze licentie is in 2006 door [leverancier] ingetrokken. Door het intrekken van de licentie werd, sinds mei 2006, (vrijwel) geen omzet meer gerealiseerd. De VOF is tot op heden niet ontbonden. 2.2.De echtgenoot van belanghebbende heeft, na tussenkomst van de rechter, een schadevergoeding van [leverancier] ontvangen van € 154.589. Deze schadevergoeding is uitdrukkelijk niet in geschil. 2.3.Op een later moment is ook belanghebbende een procedure gestart tegen [leverancier]. Dit heeft geleid tot betaling door [leverancier] van een bedrag van € 100.000. Dit bedrag is in 2008 gestort op een derdenrekening van een advocaat. Later is het bedrag overgemaakt naar de derdenrekening van een andere advocaat. Het bedrag bevindt zich tot op heden op laatstgenoemde rekening. 2.4.In de aangiften over het onderhavige jaar hebben belanghebbende en haar echtgenoot de schadevergoeding van € 100.000, na aftrek van € 2.000 aan accountantskosten, verantwoord als winst uit onderneming (normale jaarwinst). Daarbij is, conform het VOF contract, 80% van de € 98.000, te weten € 78.400, toegerekend aan de echtgenoot van belanghebbende en de overige 20% van de € 98.000, te weten € 19.600, aan belanghebbende. De aanslag is conform de aangifte opgelegd. 3.Geschil 3.1.Tussen partijen is in geschil of de door belanghebbende van [leverancier] ontvangen schadevergoeding behoort tot de stakingswinst. Voorts is in geschil in welk jaar de schadevergoeding moet worden belast. Tot slot is in geschil of belanghebbende en haar echtgenoot, als zij de schadevergoeding als lijfrentepremie afstorten, recht hebben op aftrek van de premie in het onderhavige jaar. 3.2.Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd tijdens de zitting en in de van hen afkomstige stukken. 3.3.Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.759. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4.Beoordeling van het geschil Behoort de schadevergoeding tot de stakingswinst? 4.1.De rechtbank overweegt dat onder stakingswinst verstaan wordt, de winst die is behaald met of bij de staking. Naar het oordeel van de rechtbank valt de in 2.3 bedoelde betaling als zodanig aan te merken. Belanghebbende heeft onweersproken en geloofwaardig gesteld dat het intrekken van de licentie van [leverancier] leidde tot een dusdanige daling in de omzet van de onderneming dat deze als gevolg daarvan is opgehouden te bestaan. Het intrekken van de licentie, ten gevolge waarvan de in 2.3 bedoelde betaling heeft plaatsgevonden, heeft dus geleid tot het staken van de onderneming. Hierdoor hangt de in 2.3 bedoelde betaling dusdanig onlosmakelijk samen met het einde van de onderneming, dat deze moet worden aangemerkt als stakingswinst. Het jaar van belastingheffing 4.2.De schadevergoeding is in 2008 ontvangen. Nu de schadevergoeding niet in een eerder jaar tot de winst is gerekend, dient alleen al daarom, heffing in 2008 plaats te vinden. Recht op lijfrenteaftrek? 4.3.Artikel 3.130 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt: “1. Premies voor lijfrenten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop deze zijn betaald of verrekend, voorzover de verrekening niet leidt tot een schuldig gebleven bedrag. 2. Een belastingplichtige kan premies voor lijfrenten als bedoeld in de artikelen 3.127, vijfde lid, 3.128 en 3.129 die binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar door hem zijn betaald of verrekend, naar bij de aangifte gemaakte keuze nog aanmerken als premies die zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar.” 4.4.Belanghebbende is zich bewust van de omstandigheid dat zij op grond van artikel 3.130 van de Wet IB 2001 geen aanspraak kan maken op aftrek van een lijfrentepremie, nu deze niet binnen zes maanden na 2008 is betaald aan een toegelaten verzekeraar. Zij beroept zich echter op het begunstigende beleid, zoals neergelegd in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 4 december 2000, nr. CPP2000/1942M, gepubliceerd in onder meer BNB 2005/100 (hierna: het Besluit). 4.5.De rechtbank overweegt dat het in 4.4 bedoelde beleid, voor zover te dezen van belang, inhoudt dat de termijn van zes maanden wordt verlengd indien: a.“de termijnoverschrijding wordt veroorzaakt door een omstandigheid die de belastingplichtige redelijkerwijs niet kan worden aangerekend of b.de inspecteur bij de aanslagregeling correcties op de stakingswinst aanbrengt, mits die correcties niet het gevolg zijn van grove schuld of opzet van de belanghebbende.” Daarbij wordt onder een correctie op de stakingswinst mede begrepen de situatie waarin als gevolg van zogenoemd vooroverleg de belastingplichtige een hogere stakingswinst zal aangeven in de nog in te dienen aangifte. 4.6.De rechtbank stelt voorop dat sprake is van goedkeurend beleid in afwijking van de wet en dat dergelijk beleid in het algemeen beperkt dient te worden uitgelegd. Dat dit in het onderhavige geval niet anders is, wordt bevestigd in onderdeel 3.1.2 van het in 4.4 genoemde besluit. De toezegging van de staatssecretaris van Financiën geldt dus alleen in de in 4.5 genoemde specifieke gevallen en de rechtbank ziet geen reden deze uit te breiden. 4.7.Gesteld noch, aannemelijk is geworden dat de termijnoverschrijding is veroorzaakt door een omstandigheid die belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden aangerekend. Aan de aldus gestelde voorwaarde
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.