RECHTBANK BREDA Sector strafrecht parketnummer: 02-812712-11 & 02-666907-11 vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren op [datum en plaats] thans gedetineerd in het huis van bewaring De Boschpoort te Breda, raadsman mr. Woodrow, advocaat te Tilburg. 1 Onderzoek van de zaak Overeenkomstig artikel 369 van het Wetboek van Strafvordering heeft de politierechter de zaak met parketnummer 02-666907-11 naar deze kamer verwezen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 december 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Linden, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting van 18 november 2011 zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken met parketnummers 02-812712-11 en 02-666907-11 gevoegd. 2 De tenlastelegging De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte : Onder parketnummer 02-812712-11: Op 5 augustus 2011 Feit 1: - al dan niet met voorbedachten rade - [slachtoffer 1] heeft gedood; Feit 2: heeft geprobeerd - al dan niet met voorbedachten rade - [slachtoffer 2], en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] te doden; Op 6 augustus 2011 Feit 3: samen met een ander of anderen een wapen en munitie voorhanden heeft gehad; Feit 4: samen met een ander of anderen in het bezit was van 18,43 gram MDMA; Op 22 mei 2011 Feit 5: samen met een ander of anderen één of meer wapens voorhanden heeft gehad; Onder parketnummer 02-666907-11: Op 30 juni 2010 [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. 3 De voorvragen De dagvaarding is geldig. De rechtbank is bevoegd. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging. 4 De beoordeling van het bewijs 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Onder parketnummer 02-812712-11: Feit 1: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag van [slachtoffer 1] en voert daartoe aan dat, wanneer je met een vuurwapen op korte afstand meerdere schoten afvuurt in de richting van een aantal personen, je willens en wetens de aanmerkelijke kans neemt dat je iemand (dodelijk) raakt. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte een vooropgezet plan had om [slachtoffer 1] te doden en voert daartoe aan dat er geen sprake is geweest van een moment van kalm beraad en rustig overleg. Feit 2: De officier van justitie acht de poging doodslag op [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen en voert daartoe aan dat verdachte, door in het wilde weg in de richting van een aantal personen te schieten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij iemand dodelijk zou raken. De officier voegt daar nog aan toe dat het puur toeval is geweest dat door dit schieten bij [slachtoffer 3] uitsluitend diens jas is geraakt. De poging doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] wordt door de officier van justitie niet wettig en overtuigend bewezen geacht, nu zij niet zijn geraakt en hun kleding evenmin. Onduidelijk is of verdachte in hun richting heeft geschoten. Feit 3: De officier van justitie acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming, het proces-verbaal betreffende aangetroffen alarmpistool, munitie en opvouwbaar mes, alsmede de bekennende verklaring van verdachte. Feit 4: De officier van justitie acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte, het NFI rapport en het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming. Feit 5: De officier van justitie acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op het proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2011, het proces-verbaal met betrekking tot het wapen, alsmede de bekennende verklaring van verdachte. Onder parketnummer 02-666907-11: De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door haar door een glazen ruit van een deur te duwen, tengevolge waarvan [slachtoffer 5] blijvend letsel bekwam. 4.2 Het standpunt van de verdediging Onder parketnummer 02-812712-11: Feit 1: De verdediging is van mening dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk – al dan niet in voorwaardelijke zin – [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd omdat niet kan worden vastgesteld in welke situatie het slachtoffer door de kogel is geraakt. In ieder geval kan geen sprake zijn van voorbedachten rade aangezien door verdachte in een reflex is geschoten en er derhalve geen sprake kan zijn van rustig overleg en kalm beraad. Feit 2: De verdediging pleit voor vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit, nu bij gebrek aan nadere vaststellingen omtrent de precieze toedracht, niet kan worden bewezen dat verdachte de opzet had op het overlijden van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4]. Feit 1 en 2: Subsidiair beroept verdachte zich ten aanzien van feit 1 en feit 2 op noodweer dan wel noodweerexces en meer subsidiair op putatief noodweer(exces). Feit 3, 4 en 5: De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. Onder parketnummer 02-666907-11: De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Onder parketnummer 02-812712-11: Feit 1: In de vroege ochtend van vrijdag 5 augustus 2011 vond er een schietpartij plaats waarbij [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) om het leven kwam. Hoewel de lezingen van verdachte enerzijds en de vrienden van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] anderzijds over de gebeurtenissen die ochtend in grote lijnen overeenkomen, zijn er tevens belangrijke verschillen tussen die respectievelijke lezingen. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] het meest aannemelijk en zal die daarom tot uitgangspunt nemen. Hun verklaringen komen op diverse wezenlijke punten overeen en worden op onderdelen gesteund door verklaringen van getuigen. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor hun verklaring dat zij fietsen wilden stelen, maar ook ten aanzien van de vraag hoeveel personen er op het laatst achter verdachte aanliepen. Ook past hun verklaring omtrent de gang van zaken bij de schietpartij waarbij [slachtoffer 1] werd getroffen, beter bij de plaats waar stenen zijn aangetroffen dan dat de verklaring van verdachte dat hij werd omsingeld daarbij past. Op vrijdag 5 augustus 2011 fietsten [slachtoffer 1] en zijn vrienden [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] na een bezoek aan een tweetal vriendinnen omstreeks 04:00 uur naar huis . Op een gegeven moment kwamen ze uit bij een flat in de [adres] . Bij de portiekdeur die toegang geeft tot – onder meer – de woning van verdachte, hebben [slachtoffer 1] en zijn vrienden geprobeerd een fiets te stelen . Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze ‘het geluid van fietsen hoorde, dat ze eraan stonden te rommelen’ . Vast staat dat [slachtoffer 1] en zijn vrienden halt hielden bij de flat en de portiekdeur waar verdachte woonde. Dit wordt ook bevestigd door verdachte, die heeft verklaard ‘gestrompel’ te horen bij de portiekdeur aan de voorzijde van zijn huis. Verdachte heeft verder verklaard dat hij een viertal jongens zag met capuchons en petten op. Verdachte klopte toen op het raam, pakte zijn wapen en liep naar beneden . Toen verdachte op het raam klopte, zijn [slachtoffer 1] en zijn vrienden weggerend . Dit wordt ook bevestigd door verdachte die heeft verklaard dat hij niets zag toen hij buiten kwam . [slachtoffer 3] zag verdachte vanuit het portiek ‘agressief en doorgedraaid’ uit de flat komen lopen, maar zag toen nog geen wapen bij verdachte . [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] zijn richting [straat] gerend . Verdachte rende achter de jongens aan. [slachtoffer 3] hoorde dat verdachte riep ‘kom dan, kom dan’. Verdachte schoot toen een aantal keer in de lucht. De jongens zijn toen een stukje verder weg gerend tot ze zich veilig voelden. Verdachte was blijven staan. [slachtoffer 3] hoorde verdachte nog schreeuwen en hij hoorde nog een aantal knallen. Vervolgens liep verdachte terug in de richting waaruit hij was gekomen. [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben vervolgens stenen gepakt bij [straat]. De jongens verklaarden deze gepakt te hebben om zich te verdedigen voor het geval verdachte zou terugkomen. [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] liepen vervolgens terug naar de [adres], om hun fietsen op te halen. Terwijl zij onderweg waren naar hun fietsen, kwam verdachte plotseling de hoek om. Op de tekeningen die [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben gemaakt van hun positie op dat moment, wordt weergegeven dat verdachte op dat moment vlak voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] stond, waarbij [slachtoffer 2] achter [slachtoffer 3] stond. [slachtoffer 4] stond wat meer afzijdig op de weg en [slachtoffer 1] stond achter [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Verdachte richtte zijn wapen op het gezicht van [slachtoffer 3] . Verdachte schoot langs het hoofd van [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij een harde knal en een piepgeluid hoorde, waarop [slachtoffer 3] een stap naar achteren deed en zijn oren bedekte. Verdachte heeft dit ter zitting bevestigd, in die zin dat hij heeft verklaard dat ‘hij op kleine afstand, in de lucht naast iemand heeft geschoten, aan de zijkant van het hoofd’ . Verdachte heeft twee keer langs het hoofd van [slachtoffer 3] geschoten , hetgeen ter zitting is bevestigd door verdachte door zijn verklaring dat hij twee keer langs het hoofd van [slachtoffer 3] heeft geschoten en daarna in het wilde weg. Ook [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat verdachte meerdere keren heeft geschoten. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben de stenen die ze eerder hadden opgeraapt op dat moment naar verdachte gegooid. Toen zijn pistool leeg was, is verdachte weggerend. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn achter verdachte aangerend. [slachtoffer 4] probeerde verdachte af te snijden via een andere weg. Op het moment dat ze verdachte uit het oog verloren zijn [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] terug gelopen naar de plek waar door verdachte was geschoten. [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] zagen [slachtoffer 1] op zijn buik op de weg liggen. De jongens hebben [slachtoffer 1] omgedraaid en verplaatst, zodat hij niet op de weg zou liggen. Het ambulancepersoneel, dat intussen ter plaatse was gekomen, heeft om 05:13 uur de reanimatie gestaakt en toen bleek dat [slachtoffer 1] was overleden. Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat [slachtoffer 1] overleed ten gevolge van doorschotletsel, waardoor functieverlies van het hart en massaal bloedverlies ontstond. De rechtbank acht op grond van het voorgaande voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat [slachtoffer 1] als gevolg van een schot uit het wapen van verdachte om het leven is gekomen. De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of dit gebeuren moord dan wel doodslag oplevert. De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat geen sprake is geweest van moord. Immers zowel de verdachte als [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] hebben verklaard dat verdachte in eerste instantie in de lucht schoot en dat verdachte vervolgens op geen enkel moment direct gericht heeft geschoten op [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] of [slachtoffer 4]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ten laste gelegde voorbedachten rade niet kan worden bewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat wel sprake is van opzet op de dood van [slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft blijkens de bewijsmiddelen naast het hoofd van [slachtoffer 3] geschoten. Op grond van het onderzoek van de NFI moet geoordeeld worden dat sprake was van een rechtlijnig schot . Uit de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] volgt dat [slachtoffer 1] zich op dat moment schuin achter [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft bevonden. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat dit schot langs het hoofd van [slachtoffer 3] [slachtoffer 1] dodelijk moet hebben geraakt. Door aldus recht naast het hoofd van [slachtoffer 3] te schieten, terwijl [slachtoffer 1] achter [slachtoffer 3] stond, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat hij [slachtoffer 1] zou raken en dat [slachtoffer 1] als gevolg van dat schot zou komen te overlijden. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers niet dat verdachte zich ervan heeft vergewist dat hij kon schieten zonder iemand te raken. Dat hier sprake zou zijn – aldus de raadsman – van één of meer waarschuwingsschoten leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank de ten laste gelegde doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen. Feit 2: Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde poging moord dan wel poging doodslag op de vrienden van [slachtoffer 1], te weten [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4], verwijst de rechtbank naar hetgeen zij reeds onder het kopje ‘Feit 1’ heeft overwogen. Gelet op hetgeen hier is overwogen acht de rechtbank evenmin voldoende bewijs aanwezig om een poging moord op [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] te kunnen bewijzen. Ten aanzien van de ten laste gelegde poging tot doodslag op deze drie jongens overweegt de rechtbank het volgende. Zoals uit het voorgaande is gebleken, stond [slachtoffer 4] op de weg, een stukje verwijderd van zijn vrienden [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], en geheel buiten het schootsveld van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de poging doodslag op [slachtoffer 4]. Dit ligt evenwel anders voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]. Verdachte heeft verklaard dat hij niet slechts langs het hoofd van [slachtoffer 3] heeft geschoten maar ook voor [slachtoffer 3] op de grond. [slachtoffer 3] constateerde kort na de schietpartij een tweetal gaatjes in zijn jas, welke afkomstig bleken te zijn van een kogel. De kogel uit het wapen van verdachte die de jas van [slachtoffer 3] heeft geraakt had evengoed diens lichaam kunnen raken. Dat dit niet is gebeurd berust naar het oordeel van de rechtbank louter op toeval. Dat – zoals de raadsman heeft aangevoerd – niet duidelijk is welk schot de gaatjes in de jas heeft veroorzaakt, maakt dat niet anders. [slachtoffer 2] stond, zoals hiervoor overwogen, schuin achter [slachtoffer 3] op het moment dat verdachte langs [slachtoffer 3] schoot. Verdachte had dan ook [slachtoffer 2] kunnen raken toen hij schoot in plaats van, zoals is gebeurd, dat hij [slachtoffer 1] raakte. Verdachte heeft daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard en op de koop toe genomen dat [slachtoffer 3] én [slachtoffer 2] door een schot geraakt zouden kunnen worden en als gevolg van dat schot zouden komen te overlijden. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank de tenlastegelegde poging doodslag op zowel [slachtoffer 3] als op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het beroep op noodweer, noodweerexces dan wel het putatieve noodweer(exces), overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte is, toen hij gerommel aan de portiekdeur hoorde, zelf naar buiten gegaan. Uit het enkele gerommel aan de portiekdeur kon verdachte geenszins opmaken dat sprake zou zijn van een beroving of dat [slachtoffer 1] en zijn vrienden het op hem gemunt zouden hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich moest verdedigen. Sterker nog, zodra verdachte op het raam bonsde, renden [slachtoffer 1] en zijn vrienden weg. Uit de verklaringen van [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3], volgt dat verdachte ‘in ieder geval wel boos’ was en dat verdachte ‘agressief en doorgedraaid’ uit de flat kwam lopen . Van angst bij verdachte blijkt daaruit niet. Verdachte is vervolgens na het eerste contact met [slachtoffer 1] en zijn vrienden waarbij hij schoten heeft gelost niet terug de woning binnengegaan, maar heeft er bewust voor gekozen om buiten te blijven. Van een situatie waarin hij zijn woning, alsmede zijn gezinsleden in die woning, moest verdedigen is gelet op het wegvluchten van [slachtoffer 1] en zijn vrienden en het ontbreken van enige aanwijzing dat zij het plan hadden om de woning van verdachte binnen te gaan, geen sprake. [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] wilden de fietsen ophalen die zij hadden geparkeerd naast de flat van verdachte en hadden zich voorzien van stenen ter verdediging. Van een dreiging in de richting van verdachte die het lossen van schoten door verdachte rechtvaardigt kan onder die omstandigheden niet worden gesproken. Er is mitsdien geen sprake van een noodweersituatie, wat meebrengt dat er evenmin sprake kan zijn van noodweerexces. Het beroep op putatief noodweer faalt onder voornoemde omstandigheden evenzeer. Mede gelet op het wegvluchten van [slachtoffer 1] en zijn vrienden is niet aannemelijk geworden dat verdachte abusievelijk in de veronderstelling leefde zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen. Zeker niet nu verdachte hen na het eerste treffen heeft opgewacht en daarmee zelf de ontstane situatie in het leven heeft geroepen. Feit 3: De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 december 2012 en zijn verklaring afgelegd bij de politie ; - het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 7 augustus 2011 - het proces-verbaal van 14 september 2011 . Feit 4: De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 december 2012 en zijn verklaring afgelegd bij de politie ; - het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van 7 augustus 2011 - het proces-verbaal van 15 augustus 2011 . Feit 5: De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op: - de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 7 december 2012 ; - het proces-verbaal van bevindingen van 7 september 2011 ; - het proces-verbaal van 26 juli 2011 . Onder parketnummer 02-666907-11: Ten aanzien van de ten laste gelegde zware mishandeling van [slachtoffer 5], overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat de opzet van verdachte was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 5]. Daar komt nog bij dat sprake was van een ruzie tussen verdachte en het slachtoffer waarbij over en weer werd geslagen en/of geduwd. Een situatie die blijkens zich in het dossier bevindende stukken zich wel vaker voordeed tussen hen beiden. De rechtbank acht dit feit derhalve niet wettig en overtuigend bewezen. Zij zal hem dan ook van dit feit vrijspreken. 4.4 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte Onder parketnummer 02-812712-11:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.