RECHTBANK BREDA Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer Procedurenummer: AWB 09/2894 tot en met 09/2909 Uitspraakdatum: 19 december 2012 Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen [X], wonende te [woonplaats], belanghebbende, en de inspecteur van de Belastingdienst/Zuidwest, kantoor Breda, de inspecteur. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd: Belasting Belastingjaar Aanslagnummer Dagtekening Procedurenummer rechtbank IB/PVV 1995 [nummer].H57 31-12-2007 09/2894 IB/PVV 1996 [nummer].H67 31-10-2008 09/2897 IB/PVV 1997 [nummer].H77 31-10-2008 09/2898 IB/PVV 1998 [nummer].H87 31-10-2008 09/2899 IB/PVV 1999 [nummer].H97 31-10-2008 09/2900 IB/PVV 2000 [nummer].H07 31-10-2008 09/2901 IB/PVV 2001 [nummer].H17 31-10-2008 09/2902 IB/PVV 2002 [nummer].H27 31-12-2007 09/2895 IB/PVV 2003 [nummer].H37 31-10-2008 09/2903 IB/PVV 2004 [nummer].H47 31-10-2008 09/2904 IB/PVV 2005 [nummer].H57 31-10-2008 09/2905 VB 1996 [nummer].K67 31-12-2007 09/2896 VB 1997 [nummer].K77 31-10-2008 09/2906 VB 1998 [nummer].K87 31-10-2008 09/2907 VB 1999 [nummer].K97 31-10-2008 09/2908 VB 2000 [nummer].K07 31-10-2008 09/2909 1.2. Daarbij zijn voor de jaren tot en met 1997 verhogingen (aangeduid als boetes) opgelegd waarvan niets is kwijtgescholden en voor de latere jaren boetes opgelegd. Tevens zijn voor alle jaren bedragen aan heffingsrente in rekening gebracht. De aanslagbiljetten met dagtekening 31 december 2007 vermelden de afzonderlijke bedragen aan belasting, boetes en heffingsrente. Op de aanslagbiljetten met dagtekening 31 oktober 2008 staat één bedrag. 1.3. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift tegen de aanslagen en beschikkingen met dagtekening 31 december 2007 is bij de inspecteur binnengekomen op 9 januari 2008, het bezwaar tegen de overige aanslagen en de daarin begrepen bedragen aan boetes en heffingsrente is bij de inspecteur binnengekomen op 26 november 2008. 1.4. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar met dagtekening 2 juni 2009 heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft daartegen bij brief met dagtekening 30 juni 2009, binnengekomen bij de rechtbank op 1 juli 2009, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De gemachtigde heeft in het beroepschrift de rechtbank verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden totdat de rechtbank Haarlem uitspraak heeft gedaan op door hem namens andere belastingplichtigen aldaar ingediende gelijkluidende beroepen. 1.6. De rechtbank heeft de inspecteur, bij brief van 17 augustus 2009, ingelicht dat het indienen van de gronden van het beroep door belanghebbende wordt aangehouden totdat de rechtbank Haarlem uitspraak heeft gedaan. 1.7. De rechtbank heeft, bij brief van 2 juli 2010, het uitstel ingetrokken en belanghebbende verzocht binnen vier weken na dagtekening van die brief de gronden van het beroep in te dienen. 1.8. De gemachtigde heeft, bij brief van 5 juli 2010, om nader uitstel van acht weken verzocht. 1.9. De rechtbank heeft, bij brief van 6 juli 2010, uitstel verleend tot 1 oktober 2010. 1.10. Belanghebbende heeft, bij brief van 27 september 2010, het beroepschrift nader gemotiveerd. 1.11. De rechtbank heeft de gronden, bij brief van 12 oktober 2010, doorgestuurd naar de inspecteur en hem daarbij verzocht binnen vier weken daarop te reageren. 1.12. De inspecteur heeft de rechtbank, bij brief van 8 november 2010, verzocht de termijn voor het indienen van een verweerschrift te verlengen met acht weken. 1.13. De rechtbank heeft, bij brief van 9 november 2010, uitstel verleend tot een termijn van acht weken na dagtekening van deze brief. 1.14. De inspecteur heeft, bij brief van 20 december 2010, om acht weken extra uitstel verzocht. 1.15. De rechtbank heeft, bij brief van 23 december 2010, geen verder uitstel verleend. 1.16. De inspecteur heeft de rechtbank, bij brief van 27 december 2010, ingelicht niet aan de gestelde termijn te kunnen voldoen en daarbij aangegeven het verweerschrift zo spoedig mogelijk in te dienen. 1.17. Het verweerschrift, inclusief bijlagen, is bij de rechtbank binnengekomen op 14 februari 2011. 1.18. De rechtbank heeft het verweerschrift, bij brief van 17 februari 2011, doorgezonden naar belanghebbende. 1.19. De inspecteur heeft met betrekking tot het inzenden van de op de zaak betrekking hebbende stukken, bij brief van 18 augustus 2011, een beroep gedaan op artikel 8:29 Awb. Als bijlage bij deze brief heeft hij gevoegd, kort gezegd, zijn motivering, een gesloten envelop met de zogeheten ongeanonimiseerde stukken die niet aan belanghebbende kunnen worden verstrekt en de geanonimiseerde stukken die wel aan belanghebbende kunnen worden verstrekt. Een afschrift van deze brief, inclusief de bijlagen, heeft de rechtbank, bij brief van 23 augustus 2011, doorgezonden naar belanghebbende. 1.20. Gemachtigde heeft, bij brief van 10 mei 2012, verzocht om de drie voormalige projectleiders van het ‘Van Lanschot-project’ ([projectleiders]) te horen als getuigen. 1.21. De rechtbank heeft bij brief van 16 mei 2012 de gemachtigde voorgesteld de door hem aangevoerde getuigen niet te horen maar het proces-verbaal van het getuigenverhoor van deze zelfde getuigen bij de rechtbank Leeuwarden in te brengen. 1.22. Bij brieven van 20 juni 2012 zijn partijen en andere cliënten van gemachtigde uitgenodigd voor de mondelinge behandeling op 23 en 24 oktober 2012. 1.23. Het onderzoek ter zitting is gestart op 23 oktober 2012. De beroepen met procedurenummers AWB 11/5569, 09/2831 t/m 09/2846, 11/6021 t/m 11/6033, 12/2770, 09/2847 t/m 09/2851, 11/4651 t/m 11/4654, 12/2772, 09/2957 t/m 09/2961, 09/2962 t/m 09/2977, 09/2873 t/m 09/2888, 11/2494 t/m 11/2511, 09/2889 t/m 09/2893, 09/2978 t/m 09/2983, 11/6062 t/m 11/6066, 12/1117 t/m 12/1122, 12/1124 t/m 12/1133, 11/6034 t/m 11/6061, 09/2915 t/m 09/2918, 09/2920 t/m 09/2928, 09/2930 t/m 09/2934, 09/2894 t/m 09/2909, 12/2774, 09/2910 t/m 09/2914, 11/4647 t/m 11/4650, 11/2545 t/m 11/2549, 12/2769, 09/2852 t/m 09/2867, 11/2522 t/m 11/2538, 09/2868 t/m 09/2872, 09/2935 t/m 09/2951, 11/2540 t/m 11/2544 en 09/2952 t/m 09/2956 (hierna: AWB 11/5569 e.v.), zijn daarbij gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde] en namens de inspecteur en de ontvanger, [gemachtigden]. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Tijdens deze zitting zijn onder meer de gezamenlijke aspecten van deze zaken behandeld. 1.24. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en hervat op 24 oktober 2012 te Breda. De beroepen met procedurenummers genoemd in 1.23 zijn daarbij (weer) gelijktijdig behandeld. Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], voornoemd, en namens de inspecteur, [gemachtigden]. Tijdens de zitting van 24 oktober 2012 zijn wederom de gezamenlijke aspecten van deze zaken behandeld en zijn de onderhavige zaken ook zaakspecifiek behandeld. 1.25. Voor elk van de zittingsdagen van 23 en 24 oktober 2012 is een algemeen proces-verbaal opgemaakt. Verder is per belanghebbende (indien gehuwd: per echtpaar) een zaakspecifiek proces-verbaal opgemaakt. Afschriften van de processen-verbaal zijn op 29 oktober 2012 op verzoek van gemachtigde digitaal aan belanghebbende verstuurd. Na de constatering van fouten in het vermelden van de procedurenummers zijn op 2 november 2012 zowel de eerste als de gewijzigde processen-verbaal aan partijen gestuurd. 1.26. De inspecteur heeft op de zitting van 24 oktober 2012 nadere stukken overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de beroepen aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na de mondelinge behandeling op deze stukken te reageren. 1.27. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en de behandeling van de beroepen aangehouden om belanghebbende in de gelegenheid te stellen binnen twee weken na de mondelinge behandeling op de ter zitting door de inspecteur overhandigde stukken te reageren. 1.28. Belanghebbende heeft op 14 november 2012 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn, bij brief van 15 november 2012, in afschrift verstrekt aan de inspecteur. De inspecteur heeft hier bij brief van 5 december 2012 op gereageerd. Deze stukken zijn, bij brief van 11 december 2012, in afschrift verstrekt aan belanghebbende. De rechtbank heeft hierbij het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast: 2.1 Belanghebbende was in de onderhavige jaren gehuwd met [Y] (hierna: [Y]). Per [datum] 2010 zijn zij gescheiden. 2.2. Bij brief van 18 februari 2005 heeft de Belgische Bijzondere belastinginspectie (hierna: BBI) een brief met bijlagen gezonden aan de heer (D), Hoofd van Belastingdienst/FIOD ECD/Team Internationaal, Haarlem, met als onderwerp: “Inkomstenbelastingen. Spontane uitwisseling van inlichtingen met Nederland. Van Lanschot Bankiers Luxembourg SA.”. Voor de regeling inzake de spontane uitwisseling van inlichtingen verwijst de brief naar de Richtlijn van 77/799EEG van 19 december 1977, gewijzigd bij die van 6 december 1979 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en van de belasting over de toegevoegde waarde (77/7799/EEG) (hierna: de Richtlijn), en voorts naar artikel 27 van het Nederlands-Belgische belastingverdrag van 19 oktober 1970. Bij brief van 13 november 2007 hebben de bevoegde Belgische belastingautoriteiten verklaard geen bezwaar te hebben tegen het gebruik van de verstrekte gegevens voor de Nederlandse belastingheffing. 2.3. Bij de onder 2.2 vermelde brief van 18 februari 2005 is een, door de belastingdienst geanonimiseerde, nota gevoegd met daarbij twaalf bijlagen (hierna: de Nota). In de Nota is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld: “De hierna volgende inlichtingen zijn gesteund op stukken die het Belgisch gerecht in beslag heeft genomen bij een huiszoeking bij een verdachte van andere misdrijven. Het betreft gegevens van de Bank van Lanschot Bankiers Luxembourg. De stukken, bestaande uit verscheidene lijsten op papier (…) werden aangetroffen en in beslag genomen bij een huiszoeking in een garagebox te W(..) uitgevoerd in het kader van een onderzoek onder leiding van Onderzoeksrechter V(…). Deze garagebox werd op dat ogenblik gehuurd door de heer P(…) en door diens bende gebruikt als uitvalsbasis voor overvallen. Met een brief van 18 december 2001 heeft de procureur-generaal aan de belastingadministratie toelating verleend tot het nemen van inzage en afschrift van het dossier (…). Toelichting van de feiten zoals blijkt uit de verhoren. De kopieën van de bankstukken werden door V(…) gekopieerd uit een computerbestand van de heer M(…). M(…) had als helpdeskmedewerker bij de firma L(…) te W(…) de gegevens in bezit gekregen via zijn afdelingschef, de heer J(…). P(…) is een gewezen werknemer van de bank. L(…) is een toeleveringsbedrijf van kantoorbenodigdheden aan bedrijven. De originele bankgegevens stonden op “microtape”zoals V(…) het verwoordt. Door middel van een toestel van een Duitse zusterfirma van L(…) zijn de originele bankgegevens gelezen en op een diskette gezet en vervolgens afgedrukt. (…) Tenslotte heeft V(…) de afgedrukte lijsten gefotokopieerd -ten minste een gedeelte ervan- en deze kopieën bewaard in de gehuurde garagebox, waar zij door de politie zijn aangetroffen. Mogelijke motieven zoals blijkt uit de verhoren. V(…) vermoedt dat M(…) en P(…) de bedoeling hadden de bank op te lichten door middel van deze stukken. V(…) verklaart dat M(…) hem en zijn dochter zou hebben bedreigd voor het geval “er iets uitkwam van deze stukken”. Het kopiëren en bewaren van de lijsten door V(…) evenals de beweerde bedreiging, kunnen ook wijzen op de intentie om de klanten van de bank aan de hand van de adreslijsten te lokaliseren met het oog op huisdiefstal. Besluit Dit alles betekent dat door de betrokkenen een hoge mate van geloofwaardigheid aan de stukken werd gehecht. Immers, de stukken zijn voor betrokkenen slechts nuttig onder een dubbele voorwaarde. Ten eerste moeten ze echt zijn in de zin van afkomstig van de bedrijfsadministratie van de bank. Ten tweede moeten ze accuraat zijn in de zin van overeenkomen met de werkelijkheid inzake enerzijds de namen en adressen van de rekeninghouders en anderzijds de rekeningstanden. Hieruit kan besloten worden dat de stukken zowel inzake herkomst als inhoud inderdaad een hoog gehalte aan waarachtigheid bevatten. De stukken zijn door het Parket in beslag genomen ter gelegenheid van een huiszoeking, en bijgevolg op rechtmatige wijze verkregen. Vervolgens werd aan de administratie toelating van en inzage in en afschrift van de stukken verleend. Bijgevolg heeft de administratie de stukken verkregen op rechtmatige wijze. Bovendien betekent dit dat de oorsprong van de stukken ondubbelzinnig is.” 2.4. De twaalf bijlagen bevatten gegevens over rekeningstanden per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996. Daarnaast bevatten de bijlagen tevens namen, adreslijsten en getallen. Meerdere bijlagen hebben als aanhef “F. van Lanschot (Bankiers) Luxembourg S.A.” dan wel “FvL cliënts (amounts in mio LUF)” of bevatten het logo van de bank Van Lanschot Bankiers (hierna: Van Lanschot). 2.5. Op basis van de gegevens, welke door de BBI zijn verstrekt bij de brief van 18 februari 2005, is in maart 2007 binnen de Belastingdienst het project Bank Zonder Naam van start gegaan. Doel van het project Bank Zonder Naam is het op projectmatige wijze behandelen van de ontvangen gegevens, door middel van het identificeren en sofiëren van de beschikbare renseignementen, teneinde de niet aangegeven inkomens- en vermogensbestanddelen (bankrekeningen) alsnog in de belastingheffing te betrekken. 2.6. Ten behoeve van het project Bank Zonder Naam is het draaiboek Bank Zonder Naam (hierna: het draaiboek) opgesteld. Het draaiboek bevat alle aspecten van het project Bank Zonder Naam. Het draaiboek zoals vastgesteld op 7 maart 2007 is in geanonimiseerde vorm openbaar gemaakt door middel van publicatie op de website van de Belastingdienst en van het Ministerie van Financiën. 2.7. In een op 13 maart 2008 door [ambtenaar] (opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD) in het kader van het Project afgelegde ambtsedige verklaring (hierna: ‘Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie’) is onder meer opgenomen: “Soorten tenaamstellingen De gegevens van alle te naamgestelde rekeningen die genoemd staan op de van de Belgische autoriteiten ontvangen gegevens zijn verwerkt in een digitaal bestand. Er komen verschillende vormen van tenaamstelling van de rekening voor. De volgende soorten rekeningen komen voor: 1. Rekeningen die gesteld ten name één naam met daarachter één of meerdere letters. Toevoegingen als v.,vd en ter -+komen voor. 2. Rekeningen die gesteld zijn ten name van twee namen, soms gevolgd door letters kennelijk behorend tot één van genoemde namen. De namen zijn verbonden door middel van een liggend streepje. Toevoegingen als v., vd en ter komen voor. 3. Rekeningen die gesteld zijn ten name van twee namen, soms gevolgd door letters kennelijk behorend tot één van genoemde namen. De namen zijn verbonden door de toevoeging AlO. Toevoegingen als v. vd en ter komen voor. 4. Rekeningen gesteld ten name van kennelijke rechtspersonen. Deze zijn herkenbaar aan toevoegingen als BV, NV, SA, Ltd enzovoorts. 5. Rekeningen gesteld op een kennelijk verzonnen naam als Tarbot ‘45 of Prikkebeen. (…) Onderzoek tenaamstelling naar personen Het cliëntenbestand Van Lanschot is door [auditor], EDP-auditor van het Centrum voor Product en Procesontwikkeling van de Belastingdienst (B/CPP) gematcht met de gegevens uit het systeem Beheer van Relaties (BVR). In dit systeem zijn alle natuurlijke- en rechtspersonen opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd en die bekend zijn bij de Belastingdienst, alsmede alle niet in Nederland wonende of gevestigde natuurlijke- of rechtspersonen met wie de Belastingdienst een relatie onderhoudt. In het systeem worden ook gegevens bijgehouden over de relaties die er bestaan tussen de opgenomen natuurlijke en rechtspersonen, zoals ouder-kind of gehuwde relatie, of het zijn van aandeelhouder of bestuurder van een rechtspersoon. In het BVR-systeem blijven historische gegevens bewaard. Het BVR-systeem wordt gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en met eigen gegevens van de Belastingdienst. Het onderzoek naar de tenaamstellingen middels matching met het BVR heeft zich gericht op de identificatie van personen onder de hiervoor bij de punten 1, 2 en 3 genoemde op naam gestelde rekeningen. [auditor] verklaarde tegenover mij dat de identificatie, zakelijk weergegeven als volgt gegaan is. Voorbereiding • Als bron voor het cliëntenbestand Van Lanschot zijn drie bronbestanden gebruikt, te weten de gedigitaliseerde van de Belgische autoriteiten ontvangen rekeningstanden per de data 21-12-1994, 05-09-1996 en 28-11-1996. • Vanuit deze bronbestanden is een bestand gemaakt dat de essentiële gegevens bevat, te weten per regel een tenaamstelling, een rekeningnummer en de saldi per soort. • Om de volledige koppeling (is het terug kunnen zoeken naar het originele brongegeven) tussen de van de Belgische autoriteiten ontvangen papieren bescheiden en de nu beschikbare digitale versie is aan elke regel een digitaal identificatienummer toegekend • Dit digitale identificatienummer is samen met de tenaamstelling weggeschreven naar een nieuw bestand. • Tenaamstellingen met slechts een enkele naam zonder verdere vermelding van letters zijn uit het bestand gehaald. • De hiervoor onder punt 4 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald. • De hiervoor onder punt 5 aangegeven tenaamstellingen zijn uit het bestand gehaald. • De toevoegingen “A/O”, “-“, “,”,”/” en een spatie, alsmede de toevoegingen “B” en “LH” en andere in de tenaamstelling van de rekening, zijn ten behoeve van het matchen uit de tenaamstelling gehaald. • Aangezien het nu overgebleven bestand de gegevens bevat van 3 bronbestanden, waarin veel van de te naamgestelde rekeningen op alle 3 de data voorkomen is het bestand op naamsniveau ontdaan van dubbele en drievoudige vermeldingen. • In verband met de mogelijke verschillende schrijfwijzen tussen het Nederlands en de talen die gebruikt worden in Luxemburg zijn namen als Kraaij en Kraay voorlopig uit de herkende posten gelaten. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen • In de toegevoegde letters bij de tenaamstelling van de rekening komt in enkele gevallen de lettercombinatie TH voor, In Nederland is dit een gebruikelijke schrijfwijze is voor Theo(dorus). De officiele voorletter voor deze persoon is slechts de T. In de gevallen waar het duidelijk was dat met TH Theo(dorus) bedoeld werd, is TH vervangen door T. Het zelfde geldt voor de naam Chris(tianus), daarbij is CHR vervangen door C. Deze posten zijn wel opgeleverd maar voor verdere herkenning door middel van menselijke interventie voorgedragen • Het bestand is gesplitst in 2 aparte bestanden te weten die met enkele namen, als hiervoor bij de bij punt 1 beschreven rekeningen en een bestand met dubbele namen als hiervoor bij de punten 2 en 3 beschreven. • Het bestand met dubbele namen is ontdaan van gebruikelijke voorvoegsels als v. vd, ter e.d.. Dit is gedaan om matching op de combinatie van achternamen in BVR mogelijk te maken. Als voorbeeld hiervan kan het volgende dienen. Op de naamscombinatie Van den Berg - De Dijk, kan worden gezocht door te matchen met de naamscombinaties Berg-Dijk en Dijk-Berg. Matchen Bestand enkele namen. • Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit naam en letters, is gematcht met BVR op de vraag hoe vaak een naam, in combinatie met de voorletters in de volgorde zoals genoemd in de bronbestanden, voorkomt. Komt de combinatie in BVR maar 1 keer voor, dan is deze persoont als uniek in het BVR aangemerkt, en in combinatie met het (BSN) sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling. Bestand dubbele namen • Het vanuit de bronbestanden gemaakte bestand, bestaande uit een dubbele naam en in sommige gevallen voorzien van letters, is gematcht met het BVR op de vraag hoe vaak de combinatie van namen in het BVR, aan elkaar gekoppeld via een bestaande huwelijksrelatie, voorkomt. Komt de combinatie van namen in willekeurige volgorde maar 1 keer voor dan zijn deze beide personen als uniek in het BVR aangemerkt en, in combinatie met het (BSN)sofinummer, opgeleverd ter verdere behandeling.” 2.8. Op de onder 2.4 vermelde overzichten staan per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 rekeningstanden op naam van “[X]” met rekeningnummer [rekeningnummer]. Het renseignement bevat de volgende informatie: Info lijst B.1: Date: 9/05/96 Racine* Name CCY Cur. Accou. Deposits Bonds shares Inv. Funds Total [rekeningnummer] [X] NLG 31.82 348,900.00 0 0 0 348.931.82 Info lijst B.2 Date: 11/28/96 Racine* Name CCY Cur. Accou. Deposits Bonds shares Inv. Funds Total [rekeningnummer] [X] NLG 185.92 0 329,100 10,490.94 339,776.86 Info lijst B.6 5 [rekeningnummer] [X] 941221 NLG 331024,43 226,93 0 0 0 0 P 2.9. Op basis van de ontvangen gegevens, heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder van genoemde rekening bij Van Lanschot 2.10. Belanghebbende is beschreven voor de inkomstenbelasting. Hij en [Y] waren in de jaren waarop de navorderingsaanslagen betrekking hebben woonachtig in Nederland en mitsdien binnenlands belastingplichtig. Belanghebbende had in de voor het onderhavige geval van belang zijnde jaren het hoogste persoonlijke inkomen. Belanghebbende heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een buitenlandse rekening van hem of [Y] bij Van Lanschot. 2.11. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 7 maart 2007 een vragenbrief gestuurd. Bij de vragenbrief is een formulier “verklaring in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: de verklaring) en een formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekeningen” (hierna: het formulier) gevoegd. 2.12. Belanghebbende heeft de verklaring op 9 maart 2007 ondertekend en teruggezonden naar de inspecteur. In de verklaring heeft belanghebbende verklaard dat hij (ná 31 december 1994) geen buitenlandse bankrekening heeft aangehouden. 2.13. De inspecteur heeft belanghebbende op 22 maart 2007 een brief gestuurd, waarin hij heeft vermeld dat uit de hem ter beschikking staande informatie is gebleken dat belanghebbende nog andere buitenlandse bankrekeningen heeft aangehouden na 31 december 1994. Hij heeft in deze brief belanghebbende verzocht hiervan opgaaf te doen. Voorts wijst de inspecteur in deze brief op artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de mogelijke consequenties voor belanghebbende van het niet voldoen aan het informatieverzoek van de inspecteur. 2.14. Belanghebbende heeft bij brief van 27 maart 2007 de inspecteur om uitstel voor beantwoording verzocht . 2.15. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 30 maart 2007, voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om de eerder door hem verzochte gegevens te verstrekken. 2.16. De gemachtigde van belanghebbende en [Y] heeft bij brief van 2 april 2007 de inspecteur verzocht om aan te geven over welke informatie hij beschikt. 2.17. De inspecteur heeft bij brief van 6 april 2007 te kennen gegeven dat hij over informatie beschikt waaruit blijkt dat belanghebbende in het verleden heeft beschikt over buitenlandse vermogensbestanddelen en dat deze zeer waarschijnlijk niet in de belastingheffing betrokken zijn geweest. Daarbij heeft de inspecteur nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken, en wel vóór 17 april 2007. 2.18. De gemachtigde heeft bij brief van 12 april 2007 de inspecteur in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur verzocht de in 2.17 bedoelde informatie te verstrekken. 2.19. De inspecteur heeft bij brief van 19 juli 2007 het verzoek van de gemachtigde gedeeltelijk afgewezen. De gemachtigde heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. 2.20. De inspecteur heeft belanghebbende, bij brief van 26 november 2007, op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1995, IB/PVV 2002 en VB 1996 met boetes op te leggen. De inspecteur heeft dit onder meer toegelicht met de vermelding dat uit de hem ter beschikking staande informatie blijkt dat belanghebbende één of meerdere bankrekeningen heeft aangehouden in het buitenland, dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de informatieverplichting van artikel 47 van de AWR en dat de inspecteur genoodzaakt is voor het opleggen van de navorderingsaanslagen uit te gaan van geschatte bedragen. De inspecteur heeft in deze brief belanghebbende in de gelegenheid gesteld om vóór 10 december 2007 te reageren. 2.21. De inspecteur heeft bij brief van 11 december 2007 belanghebbende meegedeeld de in 2.20 genoemde navorderingsaanslagen op te leggen en dat belanghebbende daarbij wordt beboet. 2.22. De inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2007 de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en IB/PVV 2002 en VB 1996 (inclusief boetes en heffingsrente) opgelegd (hierna ook: de eerste serie aanslagen). 2.23. Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2008 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen. Deze brief is bij de inspecteur binnengekomen op 9 januari 2008. 2.24. De inspecteur heeft de ontvangst van het bezwaarschrift bij brief van 28 januari 2008 bevestigd. 2.25. Bij brief van 5 februari 2008 heeft de inspecteur het begeleidende schrijven van de Belgische autoriteiten, inclusief een bijbehorende geanonimiseerde nota, aan belanghebbende doen toekomen. 2.26. De inspecteur heeft, bij brief van 7 februari 2008, brondocumenten van de Belgische autoriteiten aan belanghebbende doen toekomen. 2.27. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 22 februari 2008 nogmaals geïnformeerd dat hij de van de Belgische autoriteiten afkomstige stukken heeft verstuurd aan belanghebbende. 2.28. Bij brief van 11 maart 2008 heeft de gemachtigde medegedeeld dat hij voornemens is om het bezwaar binnen zes weken nader te motiveren. 2.29. De inspecteur heeft bij brief van 17 maart 2008 belanghebbende toestemming gegeven het bezwaar nader toe te lichten en hem daarvoor een termijn gegeven van drie weken (eindigend op 9 april 2008) en hem ingelicht dat de behandeling van het bezwaar zal worden uitgesteld. 2.30. Belanghebbende heeft bij brief van 17 april 2008 het bezwaar nader gemotiveerd. 2.31. De inspecteur heeft bij brief van 13 mei 2008 belanghebbende in de gelegenheid gesteld het bezwaar nader mondeling toe te lichten. 2.32. De gemachtigde heeft bij brief van 22 mei 2008 de inspecteur bericht dat hij de inspecteur in de derde week van juni [2008] zal berichten of een hoorgesprek – waarbij ook de zaken van andere cliënten die zijn betrokken bij het ‘Van Lanschot-project’ zullen worden besproken – noodzakelijk is. 2.33. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 17 juni 2008 op de hoogte gesteld van het voornemen om navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 t/m 2001, IB/PVV 2003 t/m IB/PVV 2005 en VB 1997 t/m 2000 met boetes aan hem op te leggen. De inspecteur heeft de brief voorzien van bijlagen met een specificatie van de inkomenscorrecties, de meer verschuldigde belasting, de op te leggen boetes en de vast te stellen heffingsrente. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld te reageren vóór 7 juli 2008. 2.34. De gemachtigde heeft, bij brief van 3 juli 2008, verzocht om een hoorgesprek. Daarbij is aangegeven dat het hoorgesprek niet eerder zal kunnen plaatsvinden dan in de tweede week van augustus 2008. 2.35. Op 21 augustus 2008 heeft het hoorgesprek plaatsgevonden. Op 22 augustus 2008 is het hoorverslag opgemaakt. 2.36. De inspecteur heeft bij brief van 17 oktober 2008 belanghebbende meegedeeld de in 2.33 genoemde (navorderings)aanslagen (met boetes) op te leggen. Als bijlage bij deze brief heeft de inspecteur een geactualiseerde versie van de (eerder toegezonden) specificatie gevoegd. 2.37. De inspecteur heeft met dagtekening 31 oktober 2008 de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV 1996 t/m 2001, IB/PVV 2003 t/m IB/PVV 2005 en VB 1997 t/m 2000 opgelegd (hierna ook: de tweede serie aanslagen). Op de respectievelijke aanslagbiljetten staat alleen een totaalbedrag genoemd (“Bedrag van de navordering”). 2.38. Belanghebbende heeft bij brief van 26 november 2008 bezwaar gemaakt tegen de met dagtekening 31 oktober opgelegde navorderingsaanslagen (inclusief boetes en heffingsrente). Deze brief is bij de inspecteur binnengekomen op 26 november 2008. De gemachtigde heeft in de brief verzocht om uitstel voor het indienen van de motivering totdat onherroepelijk uitspraak is gedaan op het eerder ingediende bezwaar van belanghebbende en op ingediende bezwaren van andere cliënten van de gemachtigde. 2.39. De inspecteur heeft bij brief van 23 januari 2009 voornoemd verzoek van de gemachtigde afgewezen en hem verzocht binnen vier weken ná 23 januari 2009 de gronden van de bezwaren in te dienen. Voorts deelt de inspecteur in deze brief mee dat de afhandeling van de bezwaren wordt opgeschort totdat het vormverzuim is hersteld. 2.40. Bij brief van 6 februari 2009 heeft de inspecteur de (telefonisch met de gemachtigde) overeengekomen procesafspraak bevestigd, inhoudende dat de motivering van het bezwaar tegen de eerste serie aanslagen ook heeft te gelden als de motivering van het bezwaar tegen de tweede serie aanslagen. Voorts heeft de inspecteur belanghebbende medegedeeld dat deze het recht heeft om te worden gehoord en dat hij inzage kan krijgen in de stukken. 2.41. Bij brief van 24 februari 2009 heeft de inspecteur de datum van inzage bevestigd. Voorts heeft de inspecteur in deze brief (de onderling overeengekomen) afspraak bevestigd dat de behandeling van de bezwaren met twee maanden zal worden aangehouden. 2.42. Op 17 maart 2009 heeft de gemachtigde ten kantore van de Belastingdienst inzage gekregen in het bezwaardossier. Vervolgens heeft de gemachtigde afgezien van een hoorgesprek. 2.43. De inspecteur heeft met dagtekening 2 juni 2009 uitspraak gedaan op alle in geding zijnde bezwaren. 3. Geschil 3.1. In geschil is of de navorderingsaanslagen, de verhogingen, de boetes en heffingsrente terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. 3.2. Meer in het bijzonder zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil: 3.2.1. Heeft de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd? 3.2.2. Zijn de inlichtingen die de inspecteur heeft ontvangen op rechtmatige wijze verkregen? 3.2.3. Zijn de inlichtingen die de inspecteur heeft ontvangen authentiek? 3.2.4. Is belanghebbende en/of zijn echtgenote op correcte en juiste wijze als rekeninghouder geïdentificeerd? 3.2.5. Heeft de inspecteur voldoende voortvarend gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen? 3.2.6. Is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zo ja, is er sprake van een redelijke schatting? 3.2.7. In die gevallen waar op het aanslagbiljet geen afzonderlijk bedrag aan heffingsrente en boete is opgenomen: Heeft de inspecteur in dat geval een beschikking heffingsrente genomen/een boete opgelegd.? 3.2.8. Zijn de boetes terecht opgelegd en tot het juiste bedrag vastgesteld? Is er reden tot matiging van de boete? 3.2.9. Zijn de beschikkingen heffingsrente juist berekend? 3.2.10. Heeft belanghebbende recht op vergoeding van geleden immateriële schade? 3.3. Voor een uiteenzetting van de standpunten van partijen en hun conclusies verwijst de rechtbank naar de van hen afkomstige stukken en het verhandelde ter zitting. 4. Beoordeling van het geschil Op de zaak betrekking hebbende stukken 4.1.1. Ter zitting (23 oktober 2012) heeft belanghebbende erkend dat de inspecteur de stukken heeft overgelegd conform de uitspraak van de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda van 18 maart 2011, met uitzondering van de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6, zo stelt belanghebbende. Met betrekking tot laatst genoemde gegevens stelt belanghebbende dat deze alsnog moeten worden bekend gemaakt door de inspecteur. 4.1.2. De rechtbank stelt voorop dat, anders dan belanghebbende kennelijk meent, de geheimhoudingskamer van de rechtbank Breda de inspecteur niet heeft opgedragen voornoemde gegevens te openbaren. De rechtbank is van oordeel dat de namen van de belastingambtenaren en de namen op de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 niet van belang zijn voor de beoordeling van de onderhavige navorderingsaanslagen en beschikkingen. Door het niet overleggen van deze gegevens wordt belanghebbende niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank wijst dit verzoek van belanghebbende dan ook af. 4.1.3. Ter zitting (23 oktober 2012) heeft belanghebbende de inspecteur verzocht een achttal stukken in het geding te brengen. Deze stukken, die zijn opgesomd in onderdeel 4 van de pleitnota, worden genoemd in de ambtsedige verklaringen van de projectleiders van het ‘Van Lanschot-project’. Van het bestaan van deze stukken was belanghebbende, zo stelt hij, tot dat moment niet eerder op de hoogte. 4.1.4. Het is de rechtbank ambtshalve bekend – een aantal van de in 1.23 genoemde zaken is eerder op zitting behandeld en aangehouden vanwege het overleggen van deze stukken - dat gemachtigde eind september 2011 de beschikking heeft gekregen over genoemde ambtsedige verklaringen. Belanghebbende heeft echter pas op de zitting van 23 oktober 2012 de inspecteur verzocht om de in de ambtsedige verklaringen genoemde stukken te overleggen. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende dit verzoek in een eerder stadium van het geding had kunnen en moeten indienen. Een redelijke afweging van de belangen van de wederpartij en het proceseconomische belang van een spoedige voortgang van de onderhavige zaken, brengt in dit geval dan ook mee dat het ter zitting gedane verzoek tardief moet worden verklaard. 4.1.5. De inspecteur heeft ter zitting (24 oktober 2012) de aanslag- en aangiftegegevens van belanghebbende overgelegd. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat, voor zover het betreft het overleggen van deze stukken, partijen geen geschil meer hebben. Rechtmatigheid van de inlichtingen 4.2.1. Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur onvoldoende inzicht heeft verschaft in de wijze waarop de Belgische en de Nederlandse autoriteiten aan de renseignementen zijn gekomen op basis waarvan de inspecteur de in geding zijnde navorderingsaanslagen heeft opgelegd. Gelet hierop heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld, nu nadere informatie omtrent het verkrijgen van de renseignementen volgens hem ontbreekt, dat de renseignementen niet op rechtmatige wijze zijn verkregen. De renseignementen dienen reeds daarom als bewijsmiddel te worden uitgesloten, aldus belanghebbende. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat het bewijs afkomstig is van de Belgische overheid en is verstrekt op grond van de Richtlijn. In zoverre is de situatie vergelijkbaar met die waarbij de Belgische overheid gegevens verstrekte die betrekking hadden op rekeningen aangehouden bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (KB-Lux). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 maart 2008, (nr. 43 050, LJN: BA8179), overwogen dat daarbij geen sprake was van door de Nederlandse autoriteiten onrechtmatig verkregen bewijs. De rechtbank is van oordeel dat dit ook voor het onderhavige geval geldt. Indien al moet worden aangenomen dat de renseignementen op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan neemt dat niet weg dat die gegevens door de Nederlandse overheid naar het oordeel van de rechtbank niet zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar is. Daarbij acht de rechtbank van belang dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van Van Lanschot en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde navorderingsaanslagen. 4.2.2. Belanghebbende heeft voorts nog gesteld dat de inlichtingen zijn verkregen in strijd met de Richtlijn. In dat verband stelt belanghebbende dat zowel de Nederlandse als de Belgische Staat het soevereiniteitsbeginsel van Luxemburg heeft geschonden omdat dit land zich niet heeft kunnen uitlaten over de verstrekking van de gegevens die afkomstig waren uit Luxemburg. 4.2.3. De rechtbank stelt voorop dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten. Belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan dus geen rechten ontlenen. Reeds hierom faalt belanghebbendes stelling. Belanghebbendes stelling faalt ook om de volgende reden. In de onderhavige zaken is geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland of tussen Luxemburg en België, maar van het (spontaan) overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. Daarom is geen sprake van gevallen zoals bedoeld in de artikelen 7, vierde lid, en artikel 8, derde lid, van de Richtlijn, waar belanghebbende, naar de rechtbank begrijpt, op doelt. De Richtlijn mist derhalve in zoverre toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137). In het midden kan dan blijven of de bepalingen van de Richtlijn van openbare orde zijn. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank met betrekking tot de uitleg van de Richtlijn niet overgaan, zoals belanghebbende heeft verzocht, tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie. 4.2.4. Belanghebbende heeft in het onderhavig geval voorts gesteld dat Nederland en België de goede (verdrags)trouw jegens Luxemburg hebben geschonden. Zoals de rechtbank hiervoor onder 4.2.1 heeft overwogen, zijn de gegevens niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. De goede (verdrags)trouw staat er dan niet aan in de weg dat de inspecteur de renseignementen mag gebruiken ter onderbouwing van de in geding zijnde navorderingsaanslagen. Authenticiteit van de inlichtingen 4.3.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inlichtingen zoals bedoeld in 2.2 niet echt zijn. Naar belanghebbende aanvoert heeft hij dit nagevraagd bij Van Lanschot en die heeft ontkend dat bedoelde documenten van haar afkomstig zijn. 4.3.2. De rechtbank deelt de twijfel van belanghebbende met betrekking tot de authenticiteit van de renseignementen niet. Gelet op de toelichting die de Belgische autoriteiten hebben gegeven in de brief van 18 februari 2005, heeft de rechtbank geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in de renseignementen opgenomen gegevens niet van Van Lanschot afkomstig zouden zijn. De rechtbank neemt hierbij voorts in aanmerking dat de inspecteur onweersproken heeft gesteld dat een belangrijk deel van de andere in die documenten genoemde belastingplichtigen heeft bekend en dat de door die belastingplichtigen overgelegde informatie overeenkomt met die vermeld op bedoelde documenten, waaruit blijkt dat de informatie juist is. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat gemachtigde ter zitting (23 oktober 2012) heeft verklaard dat hij 150 als rekeninghouders van Van Lanschot geïdentificeerde belanghebbenden vertegenwoordigt, waarvan er 15 hebben erkend een rekening bij die bank te hebben aangehouden. Gesteld noch aannemelijk is geworden dat de gegevens op de rekeningstandenlijsten van laatstgenoemden niet overeenkwamen met de werkelijkheid. Dat gemachtigde op eenvoudige wijze een document heeft kunnen maken dat overeenkomt met de rekeningstandenlijsten doet aan vorenstaande niet af. Het gaat erom of de in de renseignementen opgenomen gegevens afkomstig zijn van Van Lanschot, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank het geval is. Belanghebbendes beroepsgrond dient dan ook te worden verworpen. 4.3.3. Belanghebbende heeft nog gevraagd de drie voormalige projectleiders van het Van Lanschot-project als getuigen te horen. Nu de gemachtigde de gelegenheid heeft gehad om getuigenverklaringen van twee van hen in het geding te brengen en hij dat niet heeft gedaan en niet heeft aangegeven waarom alsnog of nogmaals horen van enig belang zou kunnen zijn en tevens niet in geschil is dat de derde persoon niet bereikbaar is, ziet de rechtbank geen reden dit verzoek in te willigen. Identificatie 4.4.1. Belanghebbende betwist de betrouwbaarheid van de methode die de inspecteur heeft gehanteerd om belanghebbende als rekeninghouder bij Van Lanschot te identificeren. Met betrekking tot de identificatie, overweegt de rechtbank als volgt. 4.4.2. In het onderhavige geval heeft de inspecteur belanghebbende geïdentificeerd als rekeninghouder bij Van Lanschot. Op de inspecteur rust de last aannemelijk te maken dat belanghebbende rechthebbende was van een tegoed bij Van Lanschot. De inspecteur heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de rekeningstandenlijsten vergeleken met de gegevens in het BVR. De gegevens in het BVR zijn voor wat betreft natuurlijke personen afkomstig van de gemeentelijke basisadministratie. In dit bestand zijn bovendien, blijkens het ‘Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie’, zoals hiervoor opgenomen onder 2.7, ook Nederlanders die zijn geëmigreerd naar het buitenland opgenomen. Het rekeningnummer [rekeningnummer], zoals vermeld op de onderhavige renseignementen, stond op naam van “[X]”. Het betreft hier een tenaamstelling zoals genoemd onder 1 van het kopje “soorten tenaamstelling” (Proces-verbaal geautomatiseerde identificatie); een rekening gesteld ten name van één naam met daarachter één of meerdere voorletters. In het onderhavige geval betreft dit de naam “[achternaam X]” met voorletters “[voorletters X]” De inspecteur heeft deze gegevens vergeleken met de gegevens in het BVR. Uit de door inspecteur overgelegde schermprints van de in het BVR opgenomen personen blijkt dat er slechts één persoon voorkomt met de (achter)naam “[achternaam X]”, met de voorletters “[voorletters X]” ; deze unieke ‘hit’ betreft belanghebbende. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde combinatie van de achternaam tezamen met de voorletters van belanghebbende zo specifiek is, dat er geen reden is om aan te nemen dat de vermelding in het renseignement op enig andere persoon dan belanghebbende kan slaan. Met voormeld onderzoek en de toelichting daarop die de inspecteur ter zitting heeft gegeven, heeft de inspecteur dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat belanghebbende, rechthebbende was tot de rekening bij Van Lanschot met rekeningnummer [rekeningnummer]. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de inspecteur in zijn bewijslast is geslaagd. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat belanghebbende rekeninghouder was bij Van Lanschot (in Luxemburg) op de op de renseignementen genoemde data. Gelet op de hoogte van het saldo per 28 november 1996, het gegeven dat de saldi op de rekeningstanden vrij constant zijn en dat belegd is in “bonds” wat duidt op belegging voor langere termijn, acht de rechtbank aannemelijk dat belanghebbende ook in latere jaren deze bankrekening (in ieder geval tot en met 2005) heeft aangehouden in Luxemburg. Voortvarendheid 4.5.1. Belanghebbende heeft gesteld dat de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen niet voortvarend genoeg heeft gehandeld. Hij meent dat de eis van voortvarendheid gesteld moet worden zowel bij toepassing van artikel 16, derde lid, van de AWR (de vijfjaarstermijn) als bij toepassing van het vierde lid van dat artikel (de twaalfjaarstermijn). 4.5.2. De rechtbank oordeelt daarover als volgt. Twaalfjaarstermijn (‘verlengde navorderingstermijn’) 4.5.3. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, regels geformuleerd die in verband met het door het HvJ EU genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.