beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummers 2013/31 en 2013/32 zaak-/rekestnummers: C/443742/ KG RK 13-1066 en C/09/443744 / KG RK 13-1067 zaaknummers: SGR AWB 12/10051, 12/11112, 12/11122, 12/11124, 12/11127, 12/11128, 12/11130, 12/11132, 12/11136, 12/11137, 12/9221, 12/9222 datum beschikking: 24 juni 2013 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaken van: [verzoeker], de erven van [A.], verzoekers, advocaat: mr. drs. S. Bharatsingh; en de Belastingdienst Haaglanden, kantoor Den Haag, strekkende tot wraking van: mrs. I. Obbink-Reijngoud en M.A. Dirks, rechters in de rechtbank Den Haag. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop De Belastingdienst heeft in het kader van het project “Bank Zonder Naam” onderzoek gedaan naar gelden op buitenlandse bankrekeningen ten name van Nederlandse belastingplichtigen. Aan verzoekers is in verband hiermee een beschikking opgelegd. Het daartegen ingediende bezwaar is door de inspecteur afgewezen. Namens verzoekers heeft gemachtigde mr. drs. S. Bharatsingh (verder te noemen: de gemachtigde) daartegen een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. De behandeling van het beroepschrift stond gepland voor de zitting van de meervoudige kamer op 30 mei 2013, waarvan mrs. I. Obbink-Reijngoud en M.A. Dirks deel uitmaakten. Gemachtigde heeft bij brief van 27 mei 2013 deze rechters gevraagd zich te verschonen ten aanzien van de zaken van verzoekers. De griffier heeft de gemachtigde bij brief van 28 mei 2013 bericht dat beide rechters geen aanleiding zien zich te verschonen. Bij brief van 29 mei 2013 heeft gemachtigde namens verzoekers beide rechters gewraakt. De rechters hebben de wrakingskamer bij brief van 3 juni 2013 in kennis gesteld van hun standpunt ter zake. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 10 juni 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Hierbij zijn verschenen: de gemachtigde, de heer [B.]en mevrouw [C.]namens de Belastingdienst Haaglanden, en de gewraakte rechters. Het wrakingsverzoek is door de gemachtigde aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. 3Het standpunt van verzoekers Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Beide rechters hebben deel uitgemaakt van een meervoudige kamer, die eerder uitspraken heeft gedaan op beroepschriften in soortgelijke zaken van het project “Bank Zonder Naam” die door de gemachtigde bij de rechtbank zijn ingediend, waaronder ook een procedure die betrekking heeft op verzoekster [verzoeker]. In die zaken hebben zij beslist over dezelfde rechtsvragen en feiten die in de onderhavige beroepschriften aan de orde zijn. Dit betekent dat beide rechters zich al een oordeel hebben gevormd over die rechtsvragen en feiten. Daardoor is er sprake van vooringenomenheid, dan wel is bij verzoekers de objectief gerechtvaardigde vrees ontstaan dat deze rechters niet in staat zullen zijn om zich los te maken van hun eerdere oordeel en om ten aanzien van dat eerdere oordeel nog professionele distantie te betrachten. Bovendien hebben de rechters in de procedure met kenmerk AWB 12/467 en AWB 12/468 bij uitspraak van 29 november 2012 eerdere beroepen van verzoekster [verzoeker] ter zake van navorderingsaanslagen ongegrond verklaard. In deze uitspraak hebben de rechters op basis van door de belastingdienst uit het buitenland verkregen renseignementen geoordeeld dat verzoekster [verzoeker] een bankrekening in het buitenland had. In de procedure die thans aanhangig is, wordt door de belastingdienst wederom een beroep gedaan op deze renseignementen ter onderbouwing van zijn stelling dat verzoekster [verzoeker] (in opvolgende jaren) nog steeds een bankrekening in het buitenland had. De rechters moeten met andere woorden beoordelen of hun eigen eerdere uitspraak juist was. Aldus is de schijn van vooringenomenheid jegens verzoekers en meer in het bijzonder verzoekster [verzoeker] gewekt. 4Het standpunt van de gewraakte rechters De rechters berusten niet in de wraking. Zij geven de wrakingskamer in overweging het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien aan de gemachtigde al bij brief van 17 april 2013 de namen van de behandelend rechters bekend zijn gemaakt en het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend. Ten aanzien van de gestelde schijn van vooringenomenheid merken de rechters op dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak onvoldoende is om partijdigheid aan te nemen. Dat de rechters zaken van verzoekster [verzoeker] hebben behandeld, vormt dan ook op zichzelf bezien, nu geen andere omstandigheden zijn gesteld en deze ook niet zijn gebleken, volgens de rechters geen reden tot gegrondverklaring van het wrakingsverzoek. Ook de omstandigheid dat de rechters eerder uitspraken hebben gedaan in soortgelijke zaken als de onderhavige vormt geen feit of omstandigheid op grond waarvan de rechterlijke onpartijdigheid van de rechters schade zou leiden. Iedere zaak wordt immers beoordeeld op zijn eigen merites. Andere gronden waaruit zou moeten blijken dat de rechters in de onderhavige zaken bevooroordeeld zijn, zijn volgens de rechters niet aangevoerd. De rechters verzoeken de wrakingskamer te bepalen dat een eventueel volgend wrakingsverzoek van gemachtigde in zaken van verzoekers niet in behandeling wordt genomen, omdat zij vermoeden dat gemachtigde het instrument van wraking heeft gebruikt voor het alsnog verkrijgen van een eerder gevraagd en afgewezen uitstel in de onderhavige zaken. 5De beoordeling 5.1 Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht wordt een verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Verzoekers stellen dat zij naar aanleiding van de op 17 april 2013 verzonden oproeping voor de zitting waarin de namen van de behandelende rechters stonden vermeld, niet direct een wrakingsverzoek hebben ingediend omdat het regelmatig voorkomt dat de samenstelling van de meervoudige kamer wijzigt. Om die reden zouden verzoekers op 27 mei 2013 telefonisch bij de griffier hebben geïnformeerd naar de definitieve samenstelling van de meervoudige kamer, waarna zij de rechters – nadat die desgevraagd hadden bericht zich niet te zullen verschonen – hebben gewraakt. Nu mr. Dirks ter zitting heeft erkend dat het in een andere zaak waarin gemachtigde optrad is voorgekomen dat de samenstelling van de meervoudige kamer kort voor de zitting wijzigde, acht de wrakingskamer het in dit geval verschoonbaar dat het wrakingsverzoek niet op of kort na 17 april 2013 is ingediend. Het verzoek tot wraking is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook tijdig gedaan. 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.