beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2013/21 zaak-/rekestnummer: 440194 / KG RK 13-711 kenmerk: 413738 / HA ZA 12-254 datum beschikking: 26 april 2013 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van: Sluban Europe B.V., te Amsterdam, verzoekster, advocaat: mr. K.Th.M. Stöpetie, strekkende tot wraking van: mr. M.P.M. Loos, rechter in de rechtbank Den Haag. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop Verzoekster is gedaagde in de hoofdzaak, betreffende een geschil over een vermeende inbreuk op auteurs- en merkrechten. Op 29 maart 2013 heeft de rechter een tweede verzoek om aanhouding van de zaak afgewezen, nadat zij het eerste verzoek daartoe al op 22 maart 2013 had afgewezen. Onderhavig verzoek tot wraking van de rechter is op 2 april 2013 bij de rechtbank ingekomen. Op 9 april 2013 heeft de wrakingskamer van de rechter een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ontvangen. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 15 april 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is ter zitting vertegenwoordigd door haar advocaat. De rechter heeft haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt en daarbij tevens aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. Het wrakingsverzoek is door de advocaat aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. 3Het standpunt van verzoekster Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Door de beslissing van 29 maart 2013, waarbij de rechter het verzoek van verzoekster tot aanhouding van de te houden comparitie van partijen andermaal heeft afgewezen, is bij verzoekster de vrees ontstaan dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zal lijden. Door die beslissing moet verzoekster zich tegelijkertijd richten op het voeren van inhoudelijke schikkingsonderhandelingen en op het inhoudelijk voorbereiden van de comparitie. Dit vergt, anders dan van een groot bedrijf als de wederpartij in de hoofdzaak, een inspanning die de onderhandelingen noch de gerechtelijke procedure ten goede komt. Aldus is met de beslissing van de rechter de wederpartij in de hoofdzaak bevoordeeld. Voorts kan de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet zijn gebaseerd op het oordeel dat sprake is van een onredelijke vertraging van de procedure, waardoor de vrees is ontstaan dat die is ingegeven door vooringenomenheid jegens verzoekster. Dit geldt temeer, nu het eerste verzoek tot aanhouding door partijen gezamenlijk is gedaan, aldus verzoekster. 4Het standpunt van mr. M.P.M. Loos De rechter heeft in haar verweerschrift aangegeven dat zij het eerste aanhoudingsverzoek dat door partijen gezamenlijk is gedaan heeft afgewezen in overeenstemming met het landelijk procesreglement. Dat partijen een eenstemmig verzoek hebben gedaan en dat wat hen betreft geen sprake was van een onredelijke vertraging van de procedure doet niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de rechter in dezen. Het tweede aanhoudingsverzoek vormde voor de rechter geen aanleiding om anders te denken over de eerder door haar genomen beslissing. 5De beoordeling 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.