RECHTBANK DEN HAAG Team vreemdelingenkamer Zittingsplaats Zwolle Registratienummer: AWB 13/3932 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, IND dossiernummer [dossiernummer], eiser, gemachtigde mr. M. Yildirim, advocaat te 's-Gravenhage; en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, (Immigratie- en Naturalisatiedienst), te Den Haag, vertegenwoordigd door mr. S. Alberts, ambtenaar ten departemente, verweerder. 13/3932 1Procesverloop Verweerder heeft, in reactie op een verzoek van eiser van 26 september 2012, bij besluit van 21 december 2012 kenbaar gemaakt dat eiser in aanmerking komt voor teruggave van te veel betaalde leges en dat € 1.190,-- zal worden gerestitueerd. Bij brief van 31 december 2012 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 7 februari 2013 ongegrond verklaard. Bij brief van 10 februari 2013 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 13 februari 2013 is het beroep voorzien van gronden. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is ter zitting van 3 juni 2013 behandeld. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Omdat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het onderzoek te heropenen. Verweerder heeft bij brief van 10 juni 2013 een nadere reactie gegeven. Eiser is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Partijen hebben de rechtbank schriftelijk doen weten dat een nadere zitting achterwege kan blijven, waarna het onderzoek is gesloten. 2Overwegingen 2.1 Blijkens de gronden van beroep is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder heeft kunnen volstaan met een restitutie van het legesbedrag ten bedrage van € 1.190,--. 2.2 Eiser heeft zich – samengevat weergegeven – op het standpunt gesteld dat het gehele bedrag aan betaalde leges ten bedrage van € 1.250,-- gerestitueerd dient te worden. Naar de mening van eiser leidt artikel 13 van het besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie (hierna: besluit nr. 1/80) ertoe dat hij recht heeft op een kosteloze afgifte van zijn machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). 2.3 In het bestreden besluit is overwogen dat eiser voor de mvv-aanvraag een bedrag van € 60,-- verschuldigd is. In het verweerschrift alsmede ter zitting heeft verweerder hierbij toegelicht dat dit bedrag niet onevenredig hoog is ten opzichte van het bedrag dat een gemeenschapsburger verschuldigd is, wanneer deze gebruik wil maken van zijn recht op vrij verkeer en samen met zijn visumplichtige partner langer dan drie maanden hier te lande wenst te verblijven. Hiervoor dient een verzoek om afgifte van een verblijfsdocument, zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), te worden ingediend. 2.4 De rechtbank overweegt als volgt. 2.5 Op grond van artikel 13 van het besluit nr. 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. 2.6 Niet in geschil is dat artikel 13 van het besluit nr. 1/80 op eiser van toepassing is. 2.7 In de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 september 2009 (Sahin, C-242/06) is, voor zover hier relevant, het volgende overwogen: “Artikel 13 van het besluit nr. 1/80 van de associatieraad EEG-Turkije moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de invoering, na de datum van inwerkingtreding van dit besluit ten aanzien van de betrokken lidstaat, van een nationale regeling, waarin voor de verlening of verlenging van een verblijfsvergunning leges wordt geheven, wanneer het bedrag van die leges voor Turkse staatsburgers onevenredig is aan het bedrag dat wordt gevraagd van gemeenschapsburgers. (…) Een nationale regeling is dus een door artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden beperking, voor zover daarbij voor de behandeling van een verzoek tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning van Turkse staatsburgers op wie artikel 13 van toepassing is, een aanzienlijk hoger bedrag aan leges wordt geheven dan in vergelijkbare omstandigheden wordt gevraagd van gemeenschapsburgers, en geen enkel relevant argument is aangevoerd dat een zo aanzienlijk verschil kan rechtvaardigen.” 2.8 De rechtbank ziet geen aanleiding om voormelde uitspraak van 17 september 2009 niet ook te betrekken bij zaken waarin de legesheffing voor een visumaanvraag, in plaats van een aanvraag voor de verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, aan de orde is. 2.9 Teneinde te bepalen of de door eiser te betalen vergoeding aan leges niet onevenredig hoog is ten opzichte van het bedrag dat een gemeenschapsburger verschuldigd is, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de situatie van eiser kunnen vergelijken met de situatie waarin verzocht wordt om een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.