Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 11-9473 Zaaknummer: C/09/408620 Datum beschikking: 25 juli 2013 Scheiding Beschikking op het op 26 oktober 2012 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende te [woonplaats] advocaat: mr. F.A.E. Ohlenroth te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] de vrouw, wonende te [woonplaats] advocaat: mr. K.E.H. Rueb-Braakman te Leiden. Procedure De vrouw heeft op 6 december 2011 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank ingediend. De man heeft verweer gevoerd en heeft zelfstandig de echtscheiding verzocht. Bij verweerschrift d.d. 27 maart 2013 tegen het zelfstandig verzoek van de man heeft de vrouw haar verzoek tot echtscheiding ingetrokken. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verweerschrift van de man tegen het thans ingetrokken verzoek van de vrouw tevens verzoekschrift; - het verweerschrift van de vrouw, tevens verzoekschrift, - de brief d.d. 16 mei 2013, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - de brief d.d. 26 mei 2013, met bijlagen, van de zijde van de man; - het verweerschrift van de man tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw; - het bericht d.d. 3 juni 2013, met bijlagen, van de zijde van de vrouw. Op 4 juni 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de man en de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Verzoek en verweer Het verzoek van de man zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding. De vrouw voert verweer tegen de verzochte echtscheiding, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de vrouw, in het geval de rechtbank overgaat tot het uitspreken van de echtscheiding zelfstandig verzocht te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 2.500,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert nog verweer tegen het zelfstandig verzoek van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [de huwelijksdatum] te [de huwelijksplaats]. - Uit dit huwelijk zijn twee, thans meerderjarige, kinderen geboren. - Deze rechtbank heeft op [datum] 2011 voorlopige voorzieningen getroffen waarvan de inhoud thans niet meer van belang is. - Na de totstandkoming van de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen is bij de man de diagnose Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) gesteld. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Pensioenverweer De door de man gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de vrouw niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding – in beginsel – als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is. Voor zover de vrouw meent dat het huwelijk in stand moet worden gelaten, begrijpt de rechtbank dat dit verzoek verband houdt met het door de vrouw genoemde pensioenverweer in de zin van artikel 1:153 van het Burgerlijk Wetboek (hierna genoemd: BW), welk verweer hierna zal worden beoordeeld. De rechtbank overweegt wellicht ten overvloede dat in het geval de vrouw met haar verzoek primair doelde op afwijzing van het verzoek tot echtscheiding zonder in achtneming van artikel 1:153 BW, dit verzoek rechtsgrond mist. De vrouw heeft ten aanzien van het pensioenverweer gesteld te vrezen dat als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan haar na vooroverlijden van de man in ernstige mate zal verminderen. De vrouw stelt daartoe dat zij bij vooroverlijden van de man gedurende het huwelijk van partijen aanspraak maakt op een opgebouwd nabestaandenpensioen bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ad € 29.263,-- bruto per jaar. In het geval partijen reeds van elkaar gescheiden zouden zijn, ontvangt de vrouw een bijzonder nabestaandenpensioen ad € 11.235,-- bruto per jaar. De vrouw is van mening dat dit verschil in te ontvangen pensioen onbillijk groot is. De vrouw draagt hiertoe onder meer aan dat tussen partijen sprake was van een zogenaamd traditioneel huwelijk. De vrouw heeft hierdoor geen tot weinig ouderdomspensioen kunnen opbouwen. Thans heeft de vrouw een baan als conciërge bij een basisschool, welke functie door komende reorganisaties onzeker is. Gezien haar leeftijd acht de vrouw het onzeker of zij een andere baan zal kunnen vinden. Hoewel de vrouw te kennen geeft dat zij over vermogen beschikt, bestaat dit vermogen uit grond die eeuwigdurend verpacht is. Gelet hierop heeft de vrouw beperkte mogelijkheden een voorziening te treffen. De vrouw stelt een bijzonder belang te hebben bij het ontvangen van nabestaandenpensioen in plaats van bijzonder nabestaandenpensioen. Het is, aldus de vrouw, partijen niet gelukt om in onderling overleg een regeling te treffen. De man betwist niet dat de vrouw recht heeft op de genoemde pensioenuitkeringen bij vooroverlijden van de man. De man betwist evenwel dat het verschil tussen deze bedragen een beroep op artikel 1:153 BW rechtvaardigt. De man draagt daartoe onder meer aan dat het pensioenverweer van de vrouw ziet op een situatie zoals die in het verleden, voor de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding, het geval zou zijn geweest. In onderhavig geval is bij wet iets geregeld voor de vrouw, in die zin dat zij een pensioendeel van de man ontvangt. Daarnaast stelt de man dat de vrouw vermogend is en zij een eigen inkomen genereert. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 1:153 lid 1 BW is bepaald dat indien als gevolg van de verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de andere echtgenoot na vooroverlijden van de echtgenoot die het verzoek heeft gedaan zou teloorgaan of in ernstige mate zou verminderen, en de andere echtgenoot deswege tegen dat verzoek verweer voert, dit verzoek niet kan worden toegewezen voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk is te achten. De rechter kan daartoe een termijn stellen. In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot de Wet van 6 mei 1971, Stb. 290, heeft geleid wordt er onder meer over artikel 1:153 BW vermeld dat, ondanks wettelijke sociale voorzieningen, het verlies van toekomstige pensioenrechten onherstelbaar afbreuk kan doen aan de voorziening in het levensonderhoud die voor de vrouw bij voortduring van het huwelijk na het overlijden van de man gewaarborgd zou zijn. Verder staat vermeld dat de hoop en verwachting worden uitgesproken dat meer pensioenregelingen zullen worden getroffen zoals in de toenmalige Algemene Burgerlijke Pensioenwet voorzien, inhoudende een bijzonder weduwepensioen dat evenredig is aan de diensttijd van de man voor ontbinding van het huwelijk. Naarmate dit geschiedt, zal artikel 1:153 BW in belang verminderen, aldus de memorie van toelichting. Voorts wordt erop gewezen dat ten tijde van de rechterlijke uitspraak een pensioenvoorziening of daarmee vergelijkbare levensverzekering moet bestaan welke bij vooroverlijden van de man rechten op uitkeringen geeft aan de vrouw. Voorts staat vermeld dat niet wordt bedoeld dat een volledige compensatie moet worden gegeven voor het gemis van het verwachte weduwenpensioen. De rechter zal van geval tot geval moeten beslissen of, afhankelijk van de omstandigheden – zoals de leeftijd van de vrouw, de mogelijkheid voor haar zelf om een bevredigende voorziening te treffen, het pensioenbedrag dat verloren zou gaan, en het (te verwachten) inkomen van partijen –, een redelijke voorziening is getroffen. De Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS) regelt de verdeling van de pensioenaanspraken bij echtscheiding. In het verlengde hiervan regelde artikel 8a van de Pensioenfonds- en Spaarfondswet (PSW) dat de echtgenoot van een werknemer na scheiding een aanspraak behield op nabestaandenpensioen naar rato van de op het moment van scheiding opgebouwde rechten. Op 1 januari 2007 is de Pensioenwet (PW) in werking getreden en is de PSW ingetrokken. Ingevolge artikel 57 PW verkrijgt in geval van scheiding de gewezen partner van de werknemer een zodanige aanspraak op partnerpensioen (een uitkering wegens overlijden) als de werknemer ten behoeve van die gewezen partner zou hebben behouden indien op het tijdstip van scheiding zijn deelneming zou zijn geëindigd. Op de voet van artikel 57 PW moet voor de bepaling van de waarde van het bijzonder nabestaandenpensioen in geval van echtscheiding dus aansluiting worden gezocht bij de behandeling van pensioenrechten bij ontslag. In 2002 is het keuzerecht nabestaandenpensioen ingevoerd (gelijke beloning van deelnemers met en zonder partner, voortvloeiend uit de Algemene Wet Gelijke Behandeling). Iedere deelnemer heeft het recht om het opgebouwde nabestaandenpensioen om te ruilen tegen een hoger of een eerder ingaand ouderdomspensioen (artikel 2b PSW, thans artikel 60 PW). Met de komst van dit wettelijk keuzerecht hebben de meeste pensioenfondsen hun pensioenregeling aangepast van nabestaandenpensioen op opbouwbasis naar nabestaandenpensioen op risicobasis. In het geval van een nabestaandenpensioen op opbouwbasis, treedt het bijzonder nabestaandenpensioen op het moment van (voor)overlijden van de deelnemer in de plaats van het voorwaardelijk ouderdomspensioen. De ex-partner behoudt dan een inkomstenstroom. In het geval van een nabestaandenpensioen op risicobasis, is er geen bijzonder nabestaandenpensioen. Ook na pensioeningangsdatum heeft het overlijden van de pensioengerechtigde voor de ex-partner als gevolg dat de uitkeringen gestaakt worden. Uit het door de rechtbank geraadpleegde ABP-reglement blijkt dat het ABP vanaf 1 juli 1999 is overgegaan naar nabestaandenpensioen op risicobasis. Bij de overgang van een partnerpensioen dat wordt opgebouwd naar een partnerpensioen dat op risicobasis wordt verzekerd, blijft het reeds opgebouwde partnerpensioen behouden. Bij vooroverlijden van de deelnemer heeft de gewezen partner recht op bijzonder partnerpensioen over de pensioenaanspraken opgebouwd vóór 1 juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.