Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 13-7263 Zaaknummer: 450843 Datum beschikking: 21 oktober 2013 Beschikking op het op 13 september 2013 ingediende verzoekschrift van: [verzoeker], hierna: verzoeker, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. M.L.A. van Opstal te ’s-Hertogenbosch. Het bezwaarschrift is gericht tegen: Het Directoraat-Generaal Jeugd en Sanctietoepassing, Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken, CBJ, van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, belast met de taak van Centrale Autoriteit als bedoeld in artikel 4 van de Wet van 2 mei 1990 (Stb. 202) tot uitvoering van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (Trb. 1987, 139), hierna: het Haagse Verdrag, gevestigd te Den Haag, verder te noemen: de Centrale Autoriteit. ProcedureDe rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het bezwaarschrift met producties. Op 1 oktober 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker met zijn advocaat en de Centrale Autoriteit in de persoon van L. Ipenburg en M.S. van Muiswinkel. Verzoeker heeft pleitnotities en een vijftal producties overgelegd. Feiten Uit de relatie van [de moeder] (hierna: de moeder) en [de biologische vader] is het thans nog minderjarige kind geboren: - [de minderjarige 1], op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Brazilië (hierna: [de minderjarige 1]). [de biologische vader] heeft op [datum] bij onderhandse akte opgemaakt bij het Tweede notariskantoor, arrondissement [naam], Brazilië, instemming en toestemming verleend aan de moeder, om - kort weergegeven - met de minderjarige te vertrekken naar Nederland, en zonder zijn nadrukkelijke toestemming alle rechtshandelingen te verrichten die in het belang [de minderjarige 1] zijn. Verzoeker en de moeder hebben elkaar in 2008 in Brazilië leren kennen. Sinds januari 2009 hadden zij een affectieve relatie met elkaar. De moeder is in Brazilië zwanger geworden van verzoeker. Na enige maanden in Brazilië met elkaar en met [de minderjarige 1] te hebben samengewoond zijn verzoeker en de moeder met [de minderjarige 1] in Nederland gaan samenwonen. Er is geen sprake van een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap van verzoeker met de moeder. Uit de relatie van verzoeker en de moeder is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [de minderjarige 2] geboren. Verzoeker heeft dit kind erkend en oefent samen met de moeder het ouderlijk gezag over dit kind uit. [de minderjarige 1] heeft de Braziliaanse nationaliteit. Vanaf 2009, gedurende een periode van drie en een half jaar, heeft verzoeker met de moeder, [de minderjarige 2]en [de minderjarige 1] in gezinsverband samengeleefd, zulks totdat de moeder op 6 september 2012 met beide kinderen uit de gezamenlijke woning vertrok. [de minderjarige 2]is nagenoeg onmiddellijk bij verzoeker teruggebracht, [de minderjarige 1] volgde op 22 oktober 2012. Van 22 oktober 2012 tot (in ieder geval) 14 december 2012 heeft [de minderjarige 1] - nu zonder de moeder - bij verzoeker verbleven. [de minderjarige 1] verblijft vanaf 9 april 2013in Brazilië. Enkele dagen na 9 april 2013 is de moeder [de minderjarige 1] nagereisd, zodat [de minderjarige 1] thans samen met de moeder in Brazilië verblijft. Bij vonnis van 23 november 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch bepaald dat de hoofdverblijfplaats van beide kinderen voorlopig bij de moeder is. Daarbij is tevens een kinderalimentatie ten laste van verzoeker voor beide kinderen bepaald. Bij de beoordeling van de vorderingen van verzoeker heeft de voorzieningenrechter in het vonnis onder 5.3 het volgende overwogen: “De man heeft recht op omgang met [de minderjarige 1] omdat sprake is van family life. Omdat partijen terzake afspraken hebben gemaakt, heeft de man op dit moment geen belang bij een voorziening in rechte. Omdat het gezag met betrekking tot [de minderjarige 1] niet bij de man berust, zal de voorzieningenrechter de overige vorderingen van de man voor zover die betrekking hebben op [de minderjarige 1] afwijzen.”. Onder 5.5. is vervolgens overwogen “….. Omdat partijen afspraken hebben gemaakt omtrent de omgang van de man met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]zal de vordering van de man te bepalen dat tussen de man en [de minderjarige 1] dezelfde omgangsregeling zal gelden als is vastgesteld met [de minderjarige 2]en gedurende dezelfde weken worden afgewezen.”. Onder 6.6. overweegt de voorzieningenrechter: “Omdat partijen onderling een omgangsregeling met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]zijn overeengekomen zal geen omgangsregeling worden vastgesteld. Conform de overwegingen in conventie zal bepaald worden dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]bij de vrouw is.”. De vordering van verzoeker betrof onder meer bepaling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij hem, hem te machtigen om voor [de minderjarige 1] een verblijfsvergunning aan te vragen en inschrijving van [de minderjarige 1] in het gba-register van zijn woonplaats. Op 18 december 2012 is verzoeker van voormelde beslissing van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. In hoger beroep verzoekt hij vernietiging van de beslissing van 23 november 2012, zulks met uitzondering van de beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1]. Voorts heeft hij onder meer verzocht te bepalen dat een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige 1] wordt vastgesteld zulks conform de overeenkomst van hem met de moeder, te weten doordeweeks beurtelings bij de man en vervolgens in het weekend beurtelings bij de man en de vrouw waarbij [de minderjarige 1] met ieder de helft van de vakanties doorbrengt en te bepalen dat, zodra de vrouw beschikt over een eigen woning en vast werk, de omgangsregeling wordt vastgesteld zoals die ook voor [de minderjarige 2]geldt en voorts: de omgangsregeling met betrekking tot [de minderjarige 2]vast te stellen zoals tussen partijen overeengekomen, te weten de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, waarbij [de minderjarige 2]bij ieder van haar ouders de helft van de vakanties doorbrengt. Daarnaast heeft verzoeker in hoger beroep gevorderd te bepalen dat hij niet gehouden is om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen ten behoeve van [de minderjarige 1], dan wel een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw; subsidiair te bepalen dat hij een op te leggen bijdrage in de kosten van [de minderjarige 1] niet is verschuldigd zolang de vrouw met [de minderjarige 1] niet in Nederland verblijft. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft hierop bij arrest van 26 maart 2013 de beslissing van de voorzieningenrechter d.d. 23 november 2012 vernietigd voor wat betreft de aan verzoeker opgelegde alimentatieverplichting ten aanzien van [de minderjarige 1]. In hoger beroep is de vordering van de moeder tot betaling van een onderhoudsbijdrage ten aanzien van [de minderjarige 1] afgewezen. Onder 4.12 van het arrest overweegt het gerechtshof vervolgens als volgt: “Grief 1 houdt in de kern in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kan beoordelen of de vrees van de man dat de vrouw de kinderen naar Brazilie zal ontvoeren reëel is. Het hof overweegt dat, nu alleen de vrouw met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] is belast, het haar vrij staat om met [de minderjarige 1] naar Brazilië te gaan. In zoverre heeft de man bij deze grief geen belang….”. Daarna wordt onder 4.18 overwogen dat het hof niet is gebleken dat de tussen partijen overeengekomen omgangs-/contactregeling met [de minderjarige 1] respectievelijk [de minderjarige 2]niet wordt nagekomen, terwijl de man ook uitdrukkelijk heeft gesteld dat partijen het met elkaar eens zijn. Om die reden is het hof met de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen reden is om een omgangsregeling vast te stellen, temeer daar het het hof op dat moment bekend is dat op 7 maart 2013 tussen partijen opnieuw een kort geding dient onder meer over de omgang. Onder 4.19.2 overweegt het gerechtshof vervolgens dat er geen sprake is van onderhoudsplicht van de man ten opzichte van [de minderjarige 1], omdat de man [de minderjarige 1] niet heeft erkend en de situatie dat partijen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige 1] uitoefenen zich niet voordoet, zodat voor betaling van een onderhoudsbijdrage ten aanzien van [de minderjarige 1] geen wettelijke grondslag aanwezig is. Op 12 april 2013 heeft verzoeker wederom de moeder in kort geding gedagvaard. In zijn dagvaarding vermeldt verzoeker onder punt 12 “….Op 10 april 2013 werd de vrees van de man helaas bewaarheid. De man ontving tot zijn ontzetting het bericht van de schoolleiding dat [de minderjarige 1] de dag daarvoor niet op school was gekomen. Vervolgens bleek dat de vrouw kort daarvoor [de minderjarige 1] had laten afreizen naar Brazilië. Het vliegticket was enkele reis. Uitvoering van de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige 1] is hiermee door de vrouw totaal onmogelijk gemaakt. De man vreest dat hij [de minderjarige 1] nooit meer zal zien. In ieder geval wordt de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling met [de minderjarige 1] niet meer nagekomen. Deze regeling is ondanks de vordering daartoe van de man niet in kort geding vastgesteld omdat de voorzieningenrechter en het gerechtshof er van uitgingen dat de regeling werd nagekomen. Nu heeft de man duidelijk belang bij vaststelling en wel zodanig dat wordt bepaald dat hij die omgang met [de minderjarige 1] ook in Brazilië kan laten plaatsvinden (de man komt vaker in Brazilië) en dat hij voor vakantieomgang ook met [de minderjarige 1] naar Nederland mag reizen zodat [de minderjarige 1] haar zus kan zien…..”. Verzoeker heeft vervolgens, voor zover thans van belang, gevorderd te bepalen dat hij omgang zal hebben met [de minderjarige 1] conform de overeengekomen omgangsregeling, zijnde gedurende doordeweekse dagen, een weekend per 2 weken en de helft van de vakanties, te bepalen dat deze regeling ook in Brazilië door hem kan worden uitgevoerd en dat hij de helft van de vakantieweken naar zijn keuze met [de minderjarige 1] ook in Nederland mag doorbrengen, zodat hem is toegestaan met [de minderjarige 1] vanuit Brazilië naar Nederland te reizen. Bij verstekvonnis van 15 april 2013 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant beslist dat verzoeker overeenkomstig zijn vordering omgang zal hebben met [de minderjarige 1]. Verzoeker heeft (op een niet bij de rechtbank bekende datum) een verzoek bij de Centrale Autoriteit ingediend, strekkende tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] uit Brazilië. Bij besluit van 13 augustus 2013 heeft de Centrale Autoriteit aan verzoeker meegedeeld dat zijn verzoek niet in behandeling wordt genomen. Verzoeker komt thans van dit besluit in bezwaar. Verzoek en verweer Het bezwaarschrift strekt tot vernietiging van het bestreden besluit en bepaling dat de Centrale Autoriteit het door verzoeker ingediende verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige 1] in behandeling neemt. Verzoeker stelt - kort samengevat - dat op grond van de tussen hem en de moeder op 22 oktober 2012 gesloten overeenkomst, gelet op de inhoud van artikel 3 van het Haagse Verdrag, de moeder een deel van haar gezagsrecht aan hem heeft prijsgegeven en dat hij, nu [de minderjarige 1] twaalf van de veertien dagen per twee weken door hem wordt verzorgd en opgevoed, in elk geval medebeslissingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1], zodat de moeder niet eenzijdig kon beslissen met [de minderjarige 1] naar Brazilië te vertrekken. De Centrale Autoriteit voert verweer. Kort samengevat is er volgens de Centrale Autoriteit geen sprake van internationale kinderontvoering in de zin van het Haagse Verdrag. De Centrale Autoriteit stelt dat de moeder het eenhoofdig gezag over [de minderjarige 1] heeft en dat zij derhalve het recht heeft om over de verblijfplaats van [de minderjarige 1] te beslissen. Er is volgens de Centrale Autoriteit geen sprake van schending van een gezagsrecht van verzoeker, als bedoeld in de artikelen 3 en 5 van het Haagse Verdrag. De Nederlandse rechter is er in de door verzoeker gevoerde procedures steeds vanuit gegaan dat verzoeker op grond van family life recht heeft op omgang heeft met [de minderjarige 1], aldus de Centrale Autoriteit. Beoordeling Verzoeker heeft zijn bezwaar binnen een maand na ontvangst van de beschikking van de Centrale Autoriteit, derhalve tijdig, ingediend. De rechtbank dient te beoordelen of de Centrale Autoriteit op goede gronden heeft geoordeeld dat er klaarblijkelijk geen sprake is van ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van de minderjarige [de minderjarige 1] in de zin van artikel 3 van het Haagse Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3 van het Haagse Verdrag luidt als volgt: 1. Het overbrengen of het niet doen terugkeren van een kind wordt als ongeoorloofd beschouwd, wanneer: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.