RECHTBANK DEN HAAG Team Vreemdelingenkamer Zittingsplaats Arnhem Registratienummer: AWB 13/14228 Datum uitspraak: 15 oktober 2013 Uitspraak Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) inzake [eiseres], geboren op [geboortedatum], v-nummer[nummer], van Surinaamse nationaliteit, eiseres, gemachtigde mr. C.N. Noordzee, tegen de Minister van Buitenlandse Zaken, Visadienst, verweerder. Het procesverloop Op 24 december 2012 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf bij de heer [naam] (hierna: referent). Bij besluit van 18 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres op 25 januari 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres op 31 mei 2013 beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 september 2013. Gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.W. Oude Lenferink. De beoordeling 1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit — de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen — te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden. 2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres haar reisdoel niet aannemelijk heeft gemaakt en dat niet valt in te zien of en in hoeverre eiseres daadwerkelijk kort verblijf in Nederland beoogt. Op het formulier ‘aanvraag Schengenvisum, bijlage A, lijst met aanvullende vragen’ heeft eiseres immers ingevuld dat zij voornemens is om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aan te vragen. Bovendien hebben eiseres en referent over de wijze van ontmoeting tegenstrijdige verklaringen afgelegd, hetgeen volgens verweerder niet aannemelijk dan wel opmerkelijk is. Voorts is als afwijzingsgrond opgenomen dat getwijfeld wordt aan het voornemen het grondgebied tijdig te verlaten. Eiseres is 24 jaar oud, ongehuwd, heeft een dochter van vijf jaar oud en haar beide ouders wonen in Suriname. Nu eiseres de zorg voor haar dochter aan haar nichten heeft overgelaten, niet is gebleken dat eiseres de zorg voor haar ouders heeft of in staat zou zijn hen te onderhouden en evenmin is gebleken van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen, kan volgens verweerder niet zonder meer worden aangenomen dat eiseres een zodanige sociale binding met het land van herkomst heeft dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten. Volgens verweerder is evenmin sprake van een economische binding met het land van herkomst, nu eiseres bij de indiening van haar visumaanvraag heeft verklaard dat zij geen arbeid verricht en door referent in haar levensonderhoud wordt voorzien. 3. Eiseres heeft betoogd dat de enkele omstandigheid dat zij jong en ongehuwd is en niet de zorg voor haar ouders heeft, ontoereikend is om aan te nemen dat eiseres geen sociale binding heeft met haar land van herkomst. In dit verband heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 29 oktober 2007 (LJN: BC0778) en naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, van 3 april 2009 (LJN: BI1740). De zorg voor haar dochter vormt een sterke omstandigheid waaruit kan worden afgeleid dat eiseres tijdig zal terugkeren. Volgens eiseres veronderstelt verweerder ten onrechte dat zij zich op basis van het visum voor kort verblijf in Nederland wil vestigen. Eiseres en referent zijn voornemens om een toekomst op te bouwen in Nederland en referent heeft voldoende inkomsten om dit verblijf mogelijk te maken. Eiseres is vrijgesteld van de inburgeringsplicht en er is voor eiseres dan ook geen enkele reden om na het verstrijken van het visum voor kort verblijf illegaal in Nederland te verblijven. Eiseres is verder van mening dat zij ten onrechte niet is gehoord. De motivering van het afwijzende primaire besluit was voor haar onduidelijk en zij heeft de vragenlijst visumaanvraag pas na het indienen van een bezwaarschrift ontvangen. In dit verband heeft eiseres verwezen naar diverse rechterlijke uitspraken. 4. De rechtbank overweegt als volgt. 5. Het onderhavige besluit is genomen op basis van artikel 32 van Verordening (EG) nummer 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: de Visumcode), en met inachtneming van de Schengengrenscode (Verordening (EG) nummer 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006). 6. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Visumcode wordt bij het onderzoeken van aanvragen voor een eenvormig visum nagegaan of de aanvrager aan de inreisvoorwaarden als omschreven in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, c, d, en e, van de Schengengrenscode voldoet en wordt bijzondere aandacht geschonken aan de toetsing van de vraag of de aanvrager een risico van illegale immigratie of een risico voor de veiligheid van de lidstaten vertegenwoordigt, en met name, of de aanvrager het voornemen heeft het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór de geldigheidsduur van het aangevraagde visum verstrijkt. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover hier van belang, wordt een visum geweigerd: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.