vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 27 maart 2013 in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/403330 / HA ZA 11-2425 van: 1. [A] , 2. [B] , 3. [C] , eisers allen wonende te [woonplaats], toevoegingen nummers [1], [2], [3], advocaat: mr. R.A.A. Maat, tegen [D] , gedagvaard als (enig) erfgenaam van wijlen [E], gedaagde wonende te [woonplaats], toevoeging nummer [4], advocaat: mr. T. van der Heijden. De rechtbank zal de procespartijen hierna ook wel [eisers ABC] en gedaagde [D] noemen. De afzonderlijke [eisers ABC] worden hierna zo nodig aangeduid als [A], [B] en [C]. De procedure 1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de navolgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt: de dagvaarding van 10 augustus 2011, met producties; het herstelexploot van 9 september 2011, met betekening van een kopie dagvaarding en met aanzegging van de nieuwe eerste rolzitting van 28 september 2011; de conclusie van antwoord van 9 november 2011, met producties; het tussenvonnis van 23 november 2011 en het instructieformulier van 24 januari 2012; het proces-verbaal van de eerste comparitie van partijen van 22 maart 2012, met de daarin genoemde akten met extra producties van eisers en gedaagde; de beschikkingen van 27 juni 2012, 26 september 2012, en 2 en 4 oktober 2012; het proces-verbaal van de tweede comparitie van partijen van 19 december 2012, met de daarin genoemde brieven met extra producties van eisers en gedaagde. 1.2 Het treffen van een minnelijke regeling in dit erfrechtconflict is tot dusver niet mogelijk gebleken. De vonnisdatum is nader bepaald op vandaag. De feiten 2.1 [eisers ABC] zijn broers. Zij zijn de drie kinderen van hun moeder [E], die op 11 augustus 2010 te Delft op 53-jarige leeftijd door suïcide is overleden. 2.2 Gedaagde [D] is de partner van wijlen [E], met wie zij sinds in ieder geval november 2001 samenwoonde, sinds 11 september 2006 een geregistreerd partnerschap zonder partnervoorwaarden had, en met wie zij sinds 1 november 2007 te Delft samen de vennootschap onder firma “Pizzeria Antonio” dreef. Voordien werd de pizzeria te Delft door [E] als eenmanszaak gedreven en werkten haar partner [D] en haar zonen [A] en [B] in loondienst in haar pizzeria. Ook de jongste zoon [C] verrichte werk in de pizzeria, maar niet in loondienst. 2.3 Bij notarieel testament van 12 november 2001 heeft [E] haar partner [D] in geval van haar vooroverlijden benoemd tot executeur van haar nalatenschap en voorts tot haar enig erfgenaam onder de last van legaten aan ieder van haar kinderen of hun afstammelingen, die legaten ieder “ter hoogte van het bedrag van het versterferfdeel in haar nalatenschap berekend als ware zij gehuwd”. Die testamentaire legaten voor haar drie kinderen [eisers ABC] met de daarover verschuldigde testamentaire rente zijn volgens het testament pas opeisbaar in geval van overlijden van haar partner [D], of eerder in geval van (verkort weergegeven) faillissement, surseance, schuldsanering, een huwelijk of een nieuw geregistreerd partnerschap, of een bijstandsuitkering van/voor gedaagde [D]. Hij heeft overigens op 12 november 2001 bij dezelfde notaris te Delft ook een soortgelijk verzorgingstestament doen opmaken ten gunste van zijn partner [E] en ten nadele van zijn kind of kinderen. 2.4 Na het overlijden van [E] op 11 augustus 2010 zijn conflicten ontstaan tussen haar drie zonen [eisers ABC] enerzijds en hun (niet-officiële) stiefvader [D] anderzijds. De advocaat van [eisers ABC] heeft gedaagde [D] buiten rechte twee maal tevergeefs gesommeerd tot (verkort weergegeven) het verstrekken van een behoorlijke boedelbeschrijving van de nalatenschap ter bepaling van de omvang van de drie legaten via een notaris en tot betaling van een bedrag ineens aan eiser 3 [C] als redelijke vergoeding voor het door [C] “jarenlang feitelijk onbezoldigd meewerken” in de pizzeria van wijlen [E]. Tegen betaling van in totaal € 1.495,15 hebben [eisers ABC] eenzijdig een groot deel van de roerende en onroerende zaken uit de nalatenschap van hun moeder laten taxeren door twee taxateurs. [eisers ABC] hebben tot dusver geen beroep gedaan op hun legitieme porties. De vorderingen 3.1 [eisers ABC] vorderen bij dagvaarding van 9 september 2011 dat de rechtbank bij vonnis (samengevat en met correctie van enkele verschrijvingen): - zal verklaren voor recht dat de in hun producties 3 en 4 getaxeerde onroerende en roerende zaken onderdeel uitmaken van de nalatenschap van hun moeder [E] en dat aan deze zaken een waarde wordt toegekend van in totaal € 553.420,-; gedaagde [D] zal veroordelen opgaaf te doen van eventuele meerdere activa en passiva van die nalatenschap; daarna zal vaststellen de hoogte van het legaat dat aan ieder der [eisers ABC] toekomt; gedaagde [D] zal veroordelen tot afgifte aan [eisers ABC] van de aangifte en de aanslag successiebelasting, op straffe van een dwangsom; gedaagde [D] zal veroordelen tot betaling aan eiser 3 [C] van een bedrag van € 98.000,- met wettelijke rente; met veroordeling in de taxatiekosten van € 1.495,15 en in de proceskosten. 3.2 Gedaagde [D] voert verweer tegen deze vorderingen. De rechtbank zal hierna bij de beoordeling ingaan op de relevante stellingen van beide zijden. De beoordeling De twee formele verweren 4.1 De advocaat van gedaagde [D] voert bij antwoord primair een formeel verweer dat strekt tot niet-ontvankelijk verklaring in de vorderingen, omdat [eisers ABC] gedaagde [D] hebben gedagvaard in zijn hoedanigheid van (enig) erfgenaam van wijlen [E] en niet in zijn hoedanigheid van executeur in haar nalatenschap, met verwijzing naar art. 4:145 BW en naar de vonnissen van drie rechtbanken, gepubliceerd onder de LJN-nummers BR4089, BM9294 en AV7605. De advocaat van [eisers ABC] heeft daarop ter eerste comparitie van partijen mondeling afwijzend gereageerd. 4.2 De rechtbank verwerpt dit eerste formele verweer. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt de advocaat van [eisers ABC] immers hoe dan ook terecht dat gedaagde [D] in dit specifieke geval zowel enig erfgenaam van wijlen [E] als enig executeur in haar nalatenschap is. Het gaat derhalve feitelijk slechts om één en dezelfde door [eisers ABC] aan te spreken persoon. Reeds daardoor faalt het beroep op art. 4:145 BW en op de genoemde jurisprudentie. Om praktische redenen kan gedaagde [D] in deze procedure worden aangemerkt als te zijn gedagvaard in zijn beide voornoemde hoedanigheden en in privé. Het beroep op niet-ontvankelijkheid moet in dit geval falen. 4.3 De advocaat van gedaagde [D] voert bij antwoord voorts meerdere malen het formele verweer dat de dagvaarding niet voldoet aan de vereisten van (naar de rechtbank begrijpt) art. 111 leden 2d en 3 Rv, doordat de eisen (petita) in die dagvaarding niet of onvoldoende worden onderbouwd door de vereiste gronden (fundamenta petendi). Zie daartoe de alineanummers 10, 14 en 23 van de conclusie van antwoord. De advocaat van [eisers ABC] gaf desgevraagd ter eerste comparitie van partijen ruiterlijk toe dat de dagvaarding “haastwerk was omdat er een fatale termijn dreigde te verstrijken; de dagvaarding is immers op de laatst mogelijke dag uitgebracht”, daarbij blijkbaar doelend op de fatale termijnen van art. 4:37 BW. 4.4 De rechtbank verwerpt ook dit tweede formele verweer. Indien en voor zover al geoordeeld kan worden dat de inderdaad relatief summiere dagvaarding lijdt aan één van de in art. 111 Rv bedoelde wezenlijke gebreken, heeft de advocaat van [eisers ABC] die eventuele gebreken in het vervolg van de procedure ter beide comparities voldoende hersteld en heeft gedaagde [D] zich aldus ter beide comparities ook daadwerkelijk voldoende tegen de ingestelde vorderingen en hun grondslagen kunnen doen verdedigen. De vordering van [C] van in hoofdsom € 98.000,- 4.5 De rechtsgrond voor deze vordering kan slechts worden gevonden in art. 4:36 BW, de door de wetgever bedoelde som ineens als billijke vergoeding voor verrichte arbeid door een kind in het bedrijf van zijn overleden ouder gedurende zijn meerderjarigheid zonder daarvoor een passende beloning te hebben ontvangen. Een dergelijke som ineens is ingevolge art. 4:7 BW een schuld van de nalatenschap die door executeur [D] uit de nalatenschap moet of had moeten worden voldaan. 4.6 [C] en [D] waren het er ter eerste comparitie uiteindelijk over eens dat [C] in de pizzeria inderdaad werkzaamheden buiten loondienst heeft verricht. Zij verschilden echter volstrekt van mening over de aard en omvang van die werkzaamheden en over de vraag of [C] daarvoor wel of niet uit de kas van de pizzeria telkens een passende contante beloning heeft gekregen of genomen. Ter tweede comparitie heeft eiser [C] door zijn afwezigheid zonder goede reden niet gereageerd op de nadere stellingen van gedaagde [D] in dat verband. Verifieerbare schriftelijke bewijsstukken in dit verband zijn naar de rechtbank begrijpt niet beschikbaar. Gelet op de gemotiveerde betwisting van een en ander rust de bewijslast op eiser [C]. 4.7 Alles afwegende zal de rechtbank aan eiser [C] een laatste gelegenheid geven om bij akte na tussenvonnis zijn vordering van € 98.000,- in hoofdsom alsnog zo concreet mogelijk feitelijk te onderbouwen door in ieder geval zo concreet mogelijk en zo goed mogelijk onderbouwd te stellen om exact welke onbetaalde werkzaamheden op exact welke uren en dagen in de pizzeria het volgens hem gaat in de relevante periode vanaf de dag van zijn meerderjarigheid tot de dag van het overlijden van zijn moeder, en hoeveel een billijk uurloon volgens hem bedraagt. Daarop zal gedaagde [D] nog bij antwoord-akte inhoudelijk mogen reageren, voordat de rechtbank zal beslissen of [C] al dan niet zal worden toegelaten tot het namens hem aangeboden bewijs door getuigen van zijn nu nog zeer algemene, en door de wederpartij betwiste stellingen in verband met art. 4:36 BW. De vordering van € 1.495,15 taxatiekosten 4.8 Deze vordering is summier onderbouwd en even summier betwist. Vooralsnog ziet de rechtbank geen rechtsgrond voor de bestreden vordering tot betaling van “taxatiekosten die gepaard gingen met de boedelbeschrijving”. Op art. 6:96 BW kan deze vordering naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet worden gebaseerd. [eisers ABC] krijgen een laatste gelegenheid om deze vordering desgewenst nader te onderbouwen of in te trekken bij akte na tussenvonnis. Gedaagde [D] zal daarop bij antwoord-akte desgewenst nog mogen reageren, voordat de rechtbank definitief beslist over deze vordering. De vordering tot afgifte van de aangifte en de aanslag “successiebelasting” 4.9 Bij akten ter comparities heeft gedaagde [D] de door zijn boekhouder [X] verzorgde aangifte erfbelasting en de nadere onderbouwing daarvan na vragen van de fiscus geproduceerd. De rechtbank neemt aan dat de belastingdienst de aanslag erfbelasting inmiddels heeft vastgesteld of op korte termijn zal vaststellen. De rechtbank zal gedaagde [D] daarom in de gelegenheid stellen om die aanslag erfbelasting bij akte na tussenvonnis zo mogelijk alsnog te produceren ten behoeve van [eisers ABC], of in het andere geval nader toe te lichten waarom die aanslag nog steeds niet is vastgesteld. De vorderingen tot boedelbeschrijving nalatenschap en vaststelling omvang legaten 4.10 [eisers ABC] hebben recht op en voldoende belang bij de feitelijk (zie ook alineanummer 12 van de dagvaarding) gevorderde behoorlijke boedelbeschrijving van de activa en de passiva van de nalatenschap van hun moeder door of namens executeur [D], zulks ter vaststelling door de rechtbank van de omvang van hun (nog niet opeisbare) legaten. Dat volgt reeds uit de wetsartikelen 4:146 lid 2 en 4:7 BW, in combinatie met de uiteindelijke aanvaarding van die legaten ter eerste comparitie door de drie [eisers ABC]. 4.11 De tot dusver aan beide zijden ter beide comparities geproduceerde – en over en weer betwiste - gehele of gedeeltelijke boedelbeschrijvingen en de (grotendeels
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.