RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummers: AWB 13/29016 en 13/29018 (vovo) en 13/29015 en 13/29017 (beroep) V-nummers: [nummers] uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank in de zaak tussen [naam 1], eiser, [naam 2], eiseres, mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen [naam 3], [naam 4]en [naam 5], gezamenlijk te noemen: eisers, gemachtigde mr. J.J. Bronsveld, en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde mr. S. Aboulouafa. Procesverloop Bij besluit van 12 november 2013 (hierna: het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eisers afgewezen. Op 12 november 2013 hebben eisers tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op hun beroep is beslist. De behandeling van de verzoeken heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Eisers zijn verschenen bij mr. P.R. Klaver, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op de beroepen worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen. 2. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag 1]1974 en de Syrische nationaliteit te bezitten. Eiseres, zijn gestelde echtgenote, heeft als geboortedatum opgegeven [geboortedag 2]1984 en gesteld eveneens de Syrische nationaliteit te bezitten. Op 9 augustus 2013 hebben zij, mede ten behoeve van hun drie minderjarige kinderen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit, onder verwijzing naar het eerdere voornemen tot afwijzing, de aanvragen van eisers afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielaanvragen. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat Frankrijk een visum ten behoeve van eisers heeft afgegeven en dat de Franse autoriteiten akkoord zijn gegaan met de overname van eisers. Verweerder ziet in de door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden geen aanleiding om op grond van de soevereiniteitsclausule of de humanitaire clausule de behandeling van de asielaanvraag van eisers aan zich te trekken. 4. Eisers hebben in beroep, onder verwijzing naar hun eerdere zienswijze naar aanleiding van het voornemen van verweerder, het volgende aangevoerd. Zij stellen dat er een gezinssituatie is van eisers met de vader en moeder van eiseres, haar twee zussen en een broer, allen in Nederland verblijvend en in het bezit van een verblijfsvergunning asiel. Met name wordt erop gewezen dat de moeder, [naam 6], psychische problemen heeft en een afhankelijkheidsrelatie heeft met eiseres. Eisers doen een beroep op artikel 15, tweede lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening), de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het hof) van 6 november 2012 inzake K. tegen Bundesasylamt (JV 2013/5), de overwegingen uit de preambule die zien op het bewaren van de gezinseenheid (14, 15 en 16), en artikel 16 van Dublinverordening 604/2013 van 26 juni 2013, die op 1 januari 2014 in werking treedt (Dublin III). Tot slot hebben eisers in beroep overgelegd het medisch dossier van de moeder van eiseres en schoolverklaringen van de twee oudste kinderen. 5. Ter zitting heeft verweerder volhard bij het bestreden besluit en toegelicht dat niet is gebleken van een afhankelijkheid vanwege de psychische en emotionele gesteldheid van de moeder. Dat de moeder eiseres liever bij zich heeft, betekent niet dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Verder betoogt verweerder dat de klachten van moeder, gelet op het medisch dossier, ook nu spelen, terwijl eiseres in Nederland is. 6. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. In artikel 15, tweede lid, van de Verordening is, voor zover thans van belang, bepaald dat lidstaten, wanneer de ene betrokkene afhankelijk is van de hulp van de andere wegens een ernstige ziekte, een zware handicap of hoge leeftijd, er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij of wordt herenigd met een familielid dat zich op het grondgebied van een van de lidstaten bevindt, op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. In artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie van 2 september 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van de Dublinverordening (de Uitvoeringsverordening) zijn bepalingen opgenomen omtrent situaties van afhankelijkheid. In artikel 11, eerste lid, is bepaald dat artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening van toepassing is zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker. Ingevolge het tweede lid worden de in artikel 15, tweede lid, van de Dublinverordening beoogde situaties van afhankelijkheid zo veel mogelijk beoordeeld op grond van objectieve elementen, zoals medische attesten. Wanneer dergelijke elementen niet voorhanden zijn of niet kunnen worden overgelegd, kunnen de humanitaire redenen alleen worden geacht te zijn bewezen op grond van door de betrokken personen verstrekte overtuigende inlichtingen. Ingevolge het derde lid wordt bij de beoordeling of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, rekening gehouden met: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.