RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 12/5680 uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2013 in de zaak tussen [X] , wonende te [Z], eiseres (gemachtigde: [A]), en de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder. Procesverloop Ten name van eiseres is op 12 juli 2011 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan ter zake van de hierna onder 1 vermelde verkrijging. Eiseres heeft op 27 juli 2011 bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. Verweerder heeft bij uitspraak van 11 juni 2012 het bezwaar tegen de voldoening op aangifte afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Tijdens de zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 14 februari 2013, heeft de rechtbank het onderzoek geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen haar verzoek om toekenning van een dwangsom schriftelijk toe te lichten en te onderbouwen. Op die zitting was namens eiseres aanwezig de gemachtigde. Namens verweerder waren aanwezig [B] en [C], bijgestaan door [D], [E], [F] en [G]. Beide partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd. Bij brief van 13 maart 2013 heeft eiseres haar verzoek toegelicht en stukken aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 17 april 2013, met stukken, heeft verweerder gereageerd op de brief van 13 maart 2013 van eiseres. Bij brief van 22 april 2013 heeft verweerder de stukken gevoegd bij de brief van 17 april 2013 aangevuld. De rechtbank heeft partijen bij brief van 25 april 2013 bericht dat de zaak zal worden verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Daarbij is aan partijen gevraagd of zij toestemming geven tot het achterwege laten van een (nadere) zitting.Verweerder heeft bij brief van 6 mei 2013 aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting. Bij brief van 24 mei 2013 heeft eiseres nog enkele stukken in het geding gebracht. Het onderzoek is vervolgens voortgezet op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 juni 2013. Namens eiseres is verschenen de gemachtigde, vergezeld van [H]. Namens verweerder zijn verschenen [I], [G] en [E]. Verweerder heeft ter zitting een schriftelijke reactie op de brief van eiseres van 24 mei 2013 voorgedragen en overgelegd. Eiseres heeft na de sluiting van het onderzoek ter zitting nog nadere stukken bij de rechtbank ingediend bij faxbericht van 7 juni 2013 en van 9 juli 2013. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien tot het ambtshalve heropenen van het onderzoek. De rechtbank gaat dan ook aan deze stukken voorbij. Overwegingen 1. Op 14 juni 2011 verkreeg eiseres bij notariële akte de onverdeelde helft van de eigendom van de woning [adres] (de verkrijging). 2. De koopprijs bedroeg volgens de notariële akte € 328.000. De overdrachtsbelasting ten bedrage van € 19.680, zijnde zes procent van de koopprijs, is op 12 juli 2011 op aangifte voldaan. Daarvan is € 9.840 ten laste van eiseres gekomen en € 9.840 ten laste van [J]. Ten tijde van de verkrijging bedroeg het tarief volgens artikel 14 van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (Wet BRV) zes procent. 3. Bij besluit van 1 juli 2011, nr. BLKB 2011/1290M (het Besluit) heeft de staatssecretaris van Financiën het volgende bekendgemaakt: “(….) Ik keur goed dat een tarief overdrachtsbelasting van 2 procent wordt toegepast voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van een woning. (…) (…) Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug voor de verkrijging op of na 15 juni 2011 van woningen. (…)” 4. Het wetsvoorstel inzake de tijdelijke tariefsverlaging als onderdeel van het Belastingplan 2012 is op 17 november 2011 door de Tweede Kamer en op 20 december 2011 door de Eerste Kamer aangenomen. Het Belastingplan 2012 is als Wet van 22 december 2011 (de Wet) gepubliceerd in het Staatsblad 2011, nr. 639. 5. In artikel XXXVIII, tweede lid, van de Wet is bepaald dat artikel XVI van de Wet (het artikel waarin de tariefswijziging van artikel 14 van de Wet BRV is opgenomen) terugwerkt tot en met 15 juni 2011. Geschil en standpunten van partijen 6. Tussen partijen is in geschil of eiseres in verband met de verkrijging terecht 6% overdrachtsbelasting op aangifte heeft voldaan, wat eiseres betwist en verweerder verdedigt. Eiseres neemt daarbij allereerst het standpunt in dat de overdrachtsbelasting een inbreuk vormt op het recht van eigendom zoals neergelegd in artikel 17 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 1 van het eerste protocol van het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM). Subsidiair bepleit eiseres de toepassing van een tarief van 2% op de verkrijging. Daartoe stelt zij dat de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting van 6% naar 2% en de daarbij gegeven terugwerkende kracht aan die verlaging tot 15 juni 2011 willekeurig is en in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, in het bijzonder het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (Bupo). Eiseres stelt voorts dat verweerder op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tot overlegging van (wetgevings)stukken, die ten grondslag liggen aan de keuze voor de onderhavige terugwerkende kracht, dient over te gaan. Eiseres verzoekt om toekenning van een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht. 6.1. Verweerder heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd weersproken. 6.2. Voor een volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan verwijst de rechtbank naar de stukken. Beoordeling van het geschil Op de zaak betrekking hebbende stukken 7. Voor de beantwoording van de door eiseres opgeworpen vraag of verweerder artikel 8:42 Awb heeft geschonden, neemt de rechtbank tot uitgangspunt het arrest van de Hoge Raad van 25 april 2008, nr. 43448, ECLI:NL:HR:2008:BA3823. Daarin is geoordeeld dat alle stukken die bij de besluitvorming van de inspecteur een rol hebben gespeeld aan de belanghebbende en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten (artikel 8:29 Awb). 7.1. Eiseres heeft gesteld dat buiten de officieel bekend gemaakte wetgevingsstukken nog andere wetgevingsstukken bestaan die ten grondslag liggen aan de keuze van de wetgever om de tariefsverlaging met terugwerkende kracht in te voeren. Verweerder heeft weersproken dat dergelijke stukken bestaan, althans gesteld dat hij het bestaan daarvan niet kent. 7.2. Dat er, zoals eiseres stelt, nog andere wetgevingsstukken zijn dan de voor een ieder toegankelijke stukken heeft eiseres, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft ook overigens geen aanknopingspunten om het ervoor te houden dat verweerder bij zijn besluitvorming in de onderhavige zaak gebruik heeft gemaakt van andere stukken dan die door hem zijn overgelegd. Daarom komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42 van de Awb. Handvest 8. Eiseres heeft weliswaar terecht aangevoerd dat in artikel 52, derde lid, van het Handvest is bepaald dat deze bepaling (artikel 52) niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt, doch uit artikel 51 van het Handvest volgt dat lidstaten alleen gebonden zijn aan het Handvest wanneer zij optreden binnen het toepassingsgebied van het recht van de Unie. De heffing van overdrachtsbelasting betreft geen uitvoering van het Unierecht en valt, in het onderhavige geval, ook anderszins niet binnen het toepassingsgebied van het EU-recht. Het Handvest vindt in deze geen toepassing. Overdrachtsbelasting 9. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de inwerkingtreding van de wetswijziging per 1 januari 2012 en de daarbij gegeven terugwerkende kracht voor verkrijgingen tot en met 15 juni 2011, in aanmerking komt voor toepassing op het hier voorliggende geval. Gezien de duidelijke bewoordingen van artikel XXXVIII van de Wet en het feit dat de onroerende zaak door eiseres is verkregen vóór 15 juni 2011, is dit niet het geval. 10. Over de stelling van eiseres dat de beperking van de terugwerkende kracht tot leveringen op of na 15 juni 2011 een verboden inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 26 van het Bupo en artikel 14 van het EVRM juncto artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Vooropgesteld moet worden dat op fiscaal gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of voor de toepassing van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM gevallen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398). Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (EHRM 10 juni 2003, nr. 27793/95, zaak M.A. en anderen tegen Finland, V-N 2003/52.2). 11. In de Nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 10) is over de ingangsdatum van de verlaging van het tarief het volgende medegedeeld: “Om uitstelgedrag te voorkomen heeft het kabinet, vooruitlopend op de aanvaarding van deze wet, ervoor gekozen dat het tarief van de overdrachtsbelasting van 2% bij de verkrijging van woningen al met ingang van 15 juni 2011 kan worden toegepast. De reden waarom voor 15 juni is gekozen houdt verband met uitlatingen van het kabinet over de woningmarkt met de bedoeling het vertrouwen in de woningmarkt te versterken. Het hiermee opgewekte consumentenvertrouwen noopte het kabinet ertoe de maatregel met terugwerkende kracht tot deze dag in te laten gaan. Voor woningen die tussen 15 juni 2011 en 1 juli 2011 zijn verkregen is er derhalve in het kader van de rechtszekerheid voor gekozen de tariefsverlaging in deze situaties te laten gelden.” 12. Naar het oordeel van de rechtbank komt de wetgever met het vanaf enig moment in werking laten treden van een wettelijke tariefsverlaging, niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Immers de tariefsverlaging geldt vanaf de ingangsdatum voor alle belaste verkrijgingen van woningen en van rechten waaraan deze zijn onderworpen, alsmede voor de verkrijging van aandelen en rechten als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet BRV voor zover deze aandelen en rechten middellijk of onmiddellijk woningen vertegenwoordigen (vgl. artikel 14, tweede lid, van de Wet BRV). De rechtbank is van oordeel dat in geval terugwerkende kracht aan een dergelijke maatregel wordt verleend, er evenmin een verboden strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel optreedt in geval ook vanaf de toepassingsdatum de tariefsverlaging voor alle vorenbedoelde verkrijgingen in gelijke mate geldt. Zo de terugwerkende kracht al in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, dan heeft de wetgever naar het oordeel van de rechtbank gegronde redenen gegeven waarom hij de tariefsverlaging heeft laten terugwerken en niet verder dan tot en met 15 juni 2011. Naast financiële overwegingen hebben daar blijkbaar onder meer motieven op het gebied van rechtszekerheid meegespeeld. Niet kan worden gezegd dat de wetgever daarbij buiten de hem toekomende ruimte en beoordelingsvrijheid is getreden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op grond van uitlatingen die leden van het kabinet vanaf 17 juni 2011 hebben gedaan men er op mocht vertrouwen dat het tarief van de overdrachtsbelasting niet zou worden verlaagd. Door vervolgens toch het tarief te verlagen zou het vertrouwen kunnen worden geschonden van belanghebbenden die vóór 1 juli 2011 een woning hebben verkregen terwijl zij, indien zij zouden hebben geweten dat op 1 juli 2011 het tarief zou worden verlaagd, die verkrijging evenzogoed op of na 1 juli 2011 had kunnen laten plaatsvinden. Dat de terugwerkende kracht geldt tot en met 15 juni 2011 en niet tot en met 17 juni 2011, valt naar het oordeel van de rechtbank binnen de aan de wetgever toekomende ruimte en beoordelingsvrijheid. (Zie ook HR 14 juni 2013, nr. 12/03630, ECLI:NL:HR:2013:BZ7857). 13. Het standpunt van eiseres dat geen sprake zou zijn van een “fair balance” omdat eiseres zou worden getroffen door een individuele en buitensporige last, volgt de rechtbank niet. Artikel 1 van het Eerste Protocol brengt mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Ook hier komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Niet in geschil is dat alle verkrijgers van onroerend goed overdrachtsbelasting verschuldigd zijn en dat alle verkrijgers 6% dan wel na 15 juni 2011 2% overdrachtsbelasting betalen. Er is derhalve geen sprake van een discriminatoire regeling. Dat de overdrachtsbelasting voor eiseres een buitensporig last vormt is niet aannemelijk gemaakt. Het argument dat de overdrachtsbelasting over het algemeen niet uit eigen middelen wordt betaald maar wordt meegefinancierd in de hypotheek kan daartoe niet dienen. Er is derhalve ook in deze zin geen sprake van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Dwangsom 14. In de uitspraak op bezwaar van 11 juni 2012 heeft verweerder het verzoek van eiseres om toekenning van een dwangsom afgewezen. Eiseres stelt dat zij recht heeft op de maximale dwangsom, nu verweerder, nadat hij bij brief van 23 november 2011 in gebreke was gesteld, niet tijdig op het bezwaarschrift heeft beslist. 14.1. Niet in geschil is dat de uitspraak op bezwaar is gedagtekend 11 juni 2012 en dus ruim na ommekomst van de wettelijke beslistermijn is genomen. 14.2. Verweerder heeft het standpunt van eiseres gemotiveerd betwist. Verweerder stelt primair dat in de onderhavige zaak geen machtiging aanwezig was, althans dat deze pas op 8 januari 2012 is verleend. Verweerder stelt subsidiair dat er geen sprake is van een gerichte ingebrekestelling. De ingebrekestelling is niet voldoende gespecificeerd en het is niet duidelijk op welke voldoening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.