beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2013/9 rekestnummer: 436748 / KG RK 13-305 zaaknummer: AWB 12/9696 datum beschikking: 4 maart 2013 BESLISSING op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak tussen: [verzoeker], wonende te [woonplaats], eiser, verzoeker in de wraking, gemachtigde: mr. A. van Diermen, en het college van burgemeesters en wethouders van gemeente Midden-Delfland, verweerder, gemachtigde: T.W.P. van den Berg, hierna te noemen: het college, strekkende tot wraking van: mr. G.P. Verbeek, rechter in de rechtbank Den Haag, hierna te noemen: de bestuursrechter. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop Op 7 februari 2013 heeft in bovenvermelde zaak een zitting plaatsgevonden, waarbij verzoeker de bestuursrechter heeft gewraakt. Bij brief van 8 februari 2013 heeft verzoeker aan de wrakingskamer een uitgetypte versie van de door hem op voornoemde zitting overhandigde handgeschreven aantekeningen, doen toekomen. De bestuursrechter heeft bij brief van 14 februari 2013 medegedeeld niet in de wraking te berusten en zijn standpunt omtrent de wraking kenbaar gemaakt. Namens het college is bij brief van 15 februari 2013 geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 18 februari 2013 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De gemachtigde van verzoeker is verschenen en heeft het verzoek aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. De bestuursrechter is – zoals bericht – niet verschenen. Namens het college is niemand verschenen. 3Het standpunt van verzoeker Aan het wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft bij brief van 27 januari 2013 aan de bestuursrechter kenbaar gemaakt dat het college zijns inziens niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank had overlegd en heeft de bestuursrechter verzocht het college daartoe alsnog opdracht te geven. Bij faxbericht van 1 februari 2013 heeft het college na een daartoe strekkend verzoek van de bestuursrechter een deel van de gevraagde stukken toegestuurd en met betrekking tot een aantal stukken verwezen naar openbare internetbronnen. Doordat de bestuursrechter het college voorafgaand aan de zitting niet opnieuw heeft opdragen de ontbrekende stukken te verstrekken en bovendien het college niet heeft belast met het uitvoeren van de door verzoeker gewenste planologische vergelijking, heeft de bestuursrechter blijk gegeven van vooringenomenheid, althans de schijn daarvan gewekt. 4Het standpunt van de bestuursrechter De bestuursrechter heeft – verkort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat hij het college om die stukken heeft verzocht die naar zijn oordeel redelijkerwijze van belang zijn voor de te verrichten toetsing van het bestreden besluit en welke stukken niet via openbare bronnen raadpleegbaar zijn. Uit het enkele feit dat hij vervolgens niet alsnog de door verzoeker gewenste stukken heeft opgevraagd kan zijns inziens geen vooringenomenheid of de schijn daarvan worden afgeleid. 5De beoordeling Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. De wrakingskamer overweegt dat de beslissing van de bestuursrechter om bepaalde stukken op te vragen en om niet in te gaan op het verzoek van eiser om de gemeente een planologische vergelijking te laten uitvoeren dient te worden aangemerkt als processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bestuursrechter jegens eiser een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij eiser dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is. De wrakingskamer neemt daarbij in aanmerking dat bij toepassing van de in artikel 8:45, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht verwoorde bevoegdheid om partijen opdracht te geven stukken in het geding te brengen, de bestuursrechter de nodige beoordelingsvrijheid toekomt. Aan de enkele omstandigheid dat de bestuursrechter voorafgaand aan de zitting vooralsnog van oordeel was over voldoende stukken te beschikken om het bestreden besluit te kunnen toetsen, valt niet de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid te ontlenen. Feiten of omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken zijn gesteld noch gebleken. Ook aan het feit dat de bestuursrechter niet reeds voorafgaand aan de zitting aanleiding zag het college op te dragen een planologische vergelijking uit te voeren, hoewel daartoe door verzoeker was verzocht, kan een dergelijke vrees niet worden ontleend, nu geen rechtsregel de bestuursrechter ertoe dwingt reeds in die fase van de procedure op een zodanig verzoek te beslissen. De rechtbank merkt hierbij overigens op dat uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker de bestuursrechter ter zitting onmiddellijk heeft gewraakt en niet eerst de gelegenheid te baat heeft genomen de bestuursrechter te bewegen alsnog aan zijn wensen tegemoet te komen. Derhalve zal als volgt worden beslist. 6De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af; - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek; - beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. A. van Diermen; • verweerder in de hoofdzaak; • de bestuursrechter mr. G.P. Verbeek. Deze beslissing is gegeven door mr. E. Timmermans, voorzitter, mrs. T.F. Hesselink en I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2013.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.