RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 12-8574 Zaaknummer: 431060 Datum beschikking: 3 januari 2013 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 12 november 2012 ingekomen verzoek van: [de vader], de vader, wonende te [woonplaats vader], België, advocaat: mr. H.A. Schipper te 's-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de moeder], de moeder, wonende te [woonplaats moeder], advocaat: mr. H.P. Scheer te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift; - het verweerschrift; - het faxbericht d.d. 14 december 2012 van de zijde van de vader; - het faxbericht d.d. 17 december 2012 van de zijde van de moeder. Op 30 november 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting in het kader van crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. M. Kramer. Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau, onderdeel van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke schikking te komen. Op 3 december 2012 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat partijen een deelovereenkomst hebben gesloten over een omgangsregeling gedurende de onderhavige procedure, inclusief een eventueel hoger beroep. Op 18 december 2012 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. De vader heeft ter terechtzitting zijn verzoek gewijzigd. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd. Verzoek en verweer Het verzoek luidt thans - kort samengevat - de onmiddellijke terugkeer te gelasten van na te noemen minderjarigen naar het adres [adres vader], België, waartoe de moeder de minderjarigen zal afgeven aan de vader, opdat hij hen mee terug zal nemen naar [plaats in België], alsmede veroordeling van de moeder tot betaling aan de vader van de kosten die de vader in verband met de ontvoering en teruggeleiding heeft gemaakt. De moeder voert verweer, dat hierna - voor zover nodig - zal worden besproken. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben sinds maart 2009 gezamenlijk gewoond in [plaats in België], België. - Tijdens deze relatie zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren: - [minderjarige 1], op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1]), en - [minderjarige 2], op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2]). - Beide minderjarigen zijn, voorafgaand aan hun geboorte bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te [plaats in België], door de vader erkend. - Op 21 september 2012 is de moeder met de minderjarigen vanuit België naar Nederland gereisd. Volgens afspraak van partijen zouden de minderjarigen op 24 september 2012 terugkeren naar België. Die afspraak is niet nageleefd. - Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit. - Bij beschikking d.d. 18 oktober 2012 heeft de rechtbank van eerste aanleg te [plaats in België], België, in kort geding op verzoek van de vader en bij verstek van de moeder voor recht verklaard dat de minderjarigen hoofdzakelijk bij de vader zullen verblijven en op zijn adres zullen worden ingeschreven, als hebbende daar hun hoofdverblijfplaats. Deze beschikking is inmiddels onherroepelijk geworden. - Voorafgaand aan het onderhavige verzoek heeft de vader een verzoek tot teruggeleiding ingediend bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Directoraat-Generaal Jeugd en Sanctietoepassing, Directie Control, Bedrijfsvoering en Juridische Zaken (ook genoemd: de Centrale autoriteit) te 's-Gravenhage. - Partijen hebben op 1 december 2012 bij het Mediation Bureau een deelovereenkomst ondertekend waarbij zij hangende de lopende procedure, inclusief een eventueel hoger beroep, een omgangsregeling hebben afgesproken inhoudend dat de minderjarigen in de even weekenden bij de moeder in Nederland verblijven en in de oneven weken bij de vader in België (met ingang van 7 december 2012), waarbij het weekend bij vader loopt van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur. Hiertoe haalt de vader de minderjarigen op vrijdagavond om 18.00 uur op bij de moeder en haalt de moeder de minderjarigen op zondagavond om 18.00 uur op bij de vader, met de nadrukkelijke verplichting van de vader om de minderjarigen mee terug te geven aan de moeder. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en België zijn partij bij het Verdrag. Het Verdrag heeft - voor zover hier van belang - tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde achterhouding in de zin van het Verdrag, wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren, geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Gewone verblijfplaats In geschil tussen partijen is de gewone verblijfplaats van de minderjarigen. De vader heeft gesteld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen België is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij aangevoerd dat hij vanaf 1994 in België woont, dat partijen op 24 november 2008 gezamenlijk een huis hebben gekocht in [plaats in België] en dat partijen daar sinds begin 2009 samen wonen. De minderjarigen hebben hun gehele leven in België gewoond. Beide ouders en de minderjarigen zijn ingeschreven bij de gemeente [plaats in België], zij hebben een vast Belgisch telefoonnummer en hebben in België hun vaste huisarts, tandarts, ziektekostenverzekering en attest van sociale verzekeringen. Weliswaar hadden de ouders ook een huisarts in Nederland, maar dat gold niet voor de minderjarigen, die alle medische zorg ontvingen in België. [minderjarige 1] gaat in België naar school en heeft in België een bankrekening. [minderjarige 2] bezoekt een Belgisch consultatiebureau. De vader heeft altijd gewerkt vlakbij de gezamenlijke woning en partijen waren vlak voor hun uiteengaan beiden op zoek naar werk in de buurt van [plaats in België]. In het licht van deze feiten en omstandigheden heeft de vader gesteld dat het centrum van de activiteiten van partijen was gelegen in de buurt van [plaats in België], België. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is gelegen en hiertoe aangevoerd dat partijen slechts om economische redenen hebben besloten om in België een woning te kopen. Behoudens het huis en de daarop rustende hypotheek heeft de moeder geen enkele binding met België, en ook de band van de vader is sterker met Nederland dan met België. De moeder werkt in [woonplaats moeder] en verblijft op die dagen samen met de minderjarigen bij haar ouders in [plaats in Nederland]. Voor beide partijen geldt dat hun sociale leven zich afspeelt in Nederland. Nu de moeder de feitelijke verzorging en opvoeding van de minderjarigen voor haar rekening heeft genomen en haar gewone verblijfplaats is gelegen in Nederland, geldt dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen - die, gelet op hun leeftijd, afhankelijk is van de gewone verblijfplaats van de moeder - in Nederland is gelegen. De rechtbank overweegt als volgt. Het begrip 'gewone verblijfplaats van het kind' als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van het Verdrag is een feitelijk begrip waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast fysieke aanwezigheid van het kind in een lidstaat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen de familiale omgeving en daarvoor is of zijn de persoon of personen bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen, bepalend. De rechtbank stelt vast dat partijen er in 2008 bewust voor hebben gekozen zich gezamenlijk in België te vestigen. Gesteld noch gebleken is dat de intentie van de ouders gedurende de samenleving anders was dan samen met de minderjarigen gevestigd te zijn in België. Dat de minderjarigen op de drie doordeweekse dagen dat de moeder werkte regelmatig bij haar ouders in Nederland verbleven en de niet nader toegelichte of onderbouwde stelling van de moeder omtrent het sociale leven van partijen in Nederland doet niet af aan bedoelde intentie van partijen en is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen niet in België, ter plekke van de gezamenlijke woning, maar in Nederland was. Daarnaast geldt dat de kinderen vanaf hun geboorte stonden ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie in België, [minderjarige 1] in België naar school ging en [minderjarige 2] door een Belgisch consultatiebureau werd gevolgd. De moeder verbleef tijdens haar zwangerschaps- en ouderschapsverloven in de woning te [plaats in België], na de geboorte van de minderjarigen samen met hen. Partijen hadden geen plannen om naar Nederland terug te keren; zij waren immers kort voorafgaand aan hun uiteengaan beiden op zoek naar een baan in de buurt van [plaats in België]. De rechtbank oordeelt in het licht van het voorgaande dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen was gelegen in België. Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in België is gelegen, is Belgisch recht van toepassing op het gezag over de minderjarigen. Partijen zijn naar Belgisch recht gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen nu de vader de minderjarigen voor de geboorte heeft erkend en partijen sinds maart 2009 gezamenlijk hebben gewoond in [plaats in België]. Om die reden behoefde de moeder toestemming van de vader voor een verblijf van de minderjarigen in Nederland. Ongeoorloofde achterhouding Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn overeengekomen dat de minderjarigen van 21 tot 24 september 2012 met de moeder in Nederland zouden verblijven, en dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de achterhouding door de moeder van de minderjarigen in Nederland na 24 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.