vonnis RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector civiel recht Zaaknummer / rolnummer: 417963 / HA ZA 12 - 527 Vonnis van 19 december 2012 in de zaak van 1. [eiser sub 1], wonende te [woonplaats], 2. [eiser sub 2], wonende te [woonplaats], 3. [eiser sub 3], wonende te [woonplaats], 4. [eiser sub 4], wonende te [woonplaats], 5. [eiser sub 5], wonende te [woonplaats], 6. [eiser sub 6], wonende te [woonplaats], 7. [eiser sub 7], wonende te [woonplaats], 8. [eiser sub 8], wonende te [woonplaats], 9. [eiser sub 9], wonende te [woonplaats], 10. [eiser sub 10], wonende te [woonplaats], 11. [eiser sub 11], wonende te [woonplaats], 12. [eiser sub 12], wonende te [woonplaats], 13. [eiser sub 13], wonende te [woonplaats], 14. [eiser sub 14], wonende te [woonplaats], 15. [eiser sub 15], wonende te [woonplaats], 16. [eiser sub 16], wonende te [woonplaats], 17. [eiser sub 17], wonende te [woonplaats], 18. [eiser sub 18], wonende te [woonplaats], 19. [eisers sub 19a en 19b], beiden wonende te [woonplaats], 20. [eiser sub 20], wonende te [woonplaats], 21. [eiser sub 21], wonende te [woonplaats], 22. [eiser sub 22], wonende te [woonplaats], 23. [eiser sub 23], wonende te [woonplaats], 24. [eiser sub 24], wonende te [woonplaats], 25. [eiser sub 25], wonende te [woonplaats], 26. [eiser sub 26], wonende te [woonplaats], 27. [eiser sub 27], wonende te [woonplaats], 28. [eisers sub 28a en sub 28b], beiden wonende te [woonplaats], 29. [eiser sub 29], wonende te [woonplaats], 30. [eiser sub 30], wonende te [woonplaats], 31. [eiser sub 31], wonende te [woonplaats], 32. [eiser sub 32], wonende te [woonplaats], eisers, advocaat: mr. P. Stehouwer te Sneek, TEGEN de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie), waarvan de zetel is gevestigd te `s-Gravenhage, gedaagde, advocaat: mr. R.J.M. van den Tweel te `s-Gravenhage. Partijen zullen hierna worden aangeduid als "[eiser sub 1] c.s." in mannelijk enkelvoud en "de Staat". 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 april 2012 (met producties); - de conclusie van antwoord (met producties); - het tussenvonnis van 1 augustus 2012, waarbij een comparitie van partijen voor de meervoudige kamer is bepaald; - het proces-verbaal van comparitie voor de meervoudige kamer van 5 november 2012 en de daarin genoemde stukken. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Ter inperking van de melkproductie door melkveehouders heeft de Europese Economische Gemeenschap, EEG, (thans: de Europese Gemeenschap, EG) op 17 mei 1977 Verordening 1078/77 vastgesteld tot invoering van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk- en zuivelproducten en voor de omschakeling van het melkveebestand. In deze Verordening 1078/77 was - kortweg - bepaald dat melkveehouders in aanmerking konden komen voor een premie (financiële tegemoetkoming) door een bepaalde periode geen melk te produceren en door met hun melkveebestand om te schakelen op de rundvleesproductie via de zogenaamde Slacht- en Omschakelingsregeling (hierna: de SLOM-boeren). [eiser sub 1] c.s. is telkens in het kader van die Verordening 1078/77 een overeenkomst tot niet-levering van melk aangegaan. 2.2. Omdat de toestand op de zuivelmarkt nog altijd werd gekenmerkt door structurele melkoverschotten, heeft de EEG vervolgens een melkquoterings- of superheffingstelsel geïntroduceerd met de Verordeningen 856/84 en 857/84 van 31 maart 1984. Via dit stelsel kreeg iedere melkveehouder een melkquotum (een heffingsvrije referentiehoeveelheid) toegekend. Melkveehouders die meer produceerden dan hun melkquotum toeliet, dienden de zogenaamde superheffing te betalen. De heffingsvrije referentiehoeveelheid werd op basis van in het verleden gerealiseerde melkproductie berekend, met als referentiejaar in Nederland 1983. Omdat de SLOM-boeren in het referentiejaar 1983-1984 geen of een lagere melkproductie hadden, kwamen zij aanvankelijk niet in aanmerking voor het verkrijgen van een melkquotum. Hierin is verandering gekomen na het arrest Mulder van 28 april 1988 van het Hof van Justitie van de EG (hierna: het HvJEG). De Raad van de EG heeft naar aanleiding van dit arrest Verordening 857/84 gewijzigd bij Verordening 764/89. Voorts heeft de Commissie van de EG Verordening 1033/89 vastgesteld, waarbij werd voorzien in de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid (melkquotum) aan een beperkt aantal SLOM-boeren onder specifieke voorwaarden. Verordening 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening 764/89, stelt in artikel 3bis lid 1 - voor zover relevant - als voorwaarde voor die toekenning dat de SLOM-boeren "ter ondersteuning van hun aanvraag ten genoegen van de bevoegde instantie kunnen aantonen dat zij in staat zijn om de aangevraagde referentiehoeveelheid op hun bedrijf te produceren. (...)". Verordening 1546/88, zoals gewijzigd bij Verordening 1033/89 bepaalt, onder meer, in artikel 3bis lid 1: "(...) Ook moet de producent kunnen aantonen dat hij nog steeds geheel of gedeeltelijk hetzelfde bedrijf exploiteert als bij de (...) goedkeuring van de aanvraag om toekenning van de premie" 2.3. De toenmalige minister van Landbouw en Visserij (hierna: de Minister) heeft aan genoemde verordeningen uitvoering gegeven door het vaststellen van de Beschikking superheffing SLOM-deelnemers van 16 mei 1989 (hierna: BSD). In artikel 3 lid 1 BSD is, voor zover relevant, het volgende bepaald: "(...) De voorlopige toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid vindt slechts plaats voor zover: (...) c. de producent (...) het bedrijf (...) op het moment van indiening van de aanvraag nog geheel of gedeeltelijk in eigendom, erfpacht of pacht had en als zodanig nog voor eigen rekening en risico exploiteerde (...)" Voorts is in het tweede lid bepaald dat, indien de producent blijkens de gegevens van de landbouwtelling nog over minimaal 60% van de grond beschikt, hij in staat wordt geacht om de aangevraagde referentiehoeveelheid op zijn bedrijf te kunnen produceren. Bij minder dan 60% van de grond, dient er bewijs te worden geleverd. 2.4. Ieder van [eiser sub 1]s c.s. heeft op zijn aanvraag een voorlopige referentiehoeveelheid toegewezen gekregen op grond van de BSD. In de periode vanaf 1990 tot en met 1994 heeft de Minister vervolgens ten aanzien van ieder van [eiser sub 1]s c.s. een besluit genomen waarbij is geweigerd om de voorlopige referentiehoeveelheid om te zetten in een definitieve referentiehoeveelheid, dan wel de toegekende quota zijn ingetrokken. [eiser sub 1]s c.s. heeft, met uitzondering van eiser sub 6 ([eiser sub 6]), bezwaar en beroep ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag voor een definitief melkquotum, dan wel tegen de intrekking van de voorlopige referentiehoeveelheid. 2.5. Een van de SLOM-boeren, [A], heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (hierna: CBb) bij voorlopige voorziening gevraagd om schorsing van het besluit dat de definitieve toewijzing van het SLOM-quotum was vervallen. [A] had de melkproductie voortgezet in maatschapsverband. Het CBb heeft bij uitspraak van 30 december 1991 (No. 91/3245/060/198) het schorsingsverzoek van [A] afgewezen en, onder meer, als volgt overwogen: "(...) 5.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of is voldaan aan de (...) Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad en de in de BSD gestelde voorwaarden voor toewijzing van een definitieve specifieke referentiehoeveelheid, waaronder de voorwaarde dat de producent in de periode van voorlopige toewijzing de rechtstreekse verkoop en/of levering daadwerkelijk moet hebben hervat. 5.2. Aangezien deze vraag naar voorlopig oordeel geen ondubbelzinnige beantwoording vindt in de desbetreffende bepalingen, neemt de Voorzitter als uitgangspunt de strekking van de BSD en de daaraan ten grondslag liggende communautaire regeling, welke meebrengt dat in beginsel alleen de oorspronkelijke SLOM-deelnemer voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking komt, mits deze de melkproductie hervat binnen dezelfde bedrijfsorganisatorische en -economische eenheid als die, waarin de produktie plaats vond vóór het aangaan van de SLOM-overeenkomst. (...) 5.4. In het licht van het hierboven genoemde uitgangspunt (...) moet bovenbedoelde vraag naar voorlopig oordeel ontkennend worden beantwoord. De produktie geschiedt thans immers binnen een andere bedrijfsorganisatorische en -economische eenheid, in het verband van een maatschap, (...)." 2.6. In 1993 is een belangengroepering opgericht, de Stichting SLOM, die de problematiek van de SLOM-boeren bij de politiek, het Landbouwschap en de Land- en Tuinbouworganisatie heeft aangekaart. De Stichting SLOM heeft voorts een klacht ingediend bij de Europese Commissie. 2.7. In een drietal zaken van SLOM-boeren heeft het CBb, voor zover hier van belang, prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEG. In de zaak Herbrink van 27 januari 1994 (C-98/91) heeft het HvJEG, onder meer, het volgende geoordeeld: "(...) 2. Artikel 3bis van Verordening (EEG) nr. 857/84 moet aldus worden uitgelegd, dat het zich niet verzet tegen de toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid nadat de oude producent, de oorspronkelijke pachter, in samenwerking met anderen opnieuw een bedrijf heeft gepacht, en dat dit samenwerkingsverband of deze groep van personen als producent (...) en dus als rechtshebbende op de specifieke referentiehoeveelheid moet worden beschouwd. (...)" 2.8. Naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Herbrink, heeft [A] om heroverweging van de weigering van de toekenning van een definitief melkquotum verzocht. Bij brief van 8 april 1994 heeft de Minister het verzoek afgewezen, waartegen [A] vervolgens beroep heeft ingesteld bij het CBb. Bij uitspraak van 31 augustus 1994 heeft het CBb het beroep gegrond verklaard, in die zin dat is geoordeeld dat de Minister in strijd met het BSD heeft gehandeld door aan de maatschap, die [A] had opgezet samen met [B], geen definitieve SLOM-quota toe te kennen, terwijl de melkproductie door die maatschap was hervat vanaf dan wel met gebruikmaking van (een deel van) het oude SLOM-bedrijf. Het CBb is echter niet teruggekomen van zijn uitgangspunt in eerdere jurisprudentie "(...) dat in beginsel alleen de oorspronkelijke SLOM-deelnemer voor toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid in aanmerking komt, mits deze de melkproductie hervat binnen dezelfde bedrijfsorganisatorische en -economische eenheid als die waarin de produktie plaats vond vóór het aangaan van de SLOM-overeenkomst. (...) " (vergelijk onder 2.5). 2.9. Eiser sub 1 ([eiser sub 1]) heeft, bij wijze van proefprocedure, de Staat aansprakelijk gesteld en schadevergoeding gevorderd in verband met - kort gezegd - het verschaffen van onvoldoende voorlichting omtrent de eisen waaraan de SLOM-boeren moesten voldoen voor omzetting van de toegekende voorlopige referentiehoeveelheid in een definitief quotum, hetgeen volgens [eiser sub 1] strijd opleverde met artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur. Bij vonnis van 20 januari 1999 van deze rechtbank zijn de vorderingen afgewezen. Het vonnis is in hoger beroep bekrachtigd door het gerechtshof 's-Gravenhage bij arrest van 17 februari 2000. Bij arrest van de Hoge Raad van 8 maart 2002 (JB 2002/111) is het door [eiser sub 1] ingestelde cassatieberoep verworpen. 2.10. Bij brief van 21 mei 1997 heeft de toenmalige advocaat van de Stichting SLOM, mr. Bronkhorst, namens de in de bijlage bij die brief genoemde melkveehouders, de toenmalige Minister aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade. In die brief is, onder meer, het volgende opgenomen: "(...) Door niet op voorhand, althans niet op zijn laatst bij de toekenning van een voorlopige referentiehoeveelheid expliciet de verplichting duidelijk te maken, c.q. de informatie te verschaffen dat deze diende te worden geproduceerd binnen dezelfde bedrijfsorganisatorische en -economische eenheid en te eisen dat voor eigen rekening en risico diende te worden gehandeld in de zin zoals nadien door U aan deze begrippen zijn gegeven, althans door op dit punt niet de juiste interpretatie te verschaffen, heeft de Staat der Nederlanden (de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) gehandeld in strijd met zijn rechtsplicht. Tengevolge van bovenomschreven onrechtmatig handelen hebben genoemde melkveehouders schade geleden. Conform art. 3bis van verordening (EG) nr 857/84 hebben zij tegenover de bevoegde instanties aangetoond dat zij in staat waren om de aangevraagde referentiehoeveelheid op hun bedrijf te produceren. Na het verkrijgen van de voorlopige referentiehoeveelheid zijn zij overgegaan tot het hervatten van de rechtstreekse verkoop en/of leveringen. Door het plegen van de nodige investeringen hadden zij hun stalruimte en melkinstallaties zonder meer geschikt kunnen maken voor de melkveehouderij. Zij hadden in ieder geval die productie van de hun toegewezen hoeveelheid zo kunnen inrichten dat deze grotendeels op, en met middelen toebehorend aan hun oorspronkelijke SLOM-bedrijf zou zijn geschied in de zin naderhand geëist. Door het gebrek aan deugdelijke regelgeving c.q. informatie van de kant van de Staat is hen [de SLOM-boeren, toevoeging rechtbank] de kans ontnomen om middels de toewijzing van het definitief quotum een renderend melkveehouderijbedrijf op te zetten. Daardoor hebben zij aanzienlijke schade geleden. Deze schade wordt door de betrokken melkveehouders nochtans begroot op de bedragen zoals aangegeven staan in de bijlage bij deze brief. (...) Op grond van het bovenstaande verzoek ik u, voor zover nodig sommeer ik u, om deze schadebedragen binnen dertig dagen na ontvangst van deze brief te voldoen (...)". 2.11. Bij brief van 21 mei 1997 heeft de Minister aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.12. Bij brief van 15 mei 2001 aan de Minister heeft mr. Bronkhorst de aansprakelijkstelling als bedoeld onder 2.10 herhaald. Bij brief van 19 oktober 2004 heeft de toenmalige advocaat van [eiser sub 1] c.s., mr. Sluysmans, die aansprakelijkstelling andermaal herhaald. 2.13. Bij brief van 7 oktober 2009 heeft mr. Stehouwer namens eisers de Staat (het Ministerie van Justitie) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van het nalaten van het CBb om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEG. In die brief is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen: "(...) Op grond van voornoemd artikel 3 bis van Verordening (EEG) Nr 857/84 dienden [eiser sub 1] CS de rechtstreekse verkoop en of de levering van melk daadwerkelijk te hervatten. Aangezien het bedrijf van [eiser sub 1] CS vanuit een oogpunt van efficiënte bedrijfsvoering niet zondermeer optimaal geschikt was om de melkveehouderij te hervatten, hebben [eiser sub 1] CS veelal gebruik gemaakt van door derden gehuurde bedrijfsmiddelen zoals een stal of een melkinstallatie. Nadat [eiser sub 1] CS de voorlopige referentiehoeveelheid hadden geproduceerd, is deze niet omgezet in een definitieve hoeveelheid dan wel is de definitieve toegekende referentiehoeveelheid naderhand ingetrokken. Dit hield verband met de omstandigheid dat naar het oordeel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij de regelgeving - kort samengevat - zo diende te worden geïnterpreteerd, dat voor het in aanmerking komen van een definitieve referentiehoeveelheid de voorlopig toegekende referentiehoeveelheid diende te worden geproduceerd op een wijze dat: - de productie hervat werd vanaf het oorspronkelijke SLOM-bedrijf dan wel: - de productie hervat werd vanuit dezelfde bedrijfsorganisatorisch en economische eenheid als waarvan sprake was op het moment van het aangaan van de SLOM-verbintenis. [eiser sub 1] CS hebben bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aangewend (...). Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven heeft de beroepen van [eiser sub 1] CS ongegrond verklaard. Nadien hebben [eiser sub 1] CS (...) de Staat aansprakelijk gesteld, laatstelijk bij schrijven d.d. 19 oktober 2004 (...) en voorzover nodig stellen zij hierbij de Staat alsnog aansprakelijk voor na te melden schade. (...) [eiser sub 1] CS stellen zich nog immer op het standpunt dat aan hen ten onrechte geen (definitief) melkquotum is toegekend, en zij houden de Staat daarvoor aansprakelijk. Meer speciaal stellen [eiser sub 1] CS dat het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in hun zaken heeft nagelaten om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof ter zake van de uitleg van de hierboven aangeduide Europese verordeningen. (...) Als gevolg van deze gang van zaken hebben [eiser sub 1] CS aanzienlijk schade geleden en lijden zij nog steeds schade. (...) bestaat de schade in ieder geval uit: 1. schade als gevolg van het niet hebben kunnen benutten van het melkquotum; 2. schade als gevolg van het mislopen van een Europese schaderegeling voor SLOM-boeren; 3. vermogensschade; 4. rente en gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. Deze brief strekt er in de eerste plaats toe de verjaring van de rechtsvorderingen van [eiser sub 1] e.a. op de Staat te stuiten overeenkomstig artikel 3:317 BW. [eiser sub 1] e.a. maken derhalve nog steeds onverkort aanspraak op schadevergoeding zoals hierboven aangeduid en ik heb opdracht gekregen om de Staat in rechte te betrekken waarbij ik overweeg om - kort samengevat - een verklaring voor recht te vorderen dat de Staat onrechtmatig jegens cliënten heeft gehandeld doordat het College van Beroep voor het Bedrijfsleven in de zaken van cliënten heeft verzuimd prejudiciële vragen te stellen. (...)." 2.14. De Staat heeft elke aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3. Het geschil 3.1. [eiser sub 1] c.s. vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. heeft gehandeld en veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door [eiser sub 1] c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. [eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat de gestelde schade van [eiser sub 1] c.s. is veroorzaakt door het niet-stellen van prejudiciële vragen door het CBb in de individuele zaken van eisers, kortweg: door onrechtmatige rechtspraak van het CBb. [eiser sub 1] c.s. stelt dat het toenmalige Ministerie (naar aanleiding van de uitspraak van het CBb in de zaak [A]) de definitieve melkquota van een aantal eisers heeft ingetrokken, dan wel de voorlopige melkquota van een aantal eisers niet heeft omgezet in een definitief quotum. [eiser sub 1] c.s. heeft toegelicht dat het daarbij ging om gevallen waarin de SLOM-boeren bij het hervatten van de melkproductie (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.