vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/429272 / HA ZA 12-1237 Vonnis in het bevoegdheidsincident van 30 januari 2013 (bij vervroeging) in de zaak van [A], wonende te [land X], eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, advocaat mr. C.A. Gobbens te Breda, tegen [B], wonende te [land Y], gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, advocaat mr. F-N. Grooss te Den Haag. Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 2 oktober 2012, met producties; - de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele onbevoegdheidsexceptie ex artikel 11 Rv van 12 december 2012; - de conclusie van antwoord in incident van 9 januari 2013. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in het incident. 2. Het geschil en de beoordeling daarvan in het bevoegdheidsincident 2.1. [A] vordert in de hoofdzaak - samengevat - veroordeling van [B] tot betaling aan [A] van € 111.223,85 aan hoofdsom en contractuele rente op basis van een tussen hem en [B] gesloten vaststellingsovereenkomst. 2.2. [B] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart op grond van de eerste titel van Rv, omdat er geen sprake is van een uitdrukkelijke domiciliekeuze van [B] ten kantore van zijn advocaat zoals bedoeld in artikel 1:15 BW. 2.3. Vooropgesteld wordt dat de Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) materieel toepasselijk is op grond van de preambule en artikel 1 van deze verordening. 2.4. Op grond van de hoofdregel in artikel 2 lid 1 EEX-Vo dient [B] in beginsel voor het gerecht van zijn woonplaats opgeroepen te worden. Of [B] woonplaats heeft in Nederland, dient naar Nederlands recht te worden beoordeeld. Nu tussen partijen vast staat dat [B] geen woonplaats als bedoeld in artikel 1:10 BW in Nederland heeft en de rechtbank van oordeel is dat [A] niet heeft aangetoond dat [B] een geldige woonplaatskeuze als bedoeld in artikel 1:15 BW heeft gedaan, komt de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toe op basis van de zojuist genoemde hoofdregel. 2.5. Dat laat onverlet dat de Nederlandse rechter bevoegd kan zijn op basis van één van de alternatieve bevoegdheidsregels van de EEX-Vo. In navolging van het arrest van het HvJ EG van 4 maart 1982, NJ 1983, 508 (Effer / Kantner) wordt voor de beantwoording van de bevoegdheidsvraag uitgegaan van de stelling van [A] dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst. De betwisting van [B] van de totstandkoming van een dergelijke overeenkomst komt pas in de hoofdzaak voor de alsdan bevoegde rechter aan de orde. Nu [A] een vaststellingsovereenkomst aan zijn vordering ten grondslag legt, dient de alternatieve bevoegdheid gevonden te worden aan de hand van artikel 5 lid 1 sub a EEX-verordening: alternatief bevoegd is het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De verbintenis die aan de onderhavige eis ten grondslag ligt is de betaling uit hoofde van de door [A] gestelde vaststellingsovereenkomst. 2.6. [A] stelt dat in de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk is bepaald dat de betaling in Nederland moest worden uitgevoerd, omdat is opgenomen dat [B] giraal dient te betalen op de in de vaststellingsovereenkomst genoemde Nederlandse bankrekening van [A] bij de ABN AMRO bank. De rechtbank begrijpt dat hij daarbij doelt op de aanduiding “NL” die is opgenomen in de internationale aanduiding van het in de vaststellingsovereenkomst opgenomen rekeningnummer (IBAN: International Bank Account Number). Daarmee zou de Nederlandse rechter - naar voorlopig oordeel - rechtsmacht toekomen. 2.7. De rechtbank overweegt reeds nu dat haar voorlopig oordeel over het, op de gestelde rechtsbetrekking tussen partijen, toepasselijke recht luidt, dat Nederlands recht van toepassing is. Blijkens de dagvaarding en de conclusie van antwoord is de partijdiscussie gevoerd aan de hand van Nederlands recht, zodat partijen geacht moeten worden voor dit recht te hebben gekozen. In beide genoemde gedingstukken wordt immers verwezen naar wettelijke bepalingen uit het Nederlands recht. 2.8. Voor zover [B] heeft bedoeld een beroep te doen op de nietigheid van de dagvaarding, gaat dit beroep naar voorlopig oordeel van de rechtbank niet op, aangezien hij is verschenen in dit geding en niet aannemelijk is dat hij onredelijk is benadeeld of onredelijk in zijn belangen is geschaad. 3. Bepaling van een comparitie van partijen in het incident en in de hoofdzaak 3.1. De rechtbank ziet aanleiding een comparitie van partijen in het incident en in de hoofdzaak te bevelen. De doelen van die zitting zijn het verkrijgen van nadere feitelijke en juridische inlichtingen, het onderzoeken van de mogelijkheden tot een schikking of een verwijzing naar de mediator, het eventueel geven van voorlopige oordelen over de geschilpunten en/of over de bewijslastverdeling en/of het bepalen van het verdere verloop van de procedure. Instructies voor en informatie over de comparitie van partijen 3.2. De advocaten kunnen zo nodig relevante extra informatie voorafgaand aan de zitting produceren, met een korte toelichting op de relevantie daarvan. 3.3. De advocaten moeten eventuele extra processtukken uiterlijk twee weken voor de comparitiedatum hebben ingezonden per brief aan het CNA-bureau, briefadres Paleis van Justitie, CNA-bureau kamer P2-1415, Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage, met vermelding van de naam van de comparitierechter en de datum en het tijdstip van de zitting, en met gelijktijdige kopie aan de advocaat/advocaten van de wederpartij(en). 3.4. Voor de comparitiezitting is in beginsel anderhalf uur gereserveerd. Partijen en hun advocaten doen er goed aan rekening te houden met enige uitloop. 3.5. Tijdens de comparitie zal de rechter feitelijke vragen stellen aan partijen zelf, onder meer over de voorgeschiedenis van de geschilpunten. Deze vragen kunnen het beste worden beantwoord door degenen die bij die voorgeschiedenis en overige feiten betrokken waren. Partijen doen er daarom verstandig aan om deze betrokkenen mee te nemen naar de zitting. Een partij kan ook een eigen deskundige meenemen naar de comparitie. De rechtbank verzoekt de desbetreffende advocaat om een en ander zo spoedig mogelijk schriftelijk aan het CNA-bureau van de rechtbank en aan de advocaat/advocaten van de wederpartij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.