← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4292

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE Sector Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer 09/748004-09 Datum uitspraak: 1 maart 2013 Tegenspraak De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis1 gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: Yvonne N. [Yvonne Basebya], geboren te [geboorteplaats] (Rwanda) op [geboortedatum] 1947, adres: [adres]. thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam PI] Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 22, 23, 25, 26, 29 en 30 oktober 2012, 1, 2, 12, 15, 16, 26, 27 en 29 november 2012, 6, 7, 11, 14 en 20 december 2012 en 1 maart 2013. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie mrs. H.C.M. van Bruggen, W.N. Ferdinandusse en T. Berger en van hetgeen door de raadslieden van verdachte mrs. V.L. Koppe, T.M.D. Buruma en G.K. Sluiter, advocaten te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht. 1. DE BESCHULDIGING 1. Verdachte staat terecht voor betrokkenheid bij ernstige strafbare feiten die zouden zijn gepleegd in Rwanda in de periode van oktober 1990 tot en met juli 1994. Deze feiten zijn omschreven in de gewijzigde tenlastelegging welke als bijlage I onderdeel uitmaakt van dit vonnis. 2. De beschuldigingen houden kort gezegd het volgende in: 1. Genocide in de woonomgeving Verdachte is in de periode van 22 februari 1994 tot en met 18 juli 1994 betrokken geweest bij genocide in haar woonomgeving (in de secteur Gikondo, gemeente Kicukiro, prefectuur Kigali, te Rwanda). Zij heeft samen met anderen leden van de Tutsi-bevolkingsgroep gedood en/of zwaar lichamelijk en geestelijk letsel toegebracht. Zij deed dit met het oogmerk deze bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen. De mededaders van verdachte hebben daarbij gebruik gemaakt van machetes, andere (traditionele) slag- en steekwapens en vuurwapens. In het bijzonder wordt verdachte betrokkenheid verweten bij genocide op drie momenten: - De moord op [slachtoffer B], [slachtoffer D] en andere Tutsi's en de verkrachting van [slachtoffer E] op of omstreeks 22 februari 1994; - De massamoord op Tutsi's in de Pallottikerk in Gikondo op of omstreeks 9 april 1994; - De moord op [slachtoffer A] op of omstreeks 11 april 1994. Primair wordt de verdachte ervan beschuldigd dat zij (als intellectuele dader) deze genocide tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Subsidiair wordt zij ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 15 april 1994 deze genocide heeft uitgelokt, meer subsidiair hieraan medeplichtig is geweest. Verdachte heeft kruiers van de markt en andere arme jonge mannen, van wie enkele met name genoemd zijn in de tenlastelegging en die tezamen ook wel worden aangeduid als Interahamwe/Impuzamugambi, aangezet tot het plegen van genocide of is hen daarbij behulpzaam geweest. Zij heeft, gebruikmakend van haar gezaghebbende positie in de partij CDR, op bijeenkomsten waar deze jonge mannen aanwezig waren extremistisch anti-Tutsi gedachtegoed uitgedragen. Zij zong daarbij extremistische anti-Tutsi liederen, zoals het lied Tubatsembatsembe en hield de jonge mannen voor dat zij zich dienden te verdedigen tegen de vijand, zijnde de Tutsi-bevolkingsgroep. Zij heeft hun voorgehouden dat alle Tutsi's aanhangers waren van het RPF, bereid waren het RPF te steunen bij zijn militaire opmars en daarom vijanden waren. Daarom moesten zij worden gedood. Op deze manier riep de verdachte op tot geweld tegen Tutsi's. Zij gaf deelnemers aan de bijeenkomsten ook geld, bier en/of eten en voorzag hen van uniformen, militaire training en/of wapens. Ook gaf zij hun aanwijzingen over de verblijfplaatsen van Tutsi's die aangevallen konden worden, hield zij lijsten bij met namen van Tutsi's die vermoord waren of nog vermoord moesten worden en gaf zij de jonge mannen opdracht om alle in de nabijheid wonende Tutsi's te vermoorden of te verkrachten. 2. Poging tot genocide in de woonomgeving Verdachte is in de periode van 22 februari 1994 tot en met 18 juli 1994 betrokken geweest bij pogingen tot genocide op Tutsi's in haar woonomgeving. De tenlastegelegde pogingen betreffen: - Aanvallen op Tutsi's op of omstreeks 22 februari 1994. Toen is een gewapende groep op zoek gegaan naar onder meer de volgende Tutsi's: [getuige 2] (de vrouw van [getuige 1]), [moeder getuige 2], [getuige 8] en [getuige 6] (de vrouw van [slachtoffer F) met de bedoeling hen te doden, zwaar lichamelijk en/of geestelijk letsel toe te brengen of te verkrachten. Dit misdrijf werd niet voltooid omdat de groep deze slachtoffers niet kon vinden of bereiken (door omheiningen of weerstand). - Een zoektocht naar Tutsi's met hetzelfde doel in de periode van 6 april tot 18 juli 1994. Toen ging een gewapende groep naar onder meer de woning van [getuige 1], op zoek naar bij hem ondergedoken Tutsi's, waaronder [slachtoffer F, man van getuige 6], [getuige 5], [getuige 7], [persoon M], [persoon N] en [persoon O]. Ook dit keer bleef het bij een poging. Verdachte wordt er primair van beschuldigd (als intellectuele dader) medepleger te zijn van deze pogingen tot genocide, subsidiair wordt zij ervan beschuldigd deze te hebben uitgelokt danwel daaraan medeplichtig te zijn geweest. De uitlokking danwel medeplichtigheid is op dezelfde wijze tenlastegelegd als in feit 1. Ook de daders zijn dezelfde. Meest subsidiair wordt verdachte onder feit 2 een poging tot uitlokking van (poging tot) genocide verweten. Het gaat wederom om dezelfde daders en dezelfde wijze van uitlokking. 3. De moord op [slachtoffer C] Verdachte wordt primair beschuldigd van medeplegen van moord op [slachtoffer C], de vrouw van [getuige 5], op 22 februari 1994. Verdachte is de intellectuele dader van deze moord, die werd gepleegd door één of meer van de in de feiten 1 en 2 genoemde jonge mannen. Deze hebben [slachtoffer C] gedood met slag- en/of steekwapens. Zij verkeerden abusievelijk in de veronderstelling dat [slachtoffer C] Tutsi was. Dit feit is subsidiair als uitlokking en meer subsidiair als medeplichtigheid tenlastegelegd, op dezelfde wijze als in de feiten 1 en 2. 4. Samenspanning tot genocide Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving met één of meer andere personen heeft samengespannen tot het plegen van genocide op de Tutsi-bevolkingsgroep. Zij heeft met die personen deelgenomen aan bijeenkomsten waar werd opgeroepen tot het doden van Tutsi's en geweld tegen Tutsi's. Daar heeft zij extremistische anti-Tutsi liederen over het uitroeien van Tutsi's (waaronder Tubatsembatsembe) voorgezongen. Ook hield zij namen van gezochte, vermoorde en nog te vermoorden Tutsi's en hun verblijfplaatsen bij, welke informatie zij deelde met die andere personen. Zij besprak met hen de voortgang van het vermoorden van Tutsi's. Op die manier is verdachte met andere personen overeengekomen de Tutsi's als zodanig te vernietigen. 5. Opruiing tot genocide Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving in het openbaar mondeling heeft opgeruid tot genocide. Dit heeft zij gedaan door ten overstaan van een groep mensen, waaronder arme jongeren, kruiers van de markt en/of vrouwen, extremistische anti-Tutsi liederen (voor) te zingen, waaronder liederen over het uitroeien van de Tutsi-bevolkingsgroep en over het gebruik van geweld tegen deze bevolkingsgroep (waaronder Tubatsembatsembe). Ook bracht zij extremistisch anti-Tutsi-gedachtegoed onder hun aandacht en droeg zij uit dat alle Tutsi's moesten worden uitgeroeid. Zij heeft dit gedaan in de directe omgeving van haar woning, zichtbaar en hoorbaar vanaf de openbare weg. 6. Oorlogsmisdrijven (aanranding van de menselijke waardigheid en bedreiging) Verdachte wordt ervan beschuldigd dat zij in de periode van 1 oktober 1990 tot en met 14 april 1994 in haar directe woonomgeving tezamen en in vereniging met anderen oorlogsmisdrijven heeft gepleegd. Dit gebeurde in een niet-internationaal gewapend conflict tussen de strijdkrachten van de Rwandese staat en het Rwandees Patriottisch Front (RPF). Slachtoffers waren personen die niet aan de vijandelijkheden deelnamen. Enkele van hen zijn met name genoemd in de tenlastelegging. Verdachte heeft deze personen in een situatie gebracht waarin zij ernstig in het openbaar werden vernederd en voor hun leven, geestelijk en lichamelijk welzijn en dat van hun naaste familieleden, hebben moeten vrezen. Verdachte en haar mededaders hebben dit gedaan door zichtbaar en/of hoorbaar voor de slachtoffers dreigend wapens te tonen, extremistisch anti-Tutsi gedachtegoed uit te dragen, op te roepen tot geweld tegen Tutsi's en/of handlangers van de vijand (ibyitso), het lied Tubatsembesembe en andere anti-Tutsi liederen voor te zingen en op te roepen Tutsi's en/of ibyitso op te sporen en te doden. 2. RECHTSMACHT EN BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK 1. De rechtbank zal, hoewel partijen hierover geen opmerkingen hebben gemaakt, eerst onderzoeken of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over de feiten zoals deze zijn tenlastegelegd. In de tenlastelegging gaat het immers om feiten gepleegd buiten Nederland, tegen niet-Nederlandse slachtoffers door een verdachte die op dat moment niet de Nederlandse nationaliteit had. 2. Genocide en samenspanning tot genocide waren in de ten laste gelegde periode strafbaar gesteld in respectievelijk artikel 1, eerste en tweede lid 2 van de Uitvoeringswet Genocideverdrag (hierna ook: Uitvoeringswet). Opruiing tot genocide was strafbaar gesteld in artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in samenhang met artikel 1, eerste lid van de Uitvoeringswet. De Nederlandse wetgever had niet voorzien in universele rechtsmacht. De Nederlandse strafwet was ingevolge artikel 5, lid 1 van de Uitvoeringswet wel toepasselijk op Nederlanders die zich buiten Nederland schuldig maakten aan genocide, samenspanning tot genocide en opruiing tot genocide. In artikel 5, lid 2 van de Uitvoeringswet was bovendien bepaald dat vervolging hiervoor ook kon plaatshebben indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander was geworden. Dit is het geval. Verdachte heeft op 7 december 2004 de Nederlandse nationaliteit verkregen.2 3. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de Wet internationale misdrijven (hierna ook: WIM), inwerking getreden op 1 oktober 2003, universele rechtsmacht heeft gevestigd inzake genocide, echter zonder daaraan terugwerkende kracht te verlenen. Sinds een wijziging van deze wet, inwerking getreden op 1 april 2012, is universele rechtsmacht gevestigd inzake genocide welke gepleegd is vanaf 24 oktober 1970. 4. Voor wat betreft de aan verdachte verweten oorlogsmisdrijven bepaalde artikel 3 van de Wet Oorlogsstrafrecht (WOS), inwerking getreden op 10 juli 1952 en geldend tot de invoering van de WIM, dat deze wet voor wat betreft de misdrijven omschreven in artikel 8 van die wet toepasselijk was op 'een ieder'. Ook de WIM kent voor deze misdrijven universele rechtsmacht. 5. Voor de tenlastegelegde moord geldt op grond van artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht naast het vereiste van de Nederlandse nationaliteit ook het vereiste van dubbele strafbaarheid. Ook hier kan vervolging plaatsvinden indien de verdachte eerst na het begaan van het feit Nederlander is geworden. Moord is in Nederland strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. In het Wetboek van Strafrecht van Rwanda zoals dit gold in 1994 was moord strafbaar gesteld in artikel 312. 6. Ingevolge artikel 15 van de WIM is deze rechtbank de bij uitsluiting bevoegde rechter om van de internationale misdrijven als aan verdachte tenlastegelegd kennis te nemen. 3. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE 1. In de ten laste gelegde periode was opruiing tot genocide (feit 5) strafbaar gesteld in artikel 131 Sr in samenhang met artikel 1 van de Uitvoeringswet. De maximumstraf hiervoor was in artikel 131 Sr bepaald op vijf jaren gevangenisstraf. Ingevolge artikel artikel 70 lid 1 sub 3 Sr, verviel het recht tot strafvervolging door verjaring voor misdrijven met deze maximum gevangenisstraf in twaalf jaren. Op 1 oktober 2003 trad de WIM in werking. In deze wet is opruiing tot genocide strafbaar gesteld in artikel 3, lid 2. De maximumstraf werd vijftien jaren gevangenisstraf.3 De WIM bepaalt tevens in artikel 13 dat ook opruiing tot genocide een misdrijf is dat niet verjaart. 2. De rechtbank heeft gelet hierop ter terechtzitting de vraag opgeworpen of dit niet diende te leiden tot een gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ter zake dit feit, omdat het recht op strafvervolging mogelijk was verjaard voor de periode tot 1 oktober 1991. 3. Het openbaar ministerie heeft in reactie hierop betoogd dat de verjaringsregels van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing zijn op opruiing tot genocide en dit ook nooit zijn geweest. In artikel 3 van de Uitvoeringswet is namelijk bepaald dat artikel 70 Sr niet van toepassing is op de misdrijven bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Uitvoeringswet. Hoewel opruiing tot genocide niet in deze artikelen is opgenomen, vraagt het openbaar ministerie de rechtbank artikel 3 van de uitvoeringswet zo te interpreteren dat opruiing tot genocide ook hieronder valt. 4. Het openbaar ministerie heeft hiertoe ten eerste aangevoerd dat opruiing een bijzondere vorm is van uitlokking, waarvoor verjaring in artikel 3 van de Uitvoeringswet wel is uitgesloten. Opruiing en uitlokking zijn even strafwaardig. Daarom moet voor beide hetzelfde verjaringsregime gelden. 5. De rechtbank volgt het openbaar ministerie hierin niet. Opruiing en uitlokking zijn inderdaad aan elkaar verwant omdat beide neerkomen op het een ander bewegen tot het plegen van een strafbaar feit. Echter, uitlokking is een deelnemingsvorm en opruiing is een zelfstandig strafbaar feit. Er is nog een aantal essentiële verschillen: in tegenstelling tot opruiing is van uitlokking alleen sprake als de uitlokker gebruik heeft gemaakt van de in artikel 47 omschreven uitlokkingsmiddelen en als het strafbare feit, of een strafbare poging daartoe, daadwerkelijk is gepleegd. Daarnaast is opruiing, in tegenstelling tot uitlokking, alleen strafbaar indien het in het openbaar gebeurt. Bovendien geldt dat beide wel strafwaardig zijn, maar niet met dezelfde straf bedreigd worden. Het is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet vanzelfsprekend dat voor beide hetzelfde verjaringsregime moet gelden. 6. Ten tweede heeft het openbaar ministerie betoogd dat het een kennelijke omissie van de wetgever is geweest dat opruiing niet onder het bereik van artikel 3 van de Uitvoeringswet is gebracht. In het Genocideverdrag wordt immers geen onderscheid gemaakt tussen opruiing tot genocide, het plegen van genocide, samenspanning tot genocide, poging tot genocide en medeplichtigheid aan genocide. Omdat opruiing tot genocide al strafbaar was op basis van het Wetboek van Strafrecht is voor dit strafbare feit geen speciale regeling getroffen in de Uitvoeringswet. De wetgever heeft dus geen bewuste keuze gemaakt om opruiing buiten het bereik van artikel 3 van de Uitvoeringswet te laten vallen, maar heeft hier niet aan gedacht. 7. Wat het openbaar ministerie hier van de rechtbank vraagt is meer dan het herstel van een kennelijke misslag van de wetgever. Ook de rechtbank heeft geen aanwijzingen gevonden dat de wetgever een bewuste keuze heeft gemaakt om opruiing buiten het bereik van artikel 3 van de Uitvoeringswet te laten vallen. Het lijkt er eerder op dat hier sprake is van een omissie die het gevolg is van een wetssystematisch minder gelukkige keuze opruiing tot genocide strafbaar te stellen in artikel 131 Sr (in samenhang met artikel 1, eerste lid van de Uitvoeringswet). Het is echter niet aan de rechter dit te herstellen, maar aan de wetgever. Inmiddels heeft de wetgever dit bij de invoering van de WIM gedaan. 8. Ten slotte heeft het openbaar ministerie betoogd dat Nederland zijn verdragsrechtelijke en morele plicht verzaakt als opruiing tot genocide niet onder het bereik van artikel 3 van de Uitvoeringswet valt, omdat anders opruiing tot genocide ter uitvoering van een wettelijk voorschrift of ambtelijk bevel gerechtvaardigd zou zijn. 9. Ook dit argument geeft de rechtbank geen reden om in de Uitvoeringswet iets anders te lezen dan wat er staat. Het Genocideverdrag kent geen bepaling welke verjaring van de in dit verdrag beschreven misdrijven verbiedt. Teneinde dit wel te bereiken is in 1974 het Europees Verdrag betreffende de niet-toepasselijkheid van verjaring terzake van misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven gesloten. Dit verdrag trad in Nederland op 27 juni 2003 in werking. Artikel 1 van dit verdrag luidt: Iedere Verdragsluitende Staat verbindt zich ertoe de noodzakelijke maatregelen te nemen om te verzekeren, dat het recht van vervolging van de volgende strafbare feiten of van tenuitvoerlegging van terzake opgelegde straffen niet verjaart, voor zover deze krachtens zijn nationale wetgeving strafbaar zijn: 1. de misdrijven tegen de menselijkheid, omschreven in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, dat op 9 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is aanvaard. De rechtbank stelt vast dat deze verdragsbepaling niet "een ieder kunnen verbinden", maar de Nederlandse staat de verplichting oplegt de nationale wetgeving indien nodig aan te passen. Uit artikel 93 van de Grondwet vloeit daarom voort dat deze bepaling uit dit verdrag niet de Nederlandse strafwet opzij zet. Nederland heeft inmiddels met de invoering van de WIM aan deze verdragsverplichting voldaan. Overigens blijkt uit dit verdrag dat, anders dan het openbaar ministerie heeft betoogd, het Genocideverdrag noch enig ander verdrag verjaring ter zake deze misdrijven uitsloot. 10. Met de verwijzing naar morele verplichtingen doelt het openbaar ministerie mogelijk op een ongeschreven regel van internationaal gewoonterecht die zich verzet tegen het verjaren van misdrijven uit het Genocideverdrag. Ook de rechtbank ziet sterke aanwijzingen die wijzen op het bestaan van een dergelijke regel.4 Uit artikel 94 van de Grondwet vloeit echter voort dat de rechtbank de Nederlandse wet niet mag toetsen aan het internationale gewoonterecht.5 11. De rechtbank komt daarom tot de volgende conclusie. Voor de tenlastegelegde periode van 1 oktober 1990 tot en met 1 oktober 1991 was het recht op strafvordering ter zake feit 5 op 1 oktober 2003 al verjaard. De twaalf jaren waren toen verstreken en er was nog geen daad van vervolging tegen verdachte verricht. Voor dit onderdeel van de tenlastelegging verklaart de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging. 12. Het verlengen van de verjaringstermijn per 1 oktober 2003 heeft niet tot gevolg dat reeds verjaarde misdrijven opnieuw vervolgbaar worden, maar verlengt volgens vaste jurisprudentie wel de nog lopende verjaringstermijn van reeds gepleegde misdrijven (HR 29 januari 2010, LJN BK1998). 13. Voor zover de onder feit 5 tenlastegelegde feiten op 1 oktober 2003 nog niet verjaard waren, is het recht op strafvordering blijven bestaan. Dit is het geval voor de tenlastegelegde periode van 2 oktober 1991 tot en met 15 april 1994. 14. Overigens is niet gebleken van enige omstandigheid die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staat. 4. HET ONDERZOEK Het opsporingsonderzoek 1. In mei 2007 werd het landelijk parket er door het Rwandese openbaar ministerie en mensenrechtenorganisatie African Rights op geattendeerd dat de in Nederland woonachtige echtgenoot van verdachte, [X], zou voorkomen op een lijst van gezochte personen in Rwanda.6 Dit was de aanleiding voor de start van een onderzoek onder de codenaam Vos naar diens mogelijke betrokkenheid bij de Rwandese genocide in 1994. 2. Op 10 december 2007 werd aan de Rwandese autoriteiten verzocht om informatie over [X, man van verdachte].7 De Rwandese autoriteiten hebben aan dit verzoek gevolg gegeven.8 Toegezonden werden onder meer enkele in 2006 tegenover het Rwandese Parquet Général afgelegde verklaringen van getuigen over Basebya.9 Verscheidene getuigen noemden in deze verklaringen verdachte als een leidinggevende in de politieke partij CDR10 (Coalition pour la Défense de la République). 3. Ook zijn documenten verkregen van het Rwanda-tribunaal11, waaronder het zogeheten Cladho-rapport. Dit rapport is in december 1994 opgemaakt door het Cladho (Collectif des Ligues et Associations de Défense des Droits de L'Homme). Het rapport behelst een verslag van een opsporingsonderzoek naar de gebeurtenissen in Rwanda vanaf 6 april 1994. Bij dit rapport is een lijst gevoegd met personen die verdacht worden van deelname aan de genocide. Op deze lijst staan de namen van zowel [X, man van verdachte] als verdachte.12 4. Ook zijn verklaringen verkregen van getuigen die in een Deense strafzaak tegen een genocideverdachte zijn gehoord. Ook daarin stond dat verdachte een rol had gespeeld bij de genocide.13 5. De nationale recherche heeft vervolgens onder meer in Rwanda enkele getuigen gehoord en onderzoek gedaan bij de zogeheten gacaca-rechtbanken.14 Dit onderzoek resulteerde onder meer in het ter beschikking komen van een gacaca-dossier over verdachte.15 6. Het openbaar ministerie heeft op grond van deze informatie het onderzoek Vos uitgebreid naar verdachte. 16 7. De nationale recherche heeft vervolgens nog meer getuigen gehoord, zowel binnen als buiten Rwanda. Ook zijn bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet, waaronder het opnemen van telecommunicatie, internetdata en vertrouwelijke communicatie in de woning van verdachte.17 8. Op 12 mei 2010 verscheen een artikel in de Rwandese krant "The New Times" waarin melding werd gemaakt van onderzoek door een Nederlands team naar [X, man van verdachte] en zijn echtgenote.18 Hierdoor kwam het onderzoek noodgedwongen in een stroomversnelling. Opnieuw werden bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet en op 11 juni 2010 is overgegaan tot een huiszoeking in de woning van verdachte en haar echtgenoot. Daarbij werden onder meer een computer, datadragers, geluid- en beeldmateriaal en documenten in beslag genomen.19 9. Op 21 juni 2010 werd de verdachte in haar woning aangehouden. Zij werd diezelfde dag nog in verzekering gesteld. Vervolgens heeft de rechter-commissaris haar op 24 juni 2010 in bewaring gesteld. 10. De nationale recherche heeft daarna, parallel aan het hierna beschreven onderzoek door de rechter-commissaris, het opsporingsonderzoek voortgezet. Dit onderzoek bestond uit onder meer het horen van getuigen en het analyseren van de inbeslaggenomen gegevens en van documenten die op andere wijze in het kader van het onderzoek ter beschikking waren gekomen. Onderzoek door de rechter-commissaris 11. De rechter-commissaris heeft op 2 juli 2010 op vordering van de officier van justitie een gerechtelijk vooronderzoek geopend.20 Hij heeft op 5 augustus 2010 een regieoverleg gevoerd met de officier van justitie en de raadsman. Daarbij is gesproken over organisatorische zaken, de verzoeken om onderzoek te doen, de schouw en fotografie in Gikondo, parallelle opsporing en de planning.21 12. Op 3 en 4 september 2010 heeft de rechter-commissaris met de officier van justitie en de raadsman van verdachte Kigali bezocht. Deze eerste rogatoire commissie stond in het teken van een schouw in de wijk Gikondo en het maken van foto-opnamen van door de rechter-commissaris en partijen geselecteerde plaatsen in die wijk.22 13. Het gerechtelijk vooronderzoek werd ingevolge artikel 258, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering gesloten met de dagvaarding tegen de verdachte.23 14. De eerste pro forma-zitting vond plaats op 27 september 2010. De rechtbank heeft bij die gelegenheid de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris tot het doen van nader onderzoek, te weten het horen van enkele getuigen, de benoeming van een deskundige, het horen van verdachte en overigens 'ter verrichting van datgene wat de rechter-commissaris in het belang van het onderzoek noodzakelijk acht'. Tijdens alle daarna volgende pro forma- zittingen is (de voorgang van) het onderzoek door de rechter-commissaris besproken. De rechtbank heeft op die zittingen beslissingen genomen over dit onderzoek en steeds de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris met dezelfde 'open terugverwijzing'. 15. De rechter-commissaris heeft ten behoeve van elke pro forma-zitting een proces-verbaal opgemaakt waarin hij alle onderzoekshandelingen in de tussenliggende periode heeft gerelateerd. In totaal zijn dit 11 processen-verbaal. Van alle rogatoire commissies heeft hij in processen-verbaal van bevindingen verslag gedaan van alle relevante vaststellingen en observaties tijdens deze reizen. Er bevinden zich in het dossier 30 processen-verbaal bevindingen van rogatoire commissies. Ook over andere onderzoekshandelingen heeft de rechter-commissaris verslag gedaan in processen-verbaal van bevindingen. 16. De rechter-commissaris heeft in de loop van zijn onderzoek zeer frequent overleg gevoerd met de officier van justitie en de verdediging. 17. De rechter-commissaris heeft verdachte verhoord op 2, 3 en 7 maart 2011 en vervolgens op 13 oktober 2011.24 18. De rechter-commissaris heeft op 19 mei 2011 met instemming van partijen Prof. dr. André Guichaoua, hoogleraar aan de Universiteit Parijs I Panthéon-Sorbonne (Frankrijk) als deskundige benoemd, teneinde te rapporteren over de politieke en historische context van de gebeurtenissen van Rwanda in de periode 1990-1994.25 Na verschijning van zijn rapport zijn daarover schriftelijke vragen gesteld aan de deskundige door de rechtbank, de rechter-commissaris, de verdediging en het openbaar ministerie. De deskundige heeft hierop schriftelijk geantwoord.26 De deskundige is op donderdag 11 oktober 2012 en vrijdag 12 oktober 2012 gehoord door de rechter-commissaris; tijdens dit verhoor zijn uitsluitend vragen gesteld door de verdediging. 19. De rechter-commissaris heeft verder, op verzoek van de verdediging en met instemming van het openbaar ministerie, als deskundige benoemd Prof. dr. Jean de Dieu Karangwa, verbonden aan het Institut National de Langues et Civilisations Orientales (INALCO) in Parijs. Deze deskundige heeft een rapport opgesteld over het gebruik van de woorden "wij" en "ons" in de Kinyarwanda taal. Dit naar aanleiding van een brief uit 2006 van de getuige [getuige 13].27 20. De rechter-commissaris heeft voorts op de voet van artikel 177 van het Wetboek van Strafvordering enkele malen opdracht gegeven aan rechercheurs van de Nationale Recherche voor het doen van onderzoek. 28 21. Het pièce de résistance van het onderzoek van de rechter-commissaris was het horen van getuigen. Vanaf september 2010 tot en met november 2012 heeft hij 70 getuigen gehoord, velen van hen meer dan eens en gedurende vele, lange dagen. De meeste getuigen zijn in het buitenland gehoord; in Rwanda, België, Frankrijk, Zwitserland, Polen, Canada, de Verenigde Staten van Amerika, Zuid-Afrika, Malawi en Kenia.29 De getuigenverhoren door de rechter-commissaris 22. De rechter-commissaris heeft er de voorkeur aan gegeven elke getuige in zijn of haar moedertaal te laten verklaren.30 Bijna alle getuigen zijn daarom in hun moedertaal gehoord met bijstand van een tolk, de meeste in het Kinyarwanda. 23. De rechter-commissaris heeft in de processen-verbaal van verhoor alle mededelingen en vragen van hem, alle vragen van de officier van justitie en de verdediging en alle antwoorden van de getuigen letterlijk weergegeven. Met deze vorm van verbaliseren is een vrijwel 100% getrouwe en woordelijke weergave van de verhoren gerealiseerd .31 32 24. Aan het begin van elk verhoor heeft de rechter-commissaris de volgende uitleg gegeven: Ik ben rechter-commissaris in de rechtbank in Den Haag in Nederland. U bent hier gekomen omdat u wordt gehoord als getuige. Ik wil u graag meer uitleggen over dit verhoor en wat er gaat gebeuren, maar eerst wil ik de andere aanwezigen hier introduceren. Allereerst zit naast mij mijn griffier. Verder is aanwezig de officier van justitie die in Nederland de verdachte, in wiens zaak u gehoord wordt, vervolgd. Dan is ook aanwezig de advocaat van de verdachte, die mevrouw. Deze mijnheer is de tolk, maar dat begreep u natuurlijk. In Nederland is een persoon die zich voor de rechter moet verantwoorden voor misdrijven die gepleegd zijn voor en tijdens de genocide in 1994 in Kigali, Rwanda. Deze persoon is in Nederland gearresteerd door de politie en zit nu in het huis van bewaring in afwachting van berechting. Deze persoon wordt door de officier van justitie vervolgd omdat de officier van justitie haar verdenkt van betrokkenheid bij de genocide in Rwanda in 1994. Maar de persoon ontkent en de advocaat verdedigt deze persoon. De rechtbank in Den Haag moet uiteindelijk in deze strafzaak oordelen of deze persoon schuldig is of niet. Ter voorbereiding op de rechtszaak moet er onderzoek worden gedaan, vooral het horen van getuigen en u bent daar één van. Onder het recht van Nederland worden getuigen in een strafzaak als regel gehoord door de rechter-commissaris en niet ter zitting van de rechters van de rechtbank. Ik ben niet betrokken bij de berechting van de verdachte, ik doe alleen onderzoek. Ik mag ook getuigen horen in het buitenland als de autoriteiten van een land daarmee instemmen zoals hier in Rwanda. Bij verhoren van getuigen leid ik als rechter-commissaris het verhoor. Ik ga u vragen stellen. Maar de officier van justitie en ook de advocaat krijgen de gelegenheid om vragen te stellen. Alles wat er gezegd wordt en dus ook alles wat u verklaart, wordt door mijn griffier woordelijk opgeschreven in een proces-verbaal van verhoor. Onze werkwijze is verder dat aan het einde van het verhoor aan u wordt voorgelezen wat als uw verklaring is opgeschreven. Dat wil zeggen: alle vragen en alle antwoorden. U kunt dan fouten in het antwoord corrigeren. Als u na het voorlezen van alle tekst instemt vraag ik u de verklaring te ondertekenen. Ik onderteken ook het proces-verbaal evenals mijn griffier en de tolk. Dat proces-verbaal neem ik mee en gaat in het dossier in Nederland. De rechters in Nederland lezen dat en voor de rechters in Nederland betekent dat zij erop vertrouwen dat alles wat op papier staat zo gezegd is. Dit verhoor vindt plaats met behulp van een tolk. Ik vraag aan een getuige altijd om te verklaren in zijn moedertaal, de taal die hij als kind van zijn ouders heeft geleerd. De taal in het proces-verbaal is het Nederlands omdat dat de taal is die de rechters in Nederland gebruiken. Ik beëdig ook de tolk en dat ga ik nu eerst doen. Als u de tolk toch niet goed begrijpt of u begrijpt mijn vraag niet, wilt u mij dat dan zeggen, dan stel ik de vraag opnieuw. Ik heb u uitgelegd dat u een getuige bent. Als getuige moet u de waarheid verklaren, dat is in Nederland zo, maar ook in Rwanda. De waarheid zijn de dingen die in werkelijk echt zijn gebeurd. Alles wat u verklaart moet echt gebeurd zijn. Ik vraag u om te verklaren wat u zelf hebt meegemaakt: de dingen die u zelf heeft gezien, zelf heeft gevoeld of zelf heeft gehoord. Het kan ook zijn dat u dingen weet omdat mensen u dat later hebben verteld. Dat is ook belangrijk maar wilt u mij dan zeggen dat u het van anderen heeft gehoord en van wie? Begrijpt u het onderscheid tussen wat u zelf heeft gezien en meegemaakt en wat u van anderen heeft gehoord? Ik vraag u te verklaren over iets wat meer dan 17 jaar geleden is gebeurd. U wordt ook gevraagd te verklaren over wat u zich herinnert en dan wordt er ook gevraagd naar details: data, tijdstippen, plaatsen, namen etc. Misschien weet u die dingen nog, maar misschien bent u ze ook vergeten. Ik wil u vragen of u tegen mij eerlijk wil verklaren als u zich dingen niet herinnert. U kunt dan zeggen: "Dat weet ik niet" of "Dat herinner ik me niet". Dat is namelijk helemaal niet erg. Maar ik wil niet dat u mij dingen verklaart die u zich eigenlijk helemaal zelf niet meer herinnert. Heeft u mijn uitleg begrepen en wilt u er iets over zeggen of vragen? 25. De rechter-commissaris heeft elke getuige beëdigd. Tijdens één van de verhoren is discussie ontstaan over de betekenis hiervan, aangezien het voor de Nederlandse justitiële autoriteiten door het ontbreken van rechtsmacht niet mogelijk zou zijn een getuige wegens meineed te vervolgen. De rechter-commissaris heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de eed een symbolische en geen juridische waarde heeft. Hij heeft als daartoe aanleiding bestond getuigen onder verwijzing naar de eed aangemaand naar waarheid te verklaren.33 26. De rechter-commissaris heeft de getuigen volgens een vast stramien gehoord. Na de hierboven weergegeven introductie heeft hij vragen gesteld over de getuige zelf en daarna over de gebeurtenissen in Rwanda. Daarbij zijn steeds voor zover de getuige hierover kon verklaren achtereenvolgens vragen gesteld over eerst de periode 1990-1994 in het algemeen, vervolgens de gebeurtenissen op 22 februari 1994 en daarna de periode na 6 april 1994. 27. Bij verhoren van 'slachtoffergetuigen' bestond de mogelijkheid voor bijstand door een psycholoog/psychiater. In Rwanda was dit een psycholoog/psychiater van Rwandese afkomst. Deze had, indien zijn hulp werd ingeroepen, zowel voor als na het verhoor een gesprek met de getuige. De rechter-commissaris sprak zelf met de psycholoog/psychiater na diens eerste gesprek met de getuige. Op deze wijze werd hij voor het verhoor van de getuige geïnformeerd over diens psychische gesteldheid. In voorkomende gevallen kon de psycholoog/psychiater getuigen na het verhoor doorverwijzen naar lokale hulpverlenende instanties. De psycholoog/psychiater is door de rechter-commissaris betaald.34 28. Bij twee getuigen35 is een voorgenomen vervolgverhoor niet doorgegaan vanwege de mogelijke consequenties daarvan voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van deze getuigen. De rechter-commissaris heeft hiertoe besloten nadat hij zelf buiten aanwezigheid van partijen een gesprek had gevoerd met de betreffende getuige en zich had laten adviseren door een psychiater/psycholoog.36 29. De rechter-commissaris heeft aan elk van de niet-gedetineerde getuigen een onkostenvergoeding aangeboden voor elke dag dat de getuige niet thuis is geweest in verband met het verhoor. In Rwanda ging het meestal om een bedrag van 5.000 Rwandese Francs (Rwf) per dag. Dit staat gelijk aan ongeveer € 7,00.37 In enkele gevallen is een hogere onkostenvergoeding toegekend wegens inkomensderving. In die gevallen ging het om Rwf. 15.000 per dag, welk bedrag overeenkomt met de dagelijkse onkostenvergoeding die door de Verenigde Naties aan lokaal personeel wordt gegeven.38 De rechter-commissaris heeft telkens uitgelegd dat de vergoeding niet van de Rwandese autoriteiten afkomstig was, maar van hem. Sommige getuigen voelden zich, aldus de rechter-commissaris, ongemakkelijk bij zijn aanbod. Een aantal getuigen heeft de onkostenvergoeding geweigerd.39 30. Tijdens de verhoren hebben zowel de officier van justitie als de verdediging regelmatig bezwaar aangetekend tegen elkaars vragen. Dit betrof zowel het soort vragen als de wijze waarop deze werden geformuleerd. De rechter-commissaris heeft hiervan steeds verslag gedaan in zijn proces-verbaal van bevindingen. Hij heeft zich in de discussies hierover steeds op het standpunt gesteld dat hij partijen hierin zo veel mogelijk ruimte wilde laten, en alleen zou ingrijpen indien vragen naar zijn oordeel te leidend of misleidend waren.40 Ook heeft hij de verdediging enkele keren gewezen op de beperkte tijd die voor de verhoren beschikbaar was. 31. Tijdens één van de verhoren heeft de verdediging bezwaar gemaakt tegen een vraag van de officier van justitie aan een getuige over diens contact met de verdediging voor het verhoor. De rechter-commissaris heeft beslist dat de vraag van de officier van justitie was toegestaan, met de beperking dat deze slechts betrekking mocht hebben op de periode nadat de getuige door de rechtbank was toegewezen.41 Bij een volgende gelegenheid heeft hij daaraan toegevoegd dat hij geen opdracht kan geven aan partijen om bepaalde dingen te doen of niet te doen, maar dat hun handelen begrensd wordt door wat de wet en jurisprudentie bepalen over het afleggen van verklaringen door getuigen en dat hij er vanuit gaat dat partijen getuigen niet beïnvloeden voor of na hun verhoor of die getuigen coachen.42 32. Tijdens de pro forma-zitting van 17 januari 2012 heeft de verdediging de rechtbank verzocht in een instructie aan de rechter-commissaris aan te geven wat de ruimte voor de verdediging is om vragen te stellen. De rechtbank heeft overwogen dat zij om principiële en praktische redenen geen algemene instructie geeft aan de rechter-commissaris aangaande de wijze waarop hij leiding geeft aan de getuigenverhoren, nog ervan afgezien dat de verdediging niet concreet had aangegeven hoe een dergelijke instructie zou moeten luiden. 33. Het openbaar ministerie heeft in het requisitoir stilgestaan bij de in zijn ogen vaak onaanvaardbaar lange duur van enkele verhoren. Ook zijn enkele getuigen volgens het openbaar ministerie te lang eerst ondervraagd over perifere details en zijn vragen aan getuigen gesteld die voor een deskundige bestemd zijn. In een aantal gevallen is het draagvermogen van getuigen overschreden. 34. De rechtbank onderschrijft dat de verhoren hoe dan ook zeer zwaar zijn geweest voor de getuigen. Zij werden gevraagd terug te keren naar afschuwelijke gebeurtenissen, die ongeveer twintig jaar geleden hadden plaatsgevonden. Ook deelt de rechtbank de constatering dat de verhoren lang hebben geduurd en intensief zijn geweest voor de getuigen. De rechtbank onderkent dat dit risico's van overbelasting voor de getuigen met zich meebrengt. Anderzijds heeft de verdediging in een zaak waarin het bewijs bijna uitsluitend gevonden kan worden in verklaringen van getuigen er een groot belang bij de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) deze getuigen te toetsen. Gelet op de aard van de beschuldiging was het bovendien onvermijdelijk dat vragen werden gesteld die niet rechtstreeks zagen op de aan verdachte tenlastegelegde feiten, maar betrekking hadden op de (politieke) context daarvan. De rechter-commissaris heeft voorts in een enkel geval zelf aanleiding gezien een verhoor niet verder te vervolgen vanwege de mogelijk nadelige gevolgen daarvan voor de lichamelijke of geestelijke gezondheid van de getuige. Tenslotte heeft de rechtbank, vanwege de nauwkeurige verslaglegging van de verhoren, kunnen lezen wanneer een verhoor moeizaam verliep of wanneer een getuige het verhoor als zwaar ervoer, hetgeen van invloed kan zijn op de bewijswaardering. 35. Tijdens één van de verhoren in Rwanda heeft de verdediging, na telefonisch contact met verdachte, een verzoek gedaan tot wraking van de rechter-commissaris. De wrakingskamer heeft dit verzoek ongegrond verklaard. 43 Twee andere verhoren in Rwanda zijn op verzoek van de raadsman enkele uren onderbroken geweest omdat de raadsman zich wilde beraden over het al dan niet indienen van een wrakingsverzoek.44 Pro forma-zittingen 36. Pro forma-zittingen vonden plaats op 27 september 2010, 14 december 2010, 9 maart 2011, 1 juni 2011, 24 augustus 2011, 17 november 2011, 17 januari 2012, 2 maart 2012, 30 maart 2012, 18 juni 2012, 23 juli 2012 en 13 september 2012. 37. Tijdens de zitting van 27 september 2010 kreeg verdachte bijstand van een tolk Kinyarwanda. In de daarop volgende zittingen is op verzoek van de verdediging gebruik gemaakt van de diensten van tolken Frans. Vanaf de zitting op 24 augustus 2011 werd simultaan vertaald via een tolkencabine. 38. Ter zitting van 23 juli 2012 heeft de verdediging het verzoek gedaan om tijdens de inhoudelijke behandeling gebruik te maken van zowel een tolk Frans als een tolk Kinyarwanda, omdat verdachte dan beter in staat zou zijn de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Het openbaar ministerie heeft ter zitting van 13 september 2012 geconcludeerd tot afwijzing van dit verzoek. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging op die zitting toegewezen met de volgende motivering: Ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de tolken stelt de rechtbank voorop dat gelet op verdragen, wet en jurisprudentie een verdachte niet het recht heeft in zijn/haar eigen taal te worden gehoord. Uiteraard dient dit wel te gebeuren in een taal die hij/zij goed begrijpt. De verdediging heeft tot nu toe uitdrukkelijk ervoor gekozen geen gebruik te maken van een tolk Kinyarwanda, maar van een tolk Frans, daartoe stellend dat verdachte in die taal het beste uit de voeten kan. De rechtbank stelt vast dat de raadsman nagelaten heeft aan te geven op grond waarvan sprake is van voortschrijdend inzicht dat deze lijn zou moeten worden verlaten. Niettemin zal de rechtbank verdachte tegemoetkomen in haar wens in haar moedertaal te antwoorden op de aan haar ter zitting te stellen vragen. Dit betekent dat de vragen aan verdachte gesteld zullen worden door tussenkomst van een tolk in de Franse taal en dat verdachte de gelegenheid krijgt om in het Kinyarwanda te antwoorden. Indien dit evenwel stuit op praktische bezwaren vormt dit, gelet op het hiervoor overwogene, geen reden om de zaak niet voort te zetten. In dat geval zal uitsluitend gebruik worden gemaakt van een tolk Frans. 39. De verdediging heeft ter zitting van 14 december 2010 gevraagd om een eigen onderzoeksbudget van € 15.000,00. De rechtbank heeft ter zitting van 9 maart 2011 de verdediging gewezen op de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en artikel 16 van de Wet Tarieven in Strafzaken. De griffier van de rechtbank heeft op 24 mei 2011 een voorschot van € 15.000,00 voor onderzoekskosten toegewezen. 40. De rechtbank heeft ter zitting van 17 januari 2012 onder meer beslist op verzoeken van de verdediging tot het horen van getuigen door de rechter-commissaris. Enkele verzoeken zijn afgewezen. Op 28 februari 2012 - vlak voor de daaropvolgende zitting - ontving de rechtbank een brief van de verdediging waarin zij liet weten dat de verdediging naar aanleiding van de afwijzende beslissingen d.d. 17 januari 2012 haar vertrouwen in de rechtbank had verloren. Volgens de raadsman had de rechtbank zich reeds een oordeel gevormd over de schuld van verdachte, was een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten onafwendbaar en stond ook de strafmaat - een levenslange gevangenisstraf - al vast. Niettemin werd, aldus de brief, van een verzoek tot wraking afgezien omdat dit kansloos zou zijn. In de brief werd tevens verzocht tot het horen van 41 getuigen. 41. De rechtbank heeft ter zitting van 2 maart 2010 volstaan met de reactie dat zij in deze zaak doet wat zij altijd doet: in een eerlijk proces zorgvuldig onderzoeken of de beschuldigingen die tegen een verdachte zijn ingebracht wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. 42. Ter zitting van 30 maart 2012 heeft de rechtbank, nadat het openbaar ministerie de gelegenheid had gehad daarop te reageren, beslist op de bij brief d.d. 28 februari 2012 gedane verzoeken. De rechtbank heeft voorafgaande aan de motivering ten aanzien van elk verzoek afzonderlijk de volgende algemene opmerking gemaakt naar aanleiding daarvan: De verzoeken van de raadsman zijn blijkens zijn brief van 28 februari 2012 ingegeven door wantrouwen in de rechtbank. De rechtbank stelt voorop dat wantrouwen jegens haar geen door de wet of de jurisprudentie erkende grond is voor enige door haar in deze zaak te nemen beslissing. In zijn fax van 29 maart 2012 schrijft de raadsman dat een mogelijk herstel van zijn vertrouwen in de rechtbank (mede) afhangt van de beslissingen die de rechtbank op zijn verzoeken neemt. Vanzelfsprekend is dit voor de rechtbank geen leidraad. Ter zitting van 17 november 2011 kondigde de raadsman aan dat hij nog om ongeveer drie getuigen zou verzoeken. Inmiddels leidt zijn misplaatste wantrouwen in de rechtbank tot een verzoek om een zeer groot aantal getuigen te horen. De raadsman schrijft in zijn brief van 28 februari 2012 dat hij zich realiseert dat honorering van de door hem gedane verzoeken tot consequentie heeft dat de inhoudelijke behandeling niet eerder zal kunnen plaatsvinden dan in september of oktober dit jaar. Deze inschatting getuigt van een totaal gebrek aan realiteitszin. De rechter-commissaris heeft vanaf 5 september 2010 tot heden 53 getuigen gehoord; de verhoren van 49 van hen zijn afgerond. Honorering van alle verzoeken van de raadsman zou betekenen dat inhoudelijke behandeling op zijn vroegst in het najaar van 2013 zou kunnen plaatsvinden. 43. De verdediging heeft ter zitting van 17 januari 2012 verzocht zes getuigen ter zitting te horen, te weten vier getuigen à decharge en twee getuigen à charge. In haar hierboven genoemde brief van 28 februari 2012 heeft de verdediging verzocht vijftien getuigen ter zitting te horen. Ter zitting van 23 juli 2012 heeft de verdediging haar verzoek wederom aangepast. Verzocht werd om tien getuigen, vijf belastende en vijf niet-belastende, op zitting te horen. Het openbaar ministerie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van deze verzoeken. De rechtbank heeft op deze zitting vooropgesteld dat het Nederlandse strafprocesrecht van toepassing is en dat het verzoek beoordeeld dient te worden naar de Nederlandse normen en de normen van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verhoren van de getuigen door de rechter-commissaris zeer uitvoerig waren geweest, dat de rechter-commissaris op zeer zorgvuldige wijze daarvan verslag had gedaan en dat er niet of nauwelijks vragen waren belet. Op grond daarvan heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen verdedigingsbelang aanwezig was bij het horen van de getuigen ter zitting. Van een zuiver ambtshalve noodzaak getuigen ter zitting te horen was niet gebleken. 44. De verdediging heeft vele malen verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen dan wel te schorsen. Het openbaar ministerie heeft zich daartegen steeds verzet. De rechtbank heeft bij elke gelegenheid bevestigd dat er sprake was van ernstige bezwaren en gronden voor (voortduring van) de voorlopige hechtenis. Op 18 juni 2012 - twee jaren na de aanhouding van de verdachte - heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met name de lange duur van het voorarrest. De schorsing werd verleend tot 22 oktober 2012, het op dat moment voorziene begin van de inhoudelijke behandeling. Aan de schorsing waren de gebruikelijke voorwaarden verbonden alsmede de voorwaarde van afgifte door verdachte van haar reisdocumenten en wekelijkse melding bij de politie van haar woonplaats. Inhoudelijke behandeling van de zaak 45. De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden op 22, 23, 25, 26, 29 en 30 oktober 2012, 1, 2, 12, 15, 16, 26, 27 en 29 november 2012, 6, 7, 11, 14 en 20 december 2012. Op 1 maart 2013 werd het onderzoek formeel gesloten. 46. Bij het begin van de inhoudelijke behandeling heeft de verdediging betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard omdat het had nagelaten een vonnis van de rechtbank in eerste aanleg in Kigali d.d. 8 augustus 2003 tijdig aan het strafdossier toe te voegen. Het openbaar ministerie had hierdoor, aldus de verdediging, de goede procesorde geschonden en de belangen van verdachte onherstelbaar geschaad. 47. De rechtbank heeft dit verweer ongegrond verklaard. Zij is tot het oordeel gekomen dat het handelen van het openbaar ministerie in deze niet in strijd was met beginselen van een goede procesorde en dat de belangen van verdachte niet onherstelbaar waren geschaad. 48. De verdediging heeft op 23 oktober 2012 aan de rechtbank diverse onderzoekswensen kenbaar gemaakt. Daarbij ging het om (deels herhaalde) verzoeken tot het doen horen door de rechter-commissaris van de getuige [getuige 14], alsmede het horen van vijf getuigen -twee belastend en drie ontlastend- en de deskundige Guichaoua ter zitting. De rechtbank heeft op 25 oktober 2012 hierop beslist. 49. De rechtbank besliste afwijzend op het verzoek de deskundige Guichaoua ter zitting te horen. De rechtbank constateerde dat de verdediging alle ruimte had gehad om, na de schriftelijke vragenronde, bij de rechter-commissaris vragen te stellen aan de deskundige en er bij die gelegenheid voor had gekozen geen enkele vraag te stellen omtrent de onderwerpen waarover zij de deskundige op zitting zou willen bevragen. 50. Ten aanzien van de getuigen ter zitting heeft de rechtbank beslist dat [getuige 6] ter zitting zal worden gehoord. De rechtbank onderkende de 'meerwaarde' uit het oogpunt van waarheidsvinding van het horen van deze getuige, die zeer belastend voor verdachte heeft verklaard, ter zitting. Voor wat betreft de getuige [getuige 1], die eveneens zeer belastend voor de verdachte verklaard heeft, overwoog de rechtbank dat zijn gezondheidstoestand aan diens verhoor ter zitting in de weg stond. Wel werd de rechter-commissaris nogmaals gevraagd in overleg met de Zwitserse autoriteiten te bezien of het mogelijk was het in januari 2012 afgebroken verhoor van deze getuige alsnog voort te zetten. De verzoeken tot het horen van de overige getuigen werden afgewezen. [getuige 6] is op 15 en 16 november 2012 ter zitting gehoord. [getuige 1] is op 23 november 2012 door de rechter-commissaris gehoord middels videoconferentie. 51. De rechtbank besliste gemotiveerd afwijzend op het verzoek tot het doen horen van [getuige 14]. De verdediging heeft de rechtbank vervolgens verzocht haar beslissing te heroverwegen. Nadat de rechtbank wederom en (nog) uitvoeriger gemotiveerd had meegedeeld bij haar afwijzende beslissing te blijven, heeft de verdediging de rechtbank gewraakt. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek afgewezen. 52. Verdachte heeft op 23 oktober 2012 op vragen van de rechtbank geantwoord. Zij deed dit in het Frans. Ter zitting van 26 oktober 2012 heeft zij echter meegedeeld vanaf dat moment gebruik te maken van haar zwijgrecht. Op de vraag van de voorzitter naar de reden van haar gewijzigde proceshouding heeft zij geantwoord dat de beslissing van de rechtbank van 25 oktober 2012 de aanleiding daarvoor was. 53. De rechtbank heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis verlengd tot 20 december 2012, de op dat moment geplande datum voor het laatste woord. Vermelding verdient nog dat het openbaar ministerie ter zitting van 1 november 2012 de opheffing van de schorsing had gevorderd omdat verdachte op 23 oktober 2012 een interview had gegeven aan de NOS-televisie. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen maar wel als extra voorwaarde aan de schorsing verbonden dat verdachte zich diende te onthouden van enige uitlating over haar strafzaak tegenover de media. De verdediging heeft op 20 december 2012 verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte te laten voortduren tot de datum van het vonnis. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat er inmiddels duidelijkheid voor verdachte was wanneer de rechtbank vonnis zou wijzen. 54. [getuige 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd. Zij heeft een vordering tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het onder feiten 2 en 6 tenlastegelegde ingediend. De benadeelde partij is ter zitting verschenen om haar vordering toe te lichten en is bijgestaan door haar raadsman mr. F.P. Holthuis. [getuige 6] heeft tevens als slachtoffer van deze feiten gebruik gemaakt van het spreekrecht. 5. RWANDA Inleiding 1. De beschuldigingen tegen verdachte en de beslissingen van de rechtbank daarover kunnen niet begrepen worden zonder kennis van de politieke situatie in Rwanda in de periode van 1 oktober 1990 tot medio juli 1994. De rechtbank zal in dit hoofdstuk daarom een korte uiteenzetting daarvan geven. Zij baseert zich hierbij op zowel publiek toegankelijke bronnen, welke als geschriften onderdeel uitmaken van het strafdossier, als op een rapport van de in deze strafzaak benoemde deskundige Guichaoua45 en diens beantwoording van naar aanleiding daarvan aan hem gestelde vragen.46 De rechtbank beperkt zich hierbij tot wat onmisbaar is voor een goede waardering van de (context van

  1. de)aan verdachte tenlastegelegde feiten. Periode tot 1 oktober 1990 2. In haar eerste vonnis (in de zaak Akayesu) heeft de Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal een gedetailleerde uiteenzetting gegeven van de geschiedenis van Rwanda.47 De rechtbank citeert hieronder (delen van) paragrafen uit dit vonnis over de koloniale periode en het dekolonisatieproces, toegespitst op de verhouding tussen de verschillende bevolkingsgroepen. "80. Prior to and during colonial rule, first, under Germany, from about 1897, and then under Belgium which, after driving out Germany in 1917, was given a mandate by the League of Nations to administer it, Rwanda was a complex and an advanced monarchy. The monarch ruled the country through his official representatives drawn from the Tutsi nobility. Thus, there emerged a highly sophisticated political culture which enabled the king to communicate with the people. 81. Rwanda then, admittedly, had some eighteen clans defined primarily along lines of kinship. The terms Hutu and Tutsi were already in use but referred to individuals rather than to groups. In those days, the distinction between the Hutu and Tutsi was based on lineage rather than ethnicity. Indeed, the demarcation line was blurred: one could move from one status to another, as one became rich or poor, or even through marriage. 82. Both German and Belgian colonial authorities, if only at the outset as far as the latter are concerned, relied on an elite essentially composed of people who referred to themselves as Tutsi's, a choice which, according to Dr. Alison Desforges, was born of racial or even racist considerations. In the minds of the colonizers, the Tutsi looked more like them, because of their height and colour, and were, therefore, more intelligent and better equipped to govern. 83. In the early 1930s, Belgian authorities introduced a permanent distinction by dividing the population into three groups which they called ethnic groups, with the Hutu representing about 84% of the population, while the Tutsi (about 15%) and Twa (about 1%) accounted for the rest. In line with this division, it became mandatory for every Rwandan to carry an identity card mentioning his or her ethnicity. The Chamber notes that the reference to ethnic background on identity cards was maintained, even after Rwanda's independence and was, at last, abolished only after the tragic events the country experienced in 1994. 85. From the late 1940s, at the dawn of the decolonization process, the Tutsi became aware of the benefits they could derive from the privileged status conferred on them by the Belgian colonizers and the Catholic church. They then attempted to free themselves somehow from Belgian political stewardship and to emancipate the Rwandan society from the grip of the Catholic church. The desire for independence shown by the Tutsi elite certainly caused both the Belgians and the church to shift their alliances from the Tutsi to the Hutu, a shift rendered more radical by the change in the church's philosophy after the second world war, with the arrival of young priests from a more democratic and egalitarian trend of Christianity, who sought to develop political awareness among the Tutsi-dominated Hutu majority. 87. In 1956, in accordance with the directives of the United Nations Trusteeship Council, Belgium organized elections on the basis of universal suffrage in order to choose new members of local organs, such as the grassroots representative Councils. With the electorate voting on strictly ethnic lines, the Hutu of course obtained an overwhelming majority and thereby became aware of their political strength. The Tutsi, who were hoping to achieve independence while still holding the reins of power, came to the realization that universal suffrage meant the end of their supremacy; hence, confrontation with the Hutu became inevitable. 88. Around 1957, the first political parties were formed and, as could be expected, they were ethnically rather than ideologically based. (...)" 3. In november 1959 liepen de politieke spanningen hoog op en kwam het tot een eerste uitbarsting van etnisch geweld. Honderden Tutsi's vonden de dood en vele duizenden Tutsi's zochten hun toevlucht in de omringende landen. De ongeregeldheden resulteerden in het einde van de Tutsi-monarchie en de proclamatie van de (Eerste) Republiek door Grégoire Kayibanda, leider van de Mouvement Démocratique Républicain Parmehutu (hierna: MDR Parmehutu), de verreweg grootste politieke partij, die zichzelf (letterlijk) definieerde als een beweging exclusief van en voor Hutu's. Op 1 juli 1962 werd Rwanda officieel onafhankelijk. Kayibanda werd president. 4. Ook de beginjaren van deze Eerste Republiek werden gekenmerkt door etnisch geweld. De slachtoffers waren voornamelijk Tutsi's. Het MDR Parmehutu-regime stelde overheersing door de Hutu's, het "meerderheidsvolk" (rubanda nyamwinshi) dat immers 85% van de bevolking uitmaakte, gelijk aan democratie en predikte een agressieve en exclusieve Hutu-solidariteit.48 In deze jaren werden door Tutsi-vluchtelingen regelmatig op kleine schaal guerrilla-aanvallen uitgevoerd in Rwanda. Dit leidde steeds tot vergeldingsacties tegen de Tutsi-bevolking, veelal aangemoedigd door de autoriteiten en/of uitgevoerd door Rwandese legereenheden. Dit geweld dreef opnieuw duizenden Tutsi's in ballingschap. In deze cyclus van geweld, vlucht en gewapende invallen werden in de jaren 1961-1967 ongeveer 20.000 Tutsi's vermoord en vluchtten ongeveer 300.000 Tutsi's naar de omringende landen. Uit deze periode stamt het gebruik onder Hutu's de Tutsi's-invallers "inyenzi", kakkerlakken, te noemen.49 Ook in deze tijd begonnen Hutu-autoriteiten de in Rwanda woonachtige Tutsi's ervan te beschuldigen dat zij handlangers ("ibyitso") van deze invallers waren.50 In 1972-1973 volgde opnieuw een periode van hevig etnisch geweld tegen Tutsi's en de vlucht van weer grote aantallen van hen naar de omringende landen.51 5. Deze - en ook de latere - ontwikkelingen in Rwanda kunnen niet los worden gezien van die in buurland Burundi, in de woorden van het OAU-rapport: "Its partner on a deadly seesaw".52 Ook Burundi had een koloniaal bestuur gekend van eerst Duitsland en later België. Ook in Burundi bestond de bevolking voor ongeveer 85% uit Hutu's en 15 % uit Tutsi's. En ook Burundi werd in 1962 onafhankelijk.53 Anders echter dan in Rwanda bleef in Burundi de Tutsi-minderheid aan de macht. Bij steeds terugkerende uitbarstingen van etnisch geweld vielen honderdduizenden slachtoffers. Het OAU-rapport vat de ontwikkelingen in Burundi als volgt samen: "Since 1962, Burundi's Tutsi minority has dominated successive governments, the army and other security forces, the judiciary, the educational system, the news media, and the business world. In Rwanda, such domination was seen to legitimize the country's own rigid quota system. In Burundi, it has led to a state of almost permanent conflict. The decades-long struggle for power between the elites of the two groups has led to the deaths of hundreds of thousands of Burundians, most of them civilians. Repeated Hutu challenges to Tutsi domination have been followed each time by vicious reprisals by the Tutsi army and police against Hutu civilians that were invariably disproportionate to the original provocation. In the years between independence and the genocide in Rwanda, no fewer than seven giant waves of killings occurred in Burundi: in 1965, 1969, 1972, 1988, 1991, 1992, and 1993."54 En over de wisselwerking tussen de ontwikkelingen in beide landen schrijft dit rapport: "Victimization of the Tutsi in one country was first aggravated by, and then used to justify, persecution of the Hutu in the other country and vice versa. Each act of repression in the one state became the pretext for a renewed round of killing in the other. Such retaliation was fuelled by the constant refugee movements across the shared border, the inflammatory tales told by all who fled, and the eagerness felt by many of them to join in any attempts to wreak revenge from their new refuge. Perhaps refugees were also emboldened by yet another perverse, common characteristic of the two nations: In both countries, massacres by governments went largely unpunished, and a pervasive culture of impunity began to complement the growing culture of violence that was emerging."55 6. Voornamelijk regionale tegenstellingen binnen de Hutu-elite leidden in 1973 in Rwanda tot de val van het regime van Kayibanda. Generaal Juvénal Habyarimana, chef-staf van het Rwandese leger, greep de macht en riep de Tweede Republiek uit. In 1975 richtte hij de Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement (MRND) in het leven, een partij waarvan iedere Rwandees vanaf de geboorte lid was.56 Enkele jaren later werd Rwanda ook formeel een één-partij staat. Het regime van Habyarimana maakte een eind aan het etnisch geweld, maar niet aan het beleid van systematische discriminatie tegen de Tutsi's57 en het bleef Tutsi-bannelingen niet toegestaan terug te keren naar Rwanda. Het OAU-rapport karakteriseert de eerste twaalf jaren van dit regime als "a harsh military dictatorship based on open ethnic exclusion"58, dat niettemin een uitstekende reputatie in de wereld - bij de Wereldbank, donorlanden en ook NGO's - genoot59. Rwanda werd door veel buitenstaanders geprezen als "'the Switzerland of Africa': peaceful, stable, hardworking and reliable"60, een land dat, vooral vanwege hoge wereldmarktprijzen van de belangrijkste exportprodukten (koffie, thee en tin) en aanzienlijke buitenlandse steun, economisch grote vooruitgang boekte en een gunstige sociale ontwikkeling liet zien.61 Niettemin bleef Rwanda ook in deze jaren een zeer arm en overbevolkt land, één van de minst ontwikkelde landen van de wereld.62 7. De economische en politieke situatie verslechterde vanaf 1985 aanzienlijk. Economisch vooral vanwege een combinatie van slechte oogsten en een abrupte, sterke daling van de wereldmarktprijzen van koffie (goed voor meer dan driekwart van de exportopbrengsten). De inkomsten van de staat daalden hierdoor dramatisch, wat leidde tot draconische bezuinigingen die de bevolking hard raakten.63 Een bijzonder nijpend probleem was de toenemende schaarste aan landbouwgrond en de steeds schevere verdeling daarvan.64 De armoede en de ongelijkheid namen toe. Begin jaren negentig was de helft van de Rwandese bevolking extreem arm, dat wil zeggen niet in staat zichzelf fatsoenlijk te voeden, gold veertig procent als arm, negen procent als 'niet-arm' en één procent als erg rijk.65 De onvrede onder de bevolking werd gevoed door de wijdverbreide corruptie en schaamteloze zelfverrijking door de politieke elite. Een voorbeeld daarvan is het zogeheten GBK-project.66 De kern van de politieke elite bestond uit een kleine kliek rond de president en diens echtgenote Agathe Kanziga, veelal aangeduid als "le Clan de Madame" of de akazu ('het kleine huis'). Deze akazu oefende feitelijk de macht uit in de staat en wendde die aan voor eigen gewin en ten bate van een beperkte clientèle van bevoorrechten, voornamelijk uit het Noorden van Rwanda (de prefecturen Gisenyi, Ruhengeri en Byumba), de thuisregio van de president en zijn echtgenote, afkomstige personen, die in ruil daarvoor de president steunden. De bevoordeling van de uit het noorden afkomstige Hutu's (bakiga) stuitte op steeds meer verzet bij Hutu's uit de andere regio's. In verslechterende economische omstandigheden werd het regime van Habyarimana aldus in toenemende mate geconfronteerd met onvrede onder de bevolking en oppositie door dissidente Hutu's.67 8. Inmiddels hadden (nakomelingen van) Rwandese bannelingen (voornamelijk Tutsi'
  2. s)in Kenia en vooral Uganda in december 1987 het Rwandian Patriotic Front (hierna: RPF) opgericht. De doelstellingen van het Front, een politieke organisatie met een militaire vleugel, waren verzekering van het recht van alle Tutsi-bannelingen, inmiddels naar schatting ongeveer 600.000 personen,68 terug te keren naar Rwanda en beëindiging van het één-partij regime van Habyarimana.69 Op 1 oktober 1990 vielen vanuit Uganda enkele duizenden RPF-strijders (het noordoosten van) Rwanda binnen. De aanval werd door het Rwandese regeringsleger (Forces Armées du Rwanda, hierna FAR) succesvol afgeslagen en het RPF slaagde er ook daarna (tot 6 april 1994) niet in een groot deel van het grondgebied van Rwanda blijvend te veroveren. Niettemin staat buiten kijf dat deze invasie moet worden gezien als, in de woorden van het OAU-rapport, 'one of the key defining moments in Rwandan history'70 en 'the single most important factor in escalating the political polarization in Rwanda'.71 Periode 1 oktober 1990 - 6 april 1994 9. De invasie van het RPF, die gepaard ging met misdrijven tegen de burgerbevolking, genereerde, in samenhang met een cynische anti-Tutsi propaganda van de regering, een grote stroom vluchtelingen van voornamelijk Hutu's vanuit de oorlogsgebieden in het noorden naar het centrum van het land. Kort na 1 oktober 1990 waren dit er ongeveer 300.000.72 Na een grootschalige aanval van het RPF in februari 1993 nam het aantal van deze binnenlandse vluchtelingen toe tot ongeveer 1 miljoen. Dit betekende dat ongeveer één op de zeven Rwandezen zijn of haar huis (en land) vanwege de oorlog had verlaten. De vluchtelingen vonden voor het merendeel onderdak in overvolle, provisorische vluchtelingenkampen. De omstandigheden in de kampen waren ronduit erbarmelijk.73 De oorlog veroorzaakte bovendien voedselschaarste en ten gevolge daarvan een sterke stijging van de voedselprijzen.74 Een gevolg van de oorlog was ook een militarisering van de samenleving. De FAR groeide binnen enkele jaren van enkele duizenden tot 40.000 soldaten en het aandeel van de militaire uitgaven in de begroting steeg tot bijna 70%.75 10. Het OAU-rapport beschrijft hoe de invasie geloofwaardigheid gaf aan de op machtsbehoud gerichte etnische strategie van het regime:76 "The invasion gave an ethnic strategy immediate credibility. The carefully inculcated fears about Tutsi conspiracies - fears about alleged plots to regain control of the republic and launch merciless attacks on all Hutu - that had been dormant for so many years were deliberately revived. The nation was reminded that the Tutsi were, from the first, the "other"; they were all alien invaders. Was is therefore not self-evident that all Tutsi were accomplices of the invaders? Any question of class or geographical division among Hutu had to be submerged in a common front against the devilish intruders. It was not difficult for the government to exploit its own failures in order to rally the majority behind them. In a country where so many had so little land, it took little ingenuity to convince Hutu peasants that the newcomers would reclaim lands they had left long before and on which Hutu farmers had immediately settled."77 11. In juni 1991 werd president Habyarimana, geconfronteerd met de oorlog met het RPF, groeiende politieke onvrede, verdere economische verslechtering en zware internationale politieke druk - Rwanda was militair afhankelijk van Frankrijk en economisch van verschillende donorlanden - gedwongen de vorming van politieke partijen toe te staan en vredesonderhandelingen te beginnen met het RPF. De eerste partijen die officieel geregistreerd werden, waren de Mouvement Démocratique Républicain (MDR), de Parti Social Démocrate (PSD), de Parti Libéral (PL) en de Parti Démocrate Chrétien (PDC).78 Later werden nog meer partijen opgericht en officieel geregistreerd, waaronder in februari 1992 de Coalition pour la Défense de la République (CDR). Het RPF werd niet als politieke partij geregistreerd. In april 1992 werd een regering gevormd bestaande uit de MRND (inmiddels Mouvement Révolutionnaire National pour la Démocratie et le Développement (MRNDD) geheten), MDR, PSD, PL en PDC. De MRND(D) was daarin met negen ministersposten de grootste partij, maar vormde wel een minderheid, de MDR kreeg drie ministersposten, waaronder het premierschap, de PSD en de PL kregen eveneens elk drie ministersposten, de PDC één.79 Deze nieuwe regering voerde vanaf juni 1992 in Arusha (Tanzania) onderhandelingen met het RPF over een vredesregeling en een nieuwe machtsverdeling in Rwanda. In juli 1992 werd een wapenstilstand overeengekomen, in oktober 1992 werd een protocol ondertekend over de vorming van een brede overgangsregering en een overgangsparlement waaraan ook het RPF zou deelnemen. President Habyarimana accepteerde dit akkoord noodgedwongen zonder de intentie te hebben daaraan uitvoering te geven. Het politieke landschap werd beheerst door (de verhoudingen tussen) drie blokken: de groep rond Habyarimana, de voormalige oppositiepartijen en het RPF.80 12. Het 'blok Habyarimana' werd gevormd door de MRND(D), die deel uitmaakte van de regering, en de CDR, die buiten de regering bleef. Beide partijen werkten samen in de Alliance pour le Renforcement de la Démocratie (ARD).81 In het OAU-rapport wordt de CDR getypeerd als een radicale anti-Tutsi-groep, waarvan veel leden zelfs naar Rwandese maatstaven extremisten waren.82 Prof. Guichaoua ziet de CDR als een partij die primair in dienst stond van de verdediging van de verworvenheden van de noordelijke elites.83 De CDR versterkte, zo schrijft hij, de conservatieve vleugel van de MRND(D) voor wie zij dienst deed als stimulans en intern pressiemiddel.84 Hij noemt als één van haar prioriteiten het kapitaliseren van de toenemende vijandigheid van de bevolking ten opzichte van het RPF.85 Een onderscheidend kenmerk van de CDR was haar etnisch activisme.86 De CDR werd als snel na haar oprichting een extremistische partij die gebruikt maakte van dwang en geweld.87 De deskundige Guichaoua vermeldt ook dat de CDR als vanzelfsprekend dienst deed als spreekbuis van extremistische officieren van de FAR. 13. De Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal heeft in haar vonnis in het Media-trial de organisatie, de ideologie, de standpunten en de praktijk van de CDR uitvoerig beschreven en geanalyseerd.88 Zij komt tot de volgende bevindingen: (
  3. i)De CDR was een partij exclusief van en voor Hutu's. Haar doel was de bevordering van de eenheid en solidariteit onder de Hutu's en de behartiging van de politieke belangen van deze meerderheidsgroep;89 (
  4. ii)Voor de CDR vielen politieke belangen samen met het behoren tot een etnische groep;90 (iii) De CDR zag het RPF als de vertegenwoordiger van de politieke belangen van de Tutsi's;91 (
  5. iv)De CDR beschouwde het RPF en dus de Tutsi's als de vijanden van de Hutu's ;92 (
  6. v)De CDR stimuleerde het gebruik van geweld tegen Tutsi's, bij voorbeeld door in november 1993 de Hutu-bevolking op te roepen 'zijn vijanden en hun handlangers' (lees: de Tutsi'
  7. s)'met alle mogelijke middelen te neutraliseren';93 (
  8. vi)Tijdens massa-bijeenkomsten van de CDR werd opgeroepen tot het doden van Tutsi's, hetgeen blijkt uit het zingen van het lied 'Tubatsembesembe', wat betekent 'Laten wij hen uitroeien'; na deze meetings werd door deelnemers daaraan regelmatig ook daadwerkelijk geweld gebruikt tegen Tutsi's.94 14. De nieuw gevormde politieke partijen probeerden zoveel mogelijk aanhang te verwerven onder de bevolking. Partijen maakten propaganda en hielden bijeenkomsten. Deze bijeenkomsten werden vaak opgeluisterd met zang en dans, vergelijkbaar met de 'animations' welke plaats hadden gevonden op bijeenkomsten van de MRND vóór de introductie van het meerpartijenstelsel.95 Rwanda kende geen democratische cultuur, het politieke klimaat was sterk gepolariseerd en in een proces dat bekend werd als kubohoza ('helpen te bevrijden') gingen partijen er toe over aanhangers te winnen met zowel beloningen als bedreigingen en geweld. Partij-activisten verstoorden bijeenkomsten van rivaliserende partijen en bedreigden of molesteerden de leden daarvan. Geweld werd een 'normaal' middel voor het bereiken van politieke doeleinden. De autoriteiten traden hiertegen veelal niet of onvoldoende op, waardoor het politiek gemotiveerde geweld alleen maar toenam.96 Hierbij speelden de jongerengroepen van de partijen - de Interahamwe ('zij die tezamen staan/aanvallen') van de MRND, de Impuzamugambi ('zij die hetzelfde/één doel hebben') van de CDR, de Inkuba ('Donder') van de MDR en de Abakombozi ('Bevrijders') van de PSD - een belangrijke rol.97 Vooral de Interahamwe en de Impuzamugambi waren berucht.98 De leden van deze groepen werden voornamelijk geworven onder arme land- en werkloze jongeren met weinig tot geen vooruitzichten een eigen bestaan op te kunnen bouwen.99 Zij waren, aldus het OAU-rapport, de 'made-to-order recruits for possible violence' voor wie hen als eerste kon inlijven.100 15. Vanaf 1992 werden door het leger, dat volledig onder controle stond van Hutu-extremisten, militaire trainingen gegeven aan Interahamwe en Impuzamugambi en werden onder hen wapens en munitie gedistribueerd. De Interahamwe en Impuzamugambi werden zo gewapende milities die ingezet werden tegen politieke tegenstanders (gematigde Hutu'
  9. s)en Tutsi-burgers.101 16. Op 8 februari 1993 schond het RPF de in juli 1992 gesloten wapenstilstand met een grootschalige aanval over het gehele noordelijke front. Hierboven (zie para. 9) is reeds vermeld dat het aantal ontheemden hierdoor toenam tot ongeveer 1 miljoen. De aanval gaf voedsel aan het toch al bij veel Hutu's bestaande wantrouwen tegen het RPF en tegen de Tutsi-bevolkingsgroep. De voormalige oppositiepartijen voelden zich door het RPF verraden en de steun aan het Arusha-vredesproces nam af.102 17. Nadat het RPF een nieuwe wapenstilstand had geaccepteerd en zijn troepen had teruggetrokken naar hun oorspronkelijke posities werden onder zware internationale druk de vredesbesprekingen in Arusha hervat. Op 4 augustus 1993 werd een definitief akkoord gesloten. Overeenstemming werd bereikt over belangrijke onderwerpen als de repatriëring van vluchtelingen, de gedeeltelijke demobilisatie en integratie van de strijdkrachten van FAR en RPF, de vorming van een brede overgangsregering van de MRND(D), de voormalige oppositiepartijen en het RPF, de legering van een bataljon van het RPF in Kigali en de stationering van een UN-vredesmacht (UNAMIR).103 Deze aan Habyarimana afgedwongen akkoorden stuitten op fel verzet bij de akazu, voor wie uitvoering van de akkoorden verlies van macht zou betekenen, en de CDR. 18. Op 23 oktober 1993 werd in Burundi de kort daarvoor democratisch gekozen eerste Hutu-president Melchior Ndandaye door Tutsi-militairen van het Burundese leger vermoord. In de bloedbaden die daarop volgden werden naar schatting 50.000 Burundezen, zowel Hutu's als Tutsi's, vermoord en ontvluchtten een kleine 1 miljoen Hutu's het land, zeer velen van hen naar Rwanda. Deze gebeurtenissen bevestigden en versterkten opnieuw de vrees onder Rwandese Hutu voor (overheersing door) Tutsi's, welke vrees door tegenstanders van de in Arusha overeengekomen machtsverdeling met het RPF volledig werd uitgebuit. President Habyarimana's eigen MRND(D) en de CDR stelden de Arusha-akkoorden in een gemeenschappelijke verklaring aan de kaak als "verraad".104 19. De aanval van 8 februari 1993, de Arusha-akkoorden en de moord op Ndandaye droegen alle bij aan verdere politieke polarisatie. De voormalige oppositiepartijen vielen uiteen in gematigde en Hutu Power-facties, welke laatste zich schaarden aan de zijde van de MRND(D) en de CDR. Wederom werd de etnische tegenstelling (Hutu tegen Tutsi) alles overheersend. 105 20. Er is een overweldigende hoeveelheid bewijs voor de vaststelling dat Hutu-extremisten vanaf 1990 de Hutu-bevolking voortdurend en systematisch hebben aangezet tot haat tegen hun Tutsi-landgenoten.106 De rechtbank citeert hier wederom het OAU-rapport: "A constant barrage of virulent anti-Tutsi hate propaganda began to fill the air. It was designed to be inescapable, and it succeeded. From political rallies, government speeches, newspapers, and a flashy, new radio station, poured vicious, pornographic, inflammatory rhetoric designed to demonize and dehumanize all Tutsi. With the active participation of well-known Hutu insiders, some of them at the university, new media were founded that dramatically escalated the level of anti-Tutsi demagoguery."107 21. Berucht waren publicaties in de krant Kangura. In december 1990 verscheen daarin een artikel onder de titel "Beroep op het geweten van de Hutu's". Het artikel opende met de stelling dat de Tutsi-extremisten die in oktober Rwanda hadden aangevallen (dat wil zeggen het RPF) vertrouwden op de steun van "van infiltranten in het land en de medeplichtigheid van Tutsi's in het land". Vervolgens werden de Tutsi's afgeschilderd als bloeddorstig en machtsbelust en de Hutu's opgeroepen ferm en waakzaam te zijn tegen de Tutsi-vijand "die onder ons is en zijn tijd afwacht om ons op een geschikt moment te decimeren".108 Het artikel eindigde met de "Tien geboden voor de Hutu's", waarin onder meer werd opgeroepen geen medelijden meer te hebben met de Tutsi's. Ook in veel latere artikelen in Kangura werden de - dus: alle - Tutsi's afgeschilderd als "inyenzi" (kakkerlakken), "inkotanyi" (leden van de RPF), "ibyitso" (handlangers); vijanden waartegen de Hutu zich moest verdedigen zonder genade te tonen.109 22. Dezelfde boodschap werd vanaf midden 1993 uitgedragen in uitzendingen van het zeer populaire radiostation Radio-Télévision Libre des Milles Collines (RTLM). Dit radiostation was opgericht door Hutu-extremisten die voor het overgrote deel afkomstig waren uit de drie noordelijke prefecturen van Rwanda. Eén van de belangrijkste financiers was Félicien Kabuga, wiens dochter getrouwd was met een zoon van president Habyarimana.110 De Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal heeft in haar vonnis in het Media-trial het volgende vastgesteld111 (486-488): "RTLM broadcastst engaged in ethnic stereotyping in a manner that promoted contempt and hatred for the Tutsi population.RTLM broadcast called on listeners to seek out and take up arms against the enemy. The enemy was identified as the RPF, the Inkontany, the Inyenzi, and their accomplices, all of whom were effectively equated with the Tutsi ethnic group by the broadcasts." 23. Ook op partijbijeenkomsten van de CDR en de MRND(D), waar muziek, dans en bier het publiek opwarmden, werd deze boodschap verkondigd.112 In een bewaard gebleven toespraak van een vice-president van de MRND, Léon Mugesera, tegen partijmilitanten op 22 november 1992 is het volgende te horen: "En wat gaan we doen aan die medeplichtigen (ibyitso) hier die hun kinderen naar de RPF sturen? Waarom wachten we en ontdoen we ons niet van deze families? (...) We moeten zelf verantwoordelijkheid nemen en dit schorem uitroeien... De fatale fout die we maakten in 1959 was om ze [de Tutsi's's] weg te laten komen... Ze horen in Ethiopië en we hebben een korte weg terug voor ze, door ze in de Nyabarongo rivier te gooien... Ik benadruk dit punt. We moeten handelen. ...Roei ze allemaal uit!"113 24. Een opvallend element in de anti-Tutsi-propaganda was de voortdurende waarschuwing aan Hutu-mannen zich niet te laten verleiden door Tutsi-vrouwen. Tutsi-vrouwen, zo was de boodschap, waren het geheime seksuele wapen dat de inkotanyi inzetten om Rwanda te veroveren en volgens het eerste van de hierboven genoemde "Tien geboden" was iedere Hutu-man die een Tutsi-vrouw huwde, haar tot zijn concubine maakte of haar als secretaresse in dienst nam een verrader.114 25. De Kamer van Berechting van het Rwanda-tribunaal heeft in het media-trial vastgesteld dat vanaf 1 oktober 1990 regelmatig gewelddadige aanvallen plaatvonden op Tutsi-burgers in het kader van een campagne waarin de Tutsi-bevolking werd afgeschilderd als handlangers van het RPF.115 Dr. Alison des Forges beschrijft zeventien door lokale autoriteiten georganiseerde geweldsincidenten in de jaren 1990-1993 waarbij in totaal meer dan 2000 Tutsi's en tientallen Hutu's om het leven kwamen en noemt deze "rehearsals for the catastrophe to come". Geen gezagsdrager of gewone burger werd voor één daarvan veroordeeld.116 Het OAU-rapport meldt over deze bloedbaden: "On virtually each occasion, they were carefully organized. On each occasion, scores of Tutsi were slaughtered by mobs and militiamen associated with different political parties, sometimes with the involvement of the police and army, incited by the media, directed by local government officials, and encouraged by some national politicians."117 26. Op initiatief van Rwandese mensenrechtenorganisaties werd een 'International Fact-Finding Commission' gevormd die in januari 1993 in Rwanda onderzoek deed naar de schending van mensenrechten sinds 1 oktober 1990.118 De commissie beschreef in haar rapport de hierboven (par 25) genoemde bloedbaden op Tutsi-burgers, de wijdverbreide terreur door de milities, met name de interahamwe, de verlamming van het justitiële apparaat en schendingen van mensenrechten door de FAR en het RPF. Zij concludeerde dat de schendingen van mensenrechten door de Rwandese staat massief en systematisch waren en dat de president en zijn entourage verantwoordelijk waren voor de slachtingen onder Tutsi's. In een persbericht, opgesteld door prof. Schabas, werden deze slachtingen aangemerkt als genocidale daden in de zin van het internationale recht.119 27. Op 11 augustus 1993 bracht de Special Rapporteur on summary, arbitrary and extrajudicial executions van de Verenigde Naties B.W. Ndiaye na een korte missie naar Rwanda rapport uit over mensenrechtenschendingen. Zijn bevindingen waren onder andere de volgende: - de inhoud van het rapport van de Fact-Finding Commission kan na nader onderzoek grotendeels worden bevestigd; - de milities van de MRND en de CDR maken zich vaak schuldig aan het bedreigen en doden van tegenstanders van het regime en mensenrechtenactivisten, het aanzetten tot etnisch geweld tegen Tutsi's en het aanrichten van slachtingen op de burgerbevolking; deze milities, veelal bewapend en getraind door militairen, hebben daarbij volstrekt vrij spel; - de slachtoffers van deze bloedbaden waren in overgrote meerderheid Tutsi's die uitsluitend werden aangevallen vanwege hun etniciteit; er zou daarom heel wel sprake kunnen zijn van (deelnemingsvormen van) genocide en/of het aanzetten daartoe.120 28. Na herhaald uitstel was de installatie van de in Arusha overeengekomen brede overgangsregering, waaraan ook het RPF zou deelnemen, voorzien op 22 februari 1994. De dag daarvoor werd in Kigali Félicien Gatabazi, voorzitter van de PSD en minister van openbare werken, vermoord, een moord die werd toegeschreven aan (aanhangers van) de CDR. De dag erna werd in de prefectuur Butare, de thuisregio van Gatabazi, de voorzitter van de CDR Martin Bucyana vermoord, vermoedelijk door aanhangers van de PSD. Hierop volgde een nieuwe golf van onrust en (etnisch) geweld. De installatie van de brede overgangsregering moest weer worden uitgesteld.121 In hoofdstuk 14 zal de rechtbank nader aandacht besteden aan de uitbarsting van geweld in Gikondo, de wijk in Kigali waar zowel Bucyana als verdachte destijds woonden. 6 april 1994 -midden juli 1994 29. Begin april 1994 waren de Arusha-akkoorden nog steeds niet geïmplementeerd en president Habyarimana - zijn land geteisterd door politiek geweld en economisch aan de rand van een bankroet122 - stond onder zware internationale druk dit alsnog te doen. Op 6 april 1994 reisde hij af naar Dar es Salaam (Tanzania) voor een ontmoeting hierover met staatshoofden van de omringende landen. Toen hij diezelfde avond naar huis terugkeerde werd zijn vliegtuig, dat net de daling naar het vliegveld van Kigali had ingezet, neergeschoten door een vanaf de grond afgevuurde raket. Het vliegtuig stortte neer op het terrein van zijn presidentiële paleis. Alle inzittenden, onder wie president Ntaryamira van Burundi en enkele belangrijke medewerkers van president Habyarimana, kwamen om het leven. Tot op heden is niet opgehelderd wie verantwoordelijk was voor het neerschieten van het vliegtuig.123 30. Dit was het startsein voor massamoorden op Tutsi's en gematigde Hutu's en een hervatting van de strijd tussen het RPF en de FAR. Aan beide kwam een eind toen het RPF medio juli de tegenstand van de FAR definitief brak, de interim-regering van radicale Hutu's het land ontvluchtte en het RPF een staakt-het-vuren afkondigde. De op 1 oktober 1990 begonnen burgeroorlog eindigde in een totale overwinning van het RPF. 31. Tussen 6 april en midden juli 1994 zijn in Rwanda honderdduizenden Rwandezen om het leven gebracht. De schattingen door deskundigen van het aantal slachtoffers lopen uiteen; de meeste komen op zeshonderdduizend tot - het meest waarschijnlijk - achthonderdduizend doden124, ongeveer 10% van de gehele bevolking. De overgrote meerderheid van de slachtoffers behoorde tot de Tutsi-bevolkingsgroep. Naar schatting is in deze periode 75% van de Rwandese Tutsi's vermoord. Deze massamoord geschiedde, zoals in vele (wetenschappelijke) publicaties onbetwist is vastgesteld en door het Rwanda-tribunaal in een groot aantal vonnissen steeds unaniem is uitgesproken, met het doel de Tutsi-bevolking als zodanig uit te roeien. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat in deze maanden van 1994 in Rwanda een genocide plaats vond. In de woorden van de Kamer van Beroep van het Rwanda-tribunaal125: "The fact of the Rwandan genocide is part of world history, a fact as certain as any other, a classic instance of a 'fact of common knowledge'." 6. DE VERDACHTE 1. Verdachte is op 8 februari 1947 geboren in Kinoni, préfecture Ruhengeri, als dochter van [naam moeder] en [naam vader]. De verdachte was de jongste in een gezin met zes kinderen, drie jongens en drie meisjes. Twee van haar broers en haar vader zijn overleden toen de verdachte nog jong was. Het gezin was welgesteld en Hutu. 2. Verdachte heeft de basisschool doorlopen in Kinoni. De middelbare school volgde zij in internaten in Mubuga, Nyundo, Rwaza en Muramba. In 1966 heeft zij haar opleiding tot onderwijzeres afgerond. 3. Van 1966 tot haar huwelijk in 1968 werkte zij als onderwijzeres in Kinoni. Vervolgens heeft zij gewerkt als ambtenaar bij het Ministerie van Financiën en Economische Zaken. Vanaf ongeveer 1982 tot en met 1994 werkte zij bij het Ministerie van Landbouw, voor het zuivelproject GBK.126 Zij was daar leidinggevende van het verkooppunt in Kigali. 4. Op 10 februari 1968 is verdachte getrouwd met [X, man van verdachte], tevens Hutu en afkomstig uit een rijke familie. [X, man van verdachte] kwam uit Nkuli, préfecture Ruhengeri, heeft gestudeerd in onder meer Canada en was van 1983 tot 1994 parlementslid voor de MRND. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, van wie er één als baby is overleden.127 5. De verdachte en haar gezin woonden vanaf 1970 in de secteur Gikondo in Kigali. In de jaren '80 betrok de familie een groot nieuw huis, naast het perceel van Martin Bucyana. De familie Basebya was nauw bevriend met de familie Bucyana. 6. Verdachte en haar gezin genoten groot aanzien in de wijk, zoals verdachte ook zelf ter zitting heeft verklaard. Zij en haar man waren van goede komaf en hoog opgeleid. De familie was welvarend. Verdachte stond in de wijk bekend als 'madame deputé' en als iemand met autorité morale. Zij is door voormalige buurtgenoten -vriend en vijand- beschreven als een vrouw met veel energie en een sterke persoonlijkheid. Zij ging, zoals één van de getuigen het heeft uitgedrukt, 'niet onopgemerkt voorbij'. 7. Verdachte was een trouwe kerkgangster en lid van het koor van de Pallottikerk. 8. Het gezin is Kigali medio april 1994 ontvlucht. Tot juli 1994 verbleven zij in Gisenyi. Vervolgens vertrokken zij naar Goma en Uvira in het toenmalige Zaïre. Eind 1994 is het gezin via Tanzania naar Kenia doorgereisd. 9. In december 1997 heeft [X, man van verdachte] Kenia verlaten en asiel aangevraagd in Nederland. Op 25 maart 1998 werd hij als vluchteling toegelaten. Op 6 oktober 1998 kwamen verdachte en twee kinderen aan in Nederland om zich bij hem te voegen. Zij woonden in Reuver in Limburg. Later vestigden zich nog twee kinderen van het echtpaar in Nederland. Op 7 december 2004 kregen verdachte en haar man de Nederlandse nationaliteit. 10. De verdachte werkte in Reuver als vrijwilligster bij de parochie en als schoonmaakster in de kerk. Zij was ook lid van het kerkkoor. 11. Uit afgeluisterde gesprekken en in het huis van verdachte in beslaggenomen documenten blijkt dat verdachte tot haar arrestatie contact onderhield met mensen die bekend staan als Hutu-extremisten, waaronder Léon Mugesera128, Agathe Kanziga, de weduwe van president Habyarimana129, [VVI]130, [VVJ]131 en [VVK]132. 7. DE WOONOMGEVING VAN VERDACHTE 1. Verdachte woonde in de tenlastegelegde periode in Gikondo. Gikondo was destijds een secteur van de commune (gemeente) Kicukiro in de préfecture Ville de Kigali. De secteurs waren toentertijd onderverdeeld in cellules. De rechter-commissaris heeft ondanks uitvoerig onderzoek niet met zekerheid kunnen vaststellen welke cellules er in 1994 in de secteur Gikondo waren.133 2. In het dossier bevindt zich een digitale presentatie van de wijk Gikondo. Verscheidene locaties en woningen zijn opgemeten, vastgelegd en gevisualiseerd. Ook zijn foto's, waaronder luchtfoto's, van de wijk beschikbaar. Op deze foto's is goed te zien dat de buurt waar verdachte woonde dichtbevolkt was. Met name de woningen aan de overkant van de weg waaraan de woning van verdachte lag, staan dicht op elkaar. De huizen zijn tegen elkaar aangebouwd met verschillende bijgebouwtjes. De steegjes ertussen zijn nauw, kronkelig, vaak redelijk steil en oneffen. In de wijk zijn forse hoogteverschillen. De woning van verdachte lag hoger dan de woningen aan de overzijde van de straat. Aan die overzijde liep de steeg waaraan de woningen van onder meer de getuigen [getuige 5] en [getuige 6] lagen, behoorlijk naar beneden. 3. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat in de jaren tachtig begonnen is met de bouw van de woning van haar gezin. Het was een grote en mooie woning met veel kamers. Aan de rechterzijde bevond zich een verlengstuk waar het personeel verbleef. De woning is inmiddels afgebroken. De rechtbank beschikt slechts over een video-opname van een receptie in de woning ter gelegenheid van de bruiloft van dochter [dochter 1] op 19 februari 1994. Daarop is te zien dat de woning was voorzien van een veranda, die enkele treden hoger lag dan het erf ervoor. Het perceel werd afgescheiden van de straat door een lange muur, een groot deel was van bakstenen, dan kwam een grote poort, dan een stukje bakstenen en zogeheten imiyenzi (een stevige buigzame plantensoort die in Rwanda vaak als erfafscheiding dienst doet). 4. Naast verdachte woonde de familie Bucyana, eveneens in een groot huis op een ruim perceel. Tussen de woning van verdachte en de woning van de familie Bucyana bevond zich een bar/boutique die in het dossier meestal wordt aangeduid als 'de bar van Roger (Bucyana)'. Aan de andere zijde naast de familie Bucyana, in de richting waar nu een rotonde is, woonde de familie Sefara, ook in een groot huis. Achter het perceel van verdachte woonden onder meer de getuigen [getuige 15] en zijn vrouw [getuige 16], alsmede [getuige 17] en haar petekind [getuige 18]. 5. Aan de overzijde van de straat stonden de woningen van onder meer [getuige 1] en zijn vrouw [getuige 2], [getuige 5] en zijn vrouw [slachtoffer C], [getuige 6] en haar man [slachtoffer F, man van getuige 6], [getuige 7] en haar man [P], [getuige 8] en [Q], [R]en [S]. 6. Aan het uiteinde van de straat waaraan verdachte woonde bevond zich schuin tegenover haar woning de markt. Deze lag een stuk lager dan de straat. Aan het andere uiteinde van de straat, kort na waar nu een rotonde is, stond de Pallottikerk. 7. De deskundige prof. Guichaoua heeft Gikondo omschreven als een strategisch gunstige secteur door zijn ligging en commerciële en industriële activiteiten. Gikondo had een heterogene bevolkingssamenstelling. Hutu's en Tutsi's woonden door elkaar heen. Sociaal-economisch gezien werd de wijk bevolkt door enkele notabelen, mensen in loondienst (laag- en hooggeschoold), kleine middenstanders, ambachtslieden en marktkooplui en onderaan de maatschappelijke ladder de zogenoemde abakarani. Abakarani is het Kinyarwanda woord voor kruiers of bagagedragers. Het gaat hier om kansarme jongeren die een paar franken verdienden met kruierswerk. 8. Prof. Guichaoua heeft Gikondo ook omschreven als een wijk die politiek in de belangstelling stond omdat er veel prominenten van de extremistische pro-hutu beweging woonachtig waren. Naast Martin Bucyana, voorzitter van de CDR waren dit [slachtoffer B], 2de vice-voorzitter van de CDR, Gaspard Gahigi, hoofdredacteur van RTLM, Jean Sefara, een MRND handelaar, Séraphin Twahirwa, neef van president Habyarimana en Jean Ntawutagiripfa alias Congolais.134 In de wijk woonden ook [T], een CDR-leider in de cellule Sgeem, [U], een plaatselijke vertegenwoordiger van de CDR en [V], een voormalig militair, 'responsable' van de cellule Mburabuturo. 9. Vanaf 1992 legden, aldus prof. Guichaoua, de Interahamwe en Impuzamugambi de hand op de secteur Gikondo. In eerste instantie waren er regelmatig spanningen tussen beide jeugdbewegingen, maar de ideologische keuzes wogen al snel nauwelijks meer op tegen de mogelijkheden die criminaliteit en straffeloosheid boden aan de werkloze jongeren.135 Tijdens de politieke radicalisering in de laatste maanden van 1993 werd Gikondo een brandpunt van het politiek activisme van de MRND en CDR, vooral vanwege het steeds duidelijker wordende overwicht van hun jeugdbewegingen. De MRND en CDR hadden feitelijk de monopoliepositie in deze wijk van de hoofdstad.136 10. Als bijlage bij zijn rapport heeft prof. Guichaoua een brief gevoegd van 15 juli 1992 van de hoofdofficier van justitie François-Xavier Nsanzuwera gericht aan de procureur-generaal bij het gerechtshof in Kigali, waarin deze rapporteerde over onlusten in de secteur Gikondo tussen 9 en 11 juli 1992. Hieruit blijkt dat er grote groepen jongeren van verschillende politieke partijen knokpartijen met elkaar hielden, waarbij onder de normale burgers ook slachtoffers vielen. De hoofdofficier sloot zijn brief af met kritiek op de verantwoordelijke burgerlijke autoriteiten en de politie die - kort samengevat- zich afzijdig hadden gehouden of zelfs op de hand waren van de Interahamwe.137 11. In het dossier bevindt zich ook een krantenartikel (Umurava magazine no. 15, d.d. 10 februari 1993) waarin wordt beschreven dat de onrust in Gikondo werd veroorzaakt door Interahamwe en CDR, omdat zij sinds 31 december 1992 begonnen waren met het versperren van wegen, stelen, plunderen, moorden en vernielen.138 8. DE WAARDERING VAN HET BEWIJS Algemene opmerkingen 1. De rechtbank stelt voorop dat degene die strafrechtelijk wordt vervolgd, door de vervolgende en rechtsprekende instantie voor onschuldig wordt gehouden, totdat- buiten redelijke twijfel- zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Voor het vaststellen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor het aan hem tenlastegelegde en de consequenties van die aansprakelijkheid, zal wettig en overtuigend dienen komen vast te staan dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde heeft begaan, dat het aldus bewezenverklaarde strafbaar is en de verdachte deswege strafbaar. 2. Deze zaak wordt voor wat betreft het bewijs beheerst door het Nederlandse recht. Dit betekent onder meer dat als wettige bewijsmiddelen alleen worden erkend de in artikel 339 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) genoemde middelen en dat de bewijsminimumregels van artikel 341-344a Sv van toepassing zijn. Ingevolge artikel 342 lid 2 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (de 'unus testis nullus testis'-regel). Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.139 3. Uitgangspunt in het Nederlandse recht is voorts dat de rechter vrij is in de selectie en waardering van de (wettige) bewijsmiddelen. De rechter zal deze bewijsmiddelen steeds bezien in onderling verband en samenhang. 4. Het bewijs van de aan verdachte verweten feitelijke gedragingen bestaat hoofdzakelijk uit verklaringen van (oog)getuigen. De nationale recherche heeft 65 getuigen gehoord en de rechter-commissaris 70. De rechtbank heeft één getuige ter terechtzitting gehoord. 5. Het dossier bevat voorts verklaringen van getuigen welke zijn afgelegd tegenover: - het Rwanda-tribunaal in de vorm van een witness statement; - de nationale gendarmerie, brigade Gikondo; - gacaca rechtbanken; - Deense autoriteiten; - Canadese autoriteiten; - het Parquet Général in Rwanda. 6. De rechtbank acht primair van belang de verdachte belastende verklaringen van getuigen die ter terechtzitting danwel tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd. Deze verklaringen zijn afgelegd voor een rechter en zijn expliciet gericht op de schuld of onschuld van deze verdachte. Bovendien hebben zowel het openbaar ministerie als de verdediging tijdens deze verhoren de gelegenheid gehad de getuige uitvoerig te ondervragen en de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid van diens verklaring te toetsen.140 Van belang is ook dat de processen-verbaal van de verhoren door de rechter-commissaris een vrijwel 100% woordelijke weergave bevatten van wat de getuigen verklaard hebben (zie hierboven hoofdstuk 4, paragraaf 23). 7. Geringere bewijskracht komt toe aan de verklaringen die zijn afgelegd tegenover de nationale recherche. Weliswaar zijn ook de verhoren door de NR specifiek gericht geweest op verdachtes mogelijke betrokkenheid bij de haar verweten feiten, maar de mogelijkheid van toetsing door met name de verdediging heeft ontbroken en de verbalisering was minder volledig dan bij de rechter-commissaris. 8. De rechtbank zal op de hierboven vermelde verklaringen tegenover niet-Nederlandse justitiële autoriteiten slechts acht slaan in het kader van de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen die door getuigen in dit strafproces zijn afgelegd. 9. Datzelfde geldt ten aanzien van verklaringen die zijn afgelegd in de gacaca procedures. Deze verklaringen zijn ook daarvoor echter slechts zeer beperkt bruikbaar. Aan degenen die bij de gacaca's hebben verklaard is in het algemeen niet gevraagd naar hun redenen van wetenschap en de verslagen van de zittingen zijn veelal onvolledig en ondoorzichtig. Betrouwbaarheid van getuigenverklaringen 10. Getuigenverklaringen berusten op wat getuigen zich herinneren. Weliswaar zijn de meeste herinneringen van oprechte getuigen betrouwbaar141, maar herinneringen zijn nooit een volledige en accurate weergave van de realiteit. Het menselijk waarnemingsvermogen is gebrekkig, er wordt vergeten en er kunnen fouten optreden bij het herinneren. De oorzaak van die fouten is dikwijls een vorm van bronverwarring, ook wel bronamnesie genoemd. Door zowel interne processen als externe factoren wordt het geheugenspoor van de originele ervaring veranderd of aangevuld. Het probleem daarbij is dat de bron van die veranderingen of aanvullingen niet wordt opgemerkt of wordt vergeten. Die bron kan bestaan uit interne processen, zoals selectieve waarneming en interpretatie tijdens het ervaren van de originele gebeurtenis of reconstructie tijdens het ophalen. De bron kan ook bestaan uit externe factoren, zoals het integreren van later verkregen informatie in het geheugenspoor van de originele ervaring, of het accepteren van gesuggereerde gebeurtenissen als echte herinneringen.142 11. De beoordeling van de geloofwaardigheid van de getuige en de betrouwbaarheid en aannemelijkheid van de getuigenverklaringen in deze zaak is een lastige opgave. De strafzaak tegen verdachte betreft feiten welke, indien bewezen, ongeveer twintig jaar geleden plaatsvonden. Alleen al dit tijdsverloop noopt tot grote behoedzaamheid. Die behoedzaamheid past te meer omdat het gaat om gebeurtenissen in een land dat in politiek, cultureel en sociaal-economisch opzicht weinig overeenkomsten vertoonde en vertoont met de Nederlandse samenleving en dat bovendien intern verscheurd was door diepe politieke en etnische geschillen en een daarmee gepaard gaand gewapend conflict. De rechtbank kan daarom in veel opzichten niet of nauwelijks terugvallen op feiten en omstandigheden van 'algemene bekendheid', terwijl inzichten in ons bekende politieke en maatschappelijke verhoudingen slechts beperkte waarde hebben. 12. De Nederlandse jurisprudentie geeft geen 'harde criteria' op grond waarvan kan worden bepaald of een getuige geloofwaardig is en zijn verklaring betrouwbaar. Algemeen aanvaard uitgangspunt is wel dat de rechter dient na te gaan of een getuigenis gezien de persoon die dit geeft, de omstandigheden waaronder het tot stand is gekomen en de feitelijke informatie die het bevat, voldoende betrouwbaar en aannemelijk is om als bewijsmiddel te worden gebruikt. Het toetsingskader 13. De rechtbank zal de getuigenverklaringen beoordelen aan de hand van de volgende aandachtspunten: 1. de persoon van de getuige; 2. de totstandkoming van de verklaring; 3. de consistentie van de door de getuige afgelegde verklaringen; 4. de vraag of een verklaring steun vindt in verklaringen van andere getuigen; 5. de vraag of een verklaring steun vindt in andere (objectieve) bewijsmiddelen; 6. de plausibiliteit van de verklaring. De persoon van de getuige 14. De rechtbank zal onderzoeken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van invloed zijn op de geloofwaardigheid van de getuige. Zij zal daartoe nagaan of de getuige betrokkenheid heeft bij de tenlastegelegde feiten, alsmede of de getuige een belang of motief heeft - persoonlijk, etnisch, financieel of anderszins - om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. Verder kan van belang zijn of de getuige verdachte kent, en zo ja, uit welke hoofde en in welke mate en of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachte belast(
  10. en)kent. 15. De rechtbank zal ook onderzoeken of getuigen onderscheid hebben kunnen maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord (hearsay). Voorts heeft zij oog voor mogelijk verstorende effecten ten gevolge van culturele verschillen. Zo zal worden bezien of een getuige moeite heeft met tijd-, ruimte- en afstandbepaling en/of zich wellicht niet kan oriënteren aan de hand van kaarten, foto- en beeldmateriaal, alsmede de wijze waarop een getuige reageert op vragen en deze beantwoordt. 16. Veel getuigen in dit dossier zijn getraumatiseerde getuigen. Niet kan worden gezegd dat een getraumatiseerde getuige minder betrouwbaar is dan een niet getraumatiseerde getuige. Wel is het zo dat herinneringen aan centrale details van een traumatische gebeurtenis vaak accurater en vollediger zijn dan herinneringen aan perifere details van eenzelfde gebeurtenis. Hiervoor zijn twee redenen aan te wijzen: de aandacht richt zich op bedreigende, centrale details van een gebeurtenis (het zogenoemde "weapon focus effect").143 Daarnaast vernauwen de grenzen van het traumatische beeld ("boundary restriction"). Dit houdt in dat er minder achtergrond wordt waargenomen waardoor elementen die zich in de marge van een emotioneel beeld bevinden worden vergeten.144 17. In dit dossier figureren drie getuigen die destijds kind waren, te weten [L], die heeft verklaard over de moord op haar moeder [slachtoffer C] (feit 3) en [W] en [Z], die hebben verklaard over de dood van [slachtoffer A] (feit 1). (Rechts)psychologisch onderzoek heeft laten zien dat het geheugen van kinderen wel degelijk accuraat is en dat kinderen accuraat kunnen vertellen over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden.145 Er zijn dan ook geen redenen om a priori aan te nemen dat verklaringen van kinderen niet betrouwbaar zijn vanwege de leeftijd van de kinderen, ook niet als zij spreken over gebeurtenissen die enige jaren eerder hebben plaatsgevonden. De totstandkoming van de getuigenis 18. De rechtbank zal onderzoeken of er in de wijze van totstandkoming van de getuigenis of ten tijde van het verhoor omstandigheden zijn aan te wijzen die van invloed kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van de inhoud van de verklaringen. Hierbij zijn relevant: de manier van vragen stellen, het soort vragen dat wordt gesteld, de inhoud van de vragen, de volgorde van de vragen, de duur van het verhoor en de houding en het gedrag van de verhoorder. Van belang is voorts of er aanwijzingen zijn voor communicatieproblemen of misverstanden tussen de verhoorder en de getuige of tussen de tolk en de getuige. Daarnaast is van belang of de getuige één of meer van de andere getuigen die verdachten belast(
  11. en)kent en met hem of haar over de onderhavige zaak contact heeft gehad alvorens een verklaring af te leggen. 19. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de wijze van verslaglegging door de rechter-commissaris een getrouw beeld geeft van de totstandkoming van de verklaringen. De consistentie van door de getuige afgelegde verklaringen 20. Consistentie van opeenvolgende verklaringen van een getuige is op zichzelf geen garantie voor de geloofwaardigheid van die getuige of de betrouwbaarheid van diens verklaringen. Evenzo doet niet elke inconsistentie af aan die geloofwaardigheid of betrouwbaarheid. Indien een getuige echter op punten die dragend zijn voor het bewijs tegenover de NR (of een niet-Nederlandse justitiële autoriteit) in belangrijke mate anders heeft verklaard dan tegenover de rechter-commissaris, zal kritisch onderzocht moeten worden of dit afbreuk doet aan de bewijskracht van zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris, welke de rechtbank, zoals hierboven is overwogen, op de eerste plaats van belang acht. In de nationale en de internationale rechtspraak wordt algemeen erkend dat inconsistenties kunnen voortkomen uit de wijze van verhoor, het verstrijken van de tijd, de chaotische aard van de gebeurtenissen waarover de getuige gevraagd wordt te verklaren, de emoties die teweeg worden gebracht door de herinnering aan voor de getuige traumatische gebeurtenissen, cultuurverschillen, vertaalproblemen, dan wel een vergissing van de getuige of een andere procesdeelnemer. 21. De rechtbank citeert hier met instemming paragraaf 31 van het vonnis van de Kamer van Beroep van het Joegoslavië-Tribunaal in de zaak Kupreškic: "The presence of inconsistencies in the evidence does not, per se, require a reasonable Trial Chamber to reject it as being unreliable. Similarly, factors such as the passage of time between the events and the testimony of the witness, the possible influence of third persons, discrepancies, or the existence of stressful conditions at the time the events took place do not automatically exclude the Trial Chamber from relying on the evidence. However, the Trial Chamber should consider such factors as it assesses and weighs the evidence."146 Ook kan nog gewezen worden op paragraaf 113 van het vonnis van de Kamer van Berechting van het Joegoslavië-Tribunaal in de zaak Furundžija147, waarin is overwogen dat inconsistenties ook een indicatie kunnen zijn dat de getuige juist niet beïnvloed is en de waarheid spreekt. 22. De rechtbank stelt vast dat de rechter-commissaris in voorkomende gevallen inconsistenties steeds uitdrukkelijk onder de aandacht van getuigen heeft gebracht en heeft vastgelegd wat hun reactie daarop is geweest. 23. Ten slotte past hier de opmerking dat de consistentietoets niet kan worden uitgevoerd op verklaringen tegenover de rechter-commissaris van getuigen die tevoren niet zijn gehoord door de NR of een niet-Nederlandse justitiële autoriteit. Het is de rechtbank wel opgevallen dat nogal wat verklaringen van deze getuigen à décharge op wezenlijke punten afweken van wat daarvan verwacht mocht worden op grond van de toelichting van de verdediging bij haar verzoeken hen te horen. Toetsing aan verklaringen van andere getuigen 24. Van belang is uiteraard ook of een verklaring - in belangrijke mate en op wezenlijke onderdelen - overeenstemt met dan wel afwijkt van verklaringen van andere getuigen. In de eerste plaats is hierbij van belang vast te stellen of getuigen verklaren over dezelfde feitelijke gebeurtenis(sen). Indien dit het geval is, moet in aanmerking worden genomen dat verschillende getuigen ieder slechts een deel van een gebeurtenis kunnen hebben waargenomen. Voorts dient bedacht te worden dat discrepanties kunnen voortkomen uit de factoren die hierboven (zie para. 20) zijn genoemd als mogelijke verklaringen voor inconsistenties. 25. Een belangrijk punt van aandacht in deze zaak is de omstandigheid dat tegenover getuigen die belastend voor verdachte hebben verklaard, veel verklaringen staan van getuigen die haar in alle opzichten lijken vrij te pleiten. De rechtbank zal hieraan in het bijzonder aandacht besteden in hoofdstuk 11. Toetsing aan andere (objectieve) bewijsmiddelen 26. De mogelijkheid van toetsing van de verklaringen van de getuigen aan (objectieve) gegevens is zeer beperkt. In het dossier bevinden zich geschriften (onder meer boeken, rapporten, artikelen en uitspraken van ICTR) die een beeld geven over de ontwikkelingen in Rwanda, in een enkel geval meer specifiek in Gikondo, in de ten laste gelegde periode en een DVD met beelden van een CDR-bijeenkomst in Butare op 5 december 1992.148 Voor wat betreft de aanval op de Pallottikerk op 9 april 1994 kunnen verklaringen van getuigen getoetst worden aan feitelijke vaststellingen door het Rwanda-tribunaal. Voorts is er beeldmateriaal over de woonomgeving van verdachte zoals dat in de loop van dit proces is verzameld. Ook bevindt zich in het dossier een overlijdensakte "certificat de décès" gedateerd 22 februari 1994 van [slachtoffer C]149, getekend door de arts M.F. Gillieaux.150 Ten slotte kunnen verklaringen van getuigen beoordeeld worden in het licht van de resultaten van de ingezette bijzondere opsporingsmiddelen (telefoontaps en OVC- gesprekken) en zich in het dossier bevindende documenten betreffende verdachte en haar familie. De plausibiliteit van de verklaring 27. Bij de beoordeling van de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen past grote terughoudendheid. Gelet op de bijzondere en extreme omstandigheden in Rwanda in de ten laste gelegde periode kan wat vanuit het eigen referentiekader niet goed voorstelbaar is toch mogelijk blijken. Conclusie 28. Toetsing van de verdachte belastende verklaringen op basis van bovengenoemde aandachtspunten kan afbreuk doen aan de bewijskracht daarvan. Dit kan ertoe leiden dat de betreffende verklaring geheel terzijde wordt gelegd, maar ook is mogelijk dat alleen delen daarvan niet voor het bewijs worden gebruikt. 29. De rechtbank benadrukt ten slotte dat zij de (betrouwbaarheid van
  12. de)getuigenverklaringen steeds zal bezien in onderling verband en samenhang met andere verklaringen en/of overige bewijsmiddelen. De rechtbank sluit zich wat dit betreft aan bij de uitspraak van de Kamer van Beroep van het Joegoslavië-tribunaal die in de zaak Kupreškic als volgt overwoog: "[...] the Appeals Chamber emphasised the importance of assessing the credibility of a witness in light of the trial record as a whole. The Appeals Chamber has reiterated the importance of such a holistic approach to assessing credibility within its own jurisprudence: A tribunal of fact must never look at the evidence of each witness seperately, as if it existed in a hermetically sealed compartment; it is the accumulation of all evidence in the case which must be considered. The evidence of one witness, when considered by itself, may appear at first to be of poor quality, but it may gain strenght from other evidence in the case".151 9. ALGEMENE BEWIJSVERWEREN 1. De verdediging heeft bij pleidooi, voorafgaand aan een bespreking van de belastende getuigen, enkele algemene beschouwingen gewijd aan het afleggen van onjuiste, meer in het bijzonder opzettelijk onjuiste, verklaringen. Zij heeft in dat kader onder meer gewezen op de voorzichtige bevindingen van professor dr. Nancy Combs in haar boek "Fact-finding without facts"152 dat liegen in de Rwandese samenleving minder problematisch wordt geacht dan in westerse landen. Als specifieke redenen om vals te verklaren heeft de verdediging genoemd de wens om bij te dragen aan een veroordeling van haar cliënte omdat zij kennelijk als génocidaire wordt gezien, een overtuiging die op weinig meer gebaseerd kan zijn dan dat zij een Hutu uit het noorden is die in het buitenland verblijft. Getuigen kunnen vanuit die overtuiging bewijs verzinnen om haar specifieke verwijten te maken. De Rwandese samenleving is geïmpregneerd met de gedachte dat uitsluitend Tutsi's de slachtoffers waren van de genocide en Hutu's de daders. Woede over het tijdens de genocide ondergane leed en algemene wraakgevoelens kunnen heel wel een rol hebben gespeeld bij de tegen verdachte afgelegde verklaringen. De verdediging heeft in dit kader ook gewezen op de werkzaamheden van Ibuka, een slachtoffer-organisatie die er niet voor terugdeinst aan te zetten tot het afleggen van valse verklaringen, vaak tegen beloftes van materiële compensatie. De valse beschuldigingen van enkelen kunnen, aldus de verdediging, ten grondslag liggen aan een in de gacaca's ontstane groepswaarheid, die door anderen wordt naverteld. In dit kader heeft de verdediging ten slotte gewezen op het rapport van Human Rights Watch over de gacaca-procedures.153 Daarin wordt beschreven dat in de gacaca-rechtbanken veel valse beschuldigingen worden geuit voortkomend uit zowel etnische vijandigheid als ook persoonlijke conflicten en financiële motieven. 2. Deze beschouwingen monden niet uit in een algemeen bewijsverweer. De verdediging verbindt daaraan immers -terecht overigens- niet de conclusie dat alle getuigen die in deze strafzaak belastend hebben verklaard liegen of al dan niet te goeder trouw leugens navertellen. De rechtbank vat het betoog van de verdediging op als een oproep de belastende verklaringen kritisch te beoordelen. De rechtbank heeft in het vorige hoofdstuk reeds benadrukt dat grote behoedzaamheid geboden is, waarbij expliciet gewezen is op de mogelijkheid dat getuigen een persoonlijk, etnisch, financieel of ander motief of belang hebben om in strijd met de waarheid een voor verdachte belastende verklaring af te leggen. De rechtbank heeft daarin ook aangegeven dat van groot belang is na te gaan of getuigen onderscheid kunnen maken tussen wat zij zelf hebben gezien en wat zij van anderen hebben gehoord. Dat de rechter-commissaris hierop ook zeer alert is geweest, blijkt uit de wijze waarop hij de getuigen heeft ondervraagd en zijn verslaglegging daarvan. De rechtbank verwijst hierbij in het bijzonder naar paragraaf 24 van hoofdstuk 4. 3. De verdediging heeft, zo vat de rechtbank ten minste haar pleidooi op, drie meer algemene bewijsverweren gevoerd. Dit betreft: (
  13. i)de stelling dat er sprake is van een "samenzwering" van belastende getuigen; (
  14. ii)de stelling dat de belastende verklaringen niet kunnen kloppen omdat verdachte vriendschappelijk omging met Tutsi's en een aantal van hen het leven heeft gered; (iii) de stelling dat de belastende verklaringen niet kunnen kloppen omdat niet minder dan 44 getuigen verdachte vrijpleiten van elke betrokkenheid bij de haar verweten gedragingen. 4. De rechtbank zal in dit hoofdstuk de verweren onder (
  15. i)en (
  16. ii)bespreken. Het verweer onder (iii) wordt besproken in hoofdstuk 11. De beweerdelijke samenzwering 5. Volgens de verdediging bestaat er een "groep profiteurs"154, "doortrapte bedriegers"155, personen die met elkaar verbonden zijn door familie- en/of vriendschapsbanden en op enig moment met elkaar hebben afgesproken verdachte vals te beschuldigen. Bron van deze valse beschuldigingen zijn de getuigen [getuige 6] en [getuige 1]. De groep bestaat verder uit [getuige 2](de echtgenote van [getuige 1]), [getuige 5], [getuige 8], [getuige 19], [getuige 7] en [getuige 20]. De groep is volgens de verdediging uit op onroerend goed dat toebehoort aan de na de genocide uit Gikondo gevluchte families Bucyana, Sefara en Basebya, danwel het verkrijgen van financieel voordeel van de vlucht van deze families. Om deze groep cirkelen ongeveer elf getuigen die in navolging van de groep eveneens belastend over verdachte hebben verklaard. 6. De verdediging onderbouwt haar stelling in de eerste plaats met een verwijzing naar het zogenoemde "plunderingendossier"156. Zij heeft in dit verband in het bijzonder aandacht gevraagd voor brieven van [getuige 8], [getuige 5], [getuige 19] en anderen aan onder meer de uitvoerend secretaris van gacaca- tribunalen op landelijk niveau, waarin zij zich beklagen over het optreden van Jean-Bosco Kaboyi, een lokale bestuurder in Kigarama, en gacaca-rechter Martin Rutajoga. Ook heeft de verdediging gewezen op artikelen in de Rwandese krant Rugari, waarin een journalist de - in de woorden van de verdediging - "duistere praktijken" beschrijft van "[getuige 19] en [getuige 8] en hun vrienden". Voorts heeft de verdediging in dit verband gewezen op de volgens haar valse verklaringen die [getuige 6] en [getuige 1] in maart 1995 in een onderzoek tegen [getuige 14] hebben afgelegd, en het vonnis van de rechtbank in Kigali d.d. 8 augustus 2003 waarin deze [getuige 14] is vrijgesproken.157 7. Het plunderingendossier bevat een hoeveelheid gacaca-stukken van de laatste herziening van de plunderingszaken tegen Martin Bucyana en anderen, onder wie verdachte. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verdediging zich bij de laatste getuigenverhoren van [getuige 8], [F], [getuige 19] en [getuige 10] bijna uitsluitend gericht heeft op de mogelijke rol van deze getuigen in het plunderingendossier. Uit deze verhoren rijst het beeld op dat deze getuigen verontwaardigd zijn over het optreden van genoemde Kaboyi en Rutajoga in door hen al dan niet gezamenlijk aangespannen procedures en dat zij zich daarover samen met anderen in brieven hebben beklaagd bij de Service National des Juridictions Gacaca (SNJG) en andere autoriteiten. De klachten betreffen tekortkomingen in de gacaca-procedures en het niet ten uitvoer leggen van gacaca-vonnissen waarin schadevergoedingen zijn toegekend. 8. De rechtbank stelt voorop dat het bij gedeelde belangen gezamenlijk optreden van eisers in een rechtsgeding, anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt, op geen enkele wijze achterdocht behoeft te wekken. Dit geldt ook voor het gezamenlijk schrijven van brieven met klachten over het optreden van overheidsdiensten of -functionarissen, ook indien wordt aangenomen dat de klachten ongefundeerd zijn, hetgeen in dit geval overigens allerminst vast staat. Dat in dit geval de gezamenlijk optredende eisers/klagers een samenzwering van leugenaars vormen is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Noch de gacaca-stukken, noch de brieven noch de verklaringen van getuigen bieden hiervoor enig aanknopingspunt. 9. De rechtbank voegt hieraan nog toe dat, voor zover uit het dossier blijkt, van de getuigen die de verd

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.