RECHTBANK DEN HAAG Kinderrechter Rekestnummer: JE RK 12-3582 Zaaknummer: C/09/433895 Datum beschikking: 19 maart 2013 Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing Beschikking op het op 4 maart 2013 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming Haaglanden (verder: de Raad), met betrekking tot de minderjarige: [minderjarige 1] geboren op [datum] 2012 te [plaats A] kind van: [mevrouw B] de moeder, die het ouderlijk gezag alleen uitoefent, en erkend door [de heer C] de vader, beiden wonende te [plaats D]. De minderjarige verblijft feitelijk in [instelling], een AWBZ-instelling. Procedure De kinderrechter heeft kennisgenomen van: - het op 21 december 2012 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift strekkende tot voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige; - de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 4 januari 2013; - het thans ingediende verzoekschrift; - de op 18 maart 2013 ter griffie van de rechtbank ontvangen aanvullende informatie van de zijde van de Raad. Op 19 maart 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen: - mevrouw [mevrouw E] en mevrouw [mevrouw F], namens de Raad; - mevrouw [mevrouw G], namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (verder Bureau Jeugdzorg); - de moeder en de vader, bijgestaan door hun advocaat, mr. S. van der Eijk. Feiten De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 4 januari 2013, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd, de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van 6 januari 2013 tot 21 maart 2013, alsmede voor dezelfde duur machtiging verleend aan Bureau Jeugdzorg, de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een ziekenhuis en aansluitend in een crisispleeggezin en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een aanbieder van zorg voor de duur van negen maanden. De grond van het verzoek is dat de minderjarige in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De bedreiging bestaat uit de verdenking van ernstige mishandeling door de ouders van de minderjarige en de daarbij behorende emoties van verdriet, onmacht en stress in het gezin. De vader en de moeder hebben zich niet tegen een ondertoezichtstelling van de minderjarige verzet. Zij hebben zich wel verzet tegen een voortzetting van de uithuisplaatsing van de minderjarige. De ouders kunnen zich niet vinden in de conclusie van de Raad dat de minderjarige nog niet teruggeplaatst kan worden bij de ouders. Met hun advocaat hebben zij naar voren gebracht dat zolang niet aangetoond kan worden dat de verwondingen bij de minderjarige door mishandeling zijn ontstaan, de minderjarige weer bij hen thuis kan wonen. Uit observaties tijdens de bezoekregelingen is immers gebleken dat de minderjarige en de ouders goed op elkaar reageren en dat niets een terugkeer van de minderjarige bij de ouders in de weg staat. De zorg die de Raad heeft over de veiligheid van de minderjarige kan door de ondertoezichtstelling weggenomen worden, daar met die maatregel een gezinsvoogd middels huisbezoeken toezicht kan houden op de veiligheid van de minderjarige. Beoordeling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er sprake is van ernstig letsel bij de minderjarige en dat de ouders ervan worden verdacht dat toegebracht te hebben. Er loopt thans een onderzoek naar de oorzaak van het letsel en zolang daarover onduidelijkheid is, is een terugkeer van de minderjarige bij de ouders niet aan de orde. De kinderrechter is van oordeel dat in deze situatie de veiligheid van de minderjarige voorop gesteld dient te worden. Nu de voorlopige ondertoezichtstelling is uitgesproken vanaf 21 december 2012, zal de kinderrechter de (definitieve) ondertoezichtstelling bepalen tot 21 december 2013. Derhalve zal als volgt worden beslist. Beslissing De kinderrechter: stelt de minderjarige van 19 maart 2013 tot 21 december 2013 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg; en machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een AWBZ-voorziening van 21 maart 2013 tot 21 september 2013 en verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2013, in tegenwoordigheid van A.U. Hatuina als griffier. Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te Den Haag.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.