vonnis RECHTBANK DEN HAAG C/09/438942 / HA ZA 13-2698 januari 2014 Team handel Vonnis van 14 mei 2014 in de zaak met nummer C/09/447673 / HA ZA 13-829 van 1. de naamloze vennootschap naar het recht van Caribisch Nederland NUSTAR TERMINALS N.V., 2. de naamloze vennootschap naar het recht van Caribisch Nederland NUSTAR TERMINALS MARINA SERVICES N.V., beide gevestigd te Sint Eustatius, eiseressen, advocaat mr. A.A.H.J. Huizing, tegen 1. de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN, zetelend te Den Haag, 2. het openbaar lichaam SINT EUSTATIUS, zetelend te Sint Eustatius gedaagden, advocaat mr. W.I. Wisman te Den Haag, Eiseressen worden tezamen worden aangeduid als Nustar cs en apart als Nustar en Nustar Marine. Gedaagden tezamen worden aangeduid als de Staat cs en apart als de Staat en Sint Eustatius. 1De procedure 1.1 De procedure blijkt uit de volgende stukken: - de dagvaarding van 27 juni 2013 met producties; - de conclusie van antwoord met producties; - het vonnis van 6 november 2013 waarin een meervoudige comparitie van partijen is gelast; - de akte houdende wijziging en vermindering van eis van Nustar cs; - de akte overlegging productie van Nustar cs; - de akte overlegging producties van de Staat cs; - het proces-verbaal van de op 20 februari 2014 gehouden comparitie van partijen. 1.2 Tot slot is een datum voor vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1 Nustar en Nustar Marine waren tot 2005 genaamd Statia Terminals N.V. respectievelijk Statia Terminals Marine Services N.V. (hierna tezamen ook: Statia cs). Sinds 2005 maakt Nustar cs deel uit van de onderneming Nustar Energy L.P., die zich bezig houdt met olieoverslag en pijplijnexploitatie. 2.2 Op grond van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 waren op Sint Eustatius gevestigde rechtspersonen winstbelasting verschuldigd. Het tarief van de winstbelasting was 34%. Voor op grond van de Landsverordening economische zones 2000 tot de economische zones toegelaten rechtspersonen - waaronder Nustar cs - gold een winstbelasting tarief 2% (artikel 11 Landsverordening economische zones 2000). 2.3 Op 22 februari 2006 is een overeenkomst (hierna: de ruling) getekend tussen het Eilandgebied Sint Eustatius, het Land van de Nederlandse Antillen en de “STNV Companies” waaronder Statia cs (hierna: de STNV groep). In de ruling, die met terugwerkende kracht aanving op 1 januari 2005 en een looptijd van tien jaar heeft, is een aantal fiscale en andere kwesties geregeld. De fiscale kwesties hebben - voor zover hier van belang - betrekking op de winstbelasting en een aantal eilandbelastingen. 2.4 Met betrekking tot de winstbelasting bevestigt de ruling dat de STNV groep is onderworpen aan de 2% winstbelasting die geldt voor tot de economische zone toegelaten rechtspersonen. De ruling bepaalt dat de STNV groep na betaling van een eenmalig bedrag van NAFL 5.000.000, vervolgens jaarlijks minimaal NAFL 1.000.000 per jaar aan winstbelasting verschuldigd is, met een mogelijkheid tot verrekening met andere jaren. Verder bevat de ruling een aantal afspraken over de wijze van voldoening van de winstbelasting. 2.5 In de Rijkswet van 7 september 2010 tot wijziging van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in verband met de wijziging van de staatkundige hoedanigheid van de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen (Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen) is het land Nederlandse Antillen opgeheven. Bij Wet van 17 mei 2010, houdende regels met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba) is Sint Eustatius een openbaar lichaam geworden. Deze transitie van land naar openbaar lichaam, die hierna wordt aangeduid als “de transitie”, vond plaats op 10 oktober 2010. 2.6 Na de transitie is een nieuw fiscaal stelsel ingevoerd, dat - voor zover van belang - inhoudt dat de winstbelasting is vervangen door een forfaitaire heffing over de op de BES eilanden gelegen onroerende zaken dat een lichaam in eigendom heeft (vastgoedbelasting) en een heffing over winstuitdelingen van op de BES eilanden gevestigde rechtspersonen (opbrengstbelasting). Tegelijk met het nieuwe fiscale stelsel is een nieuw geldstelsel ingevoerd, met de dollar als wettig betaalmiddel. 2.7 Omdat de transitiedatum een minder geschikte invoeringsdatum was voor het nieuwe fiscale stelsel en voor het gelijktijdig in te voeren nieuwe geldstelsel, zijn de fiscale stelselwijziging en de introductie van het nieuwe geldstelsel aan het begin van het nieuwe belasting- en kalenderjaar ingevoerd, per 1 januari 2011. 2.8 Het voor het nieuwe fiscale stelsel geldende overgangsrecht (hierna: het overgangsrecht) was in eerste instantie opgenomen in het wetsvoorstel Vaststelling van de Wet invoeringswet fiscaal stelsel BES (Invoeringswet fiscaal stelsel BES) en is uiteindelijk neergelegd in de Wet van 30 september 2010, houdende regels met betrekking tot het geldstelsel van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alsmede enige voorzieningen van overgangsrechtelijke aard (Wet geldstelsel BES) (Stb 2010/363). 2.9 Het overgangsrecht voorziet in een overgangsperiode vanaf het tijdstip van de transitie tot 1 januari 2011 (artikel 13a, aanhef en onder b Wet geldstelsel BES), waarin de landsverordeningen als wet van toepassing zijn (artikel 13b Wet geldstelsel BES) en luidt verder - voor zover hier van belang - als volgt: “Artikel 13b 1. Voor zover een belastingplichtige of inhoudingsplichtige op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip van transitie rechten en verplichtingen heeft, ingevolge: (…) c. de Landsverordening op de winstbelasting 1940; (…) s. de Landsverordening economische zones 2000; (…) Blijven deze rechten en verplichtingen daarna doorlopen en blijven de onder a tot en met z genoemde verordeningen en regelingen daarna ongewijzigd van toepassing. (…) 3. Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op, op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan het tijdstip van transitie, bestaande rechtsverhoudingen.” 2.10 Vanaf het tijdstip van de transitie is de Nederlandse Belastingdienst in de plaats getreden van en heeft zij alle taken en bevoegdheden overgenomen van - voor zover hier van belang - de voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba competente Inspecteur der Belastingen. 2.11 Vanaf de transitie geldt de volgende rechtsgang in belastingzaken. Degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag of tegen een ingevolge de belastingwet door de inspecteur genomen voor bezwaar vatbare beschikking, kan binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet of van het ter post bezorgde of uitgereikte afschrift van de beschikking een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de inspecteur (artikel 8.92 lid 1 Belastingwet BES). De inspecteur doet uitspraak op het bezwaarschrift. (artikel 8.93, lid 1, Belastingwet BES). Met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak. Een uitspraak wordt geacht niet tijdig te zijn gedaan indien de inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan. (artikel 8.93, lid 2, Belastingwet BES). In de in artikel 8.94 Belastingwet BES genoemde gevallen kan de inspecteur de termijn voor het doen van een uitspraak als bedoeld in artikel 8.93, tweede lid, verlengen met ten hoogste negen maanden (artikel 8.94 Belastingwet BES). Binnen twee maanden na dagtekening van de beslissing op bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de Raad van Beroep (hierna: de Raad) (artikel 8.101 Belastingwet BES), die uitspraak doet op beroepschriften inzake belastingen (artikel 8.97 Belastingwet BES). De Raad bestaat uit een voorzitter en twee leden. Voorzitter is de President van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het gemeenschappelijk Hof van Justitie) of zijn aangewezen plaatsvervanger. De leden worden door de voorzitter gekozen uit de bezoldigde met rechtspraak belaste leden, waaruit het Gemeenschappelijk Hof van Justitie is samengesteld, hetzij voor een bepaalde termijn, hetzij voor een bepaalde zaak. (artikel 8.98 Belastingwet BES). De procedure bij de Raad voorziet in een reactie van de inspecteur op de gronden van het beroep (artikel 8.105 Belastingwet BES) en in de mogelijkheid dat daarna schriftelijk wordt gerepliceerd en gedupliceerd, voor het onderzoek ter zitting, dat steeds plaatsvindt, tenzij partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven daarvan (artikel 8.106 en 8.107 Belastingwet BES). De daaropvolgende uitspraak op het beroep dient steeds de beslissing en de gronden dient te bevatten (artikel 8.112 en 8.113 Belastingwet BES). 2.12 Nustar cs is in eerste instantie in overleg getreden met de inspecteur over de gevolgen van de invoering van het nieuwe fiscale stelsel. In dat verband heeft zij om een nieuwe ruling gevraagd. Vervolgens heeft Nustar cs, die stelt dat zij op grond van het overgangsrecht aanspraak kan maken op naleving van de ruling, aangifte winstbelasting gedaan voor het jaar 2011. 2.13 Bij e-mailbericht van 20 november 2012 heeft de inspecteur aan Nustar cs laten weten dat de Nederlands-Antilliaanse wetgeving niet meer van toepassing is en dat daarmee ook de bestaande rulings die onder de Nederlands-Antilliaanse wetgeving toepassing vonden, komen te vervallen. 2.14 Bij brief van 7 december 2012 aan de inspecteur heeft Nustar cs gereageerd op het onder 2.13 bedoelde e-mailbericht, door kenbaar te maken dat de ruling in haar ogen op grond van het overgangsrecht en internationale rechtsbeginselen moest worden nageleefd. Nustar cs heeft verder gevraagd om te bevestigen dat dit e-mailbericht niet geldt als een voor bezwaar vatbare beschikking. 2.15 Nadat Nustar cs geen reactie had ontvangen op de onder 2.14 bedoelde brief, heeft zij bezwaar ingediend tegen het onder 2.13 bedoelde e-mailbericht. 2.16 Bij brief van 17 januari 2013 heeft de belastingdienst aan Nustar cs geschreven dat het e-mailbericht geen voor bezwaar vatbare beschikking is, maar een schriftelijke herhaling van het standpunt dat reeds in verschillende gesprekken met vertegenwoordigers van de belastingdienst maar ook van het ministerie van financiën aan Nustar cs kenbaar was gemaakt. 2.17 Op 12 juni 2013 zijn aanslagen vastgoedbelasting 2011 en 2012 opgelegd aan Nustar cs, die daar bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat bezwaar is ongegrond verklaard. Nustar cs heeft beroep aangetekend tegen deze beslissingen op bezwaar. De beroepsprocedure is aanhangig bij de Raad. 3Het geschil 3.1 Nustar cs vordert dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.