vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/442590 / HA ZA 13-523 Vonnis van 3 december 2014 in de zaak van de openbare rechtspersoon PROVINCIE ZUID-HOLLAND, zetelende te Den Haag, eiseres, advocaat mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam, tegen MR. J.P. VAN DEN BERG Q.Q. in de hoedanigheid van derde als bedoeld in artikel 20 Onteigeningswet (hierna: “OW”) voor de erven van [A], kantoorhoudende te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J.P. van den Berg te Den Haag. Partijen zullen hierna “de provincie” en “de erven van [A]” genoemd worden. 1De verdere procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van 17 juli 2013 en de daarin genoemde processtukken; het proces-verbaal van de descente van 7 november 2013 en de daarin genoemde stukken; - de brief van mr. De Jager van 21 november 2013, met bijlagen, aan de deskundigen; - de brief van mr. Van den Berg van 5 december 2013, met bijlage, aan de deskundigen; de brief van de deskundigen van 13 december 2013 aan mr. De Jager; de brief van mr. Van den Berg van 19 december 2013, met bijlage, aan de deskundigen; - de brief van mr. Van den Berg van 23 december 2013, met bijlage, aan de deskundigen; - de brief van mr. Van den Berg van 17 januari 2014, met bijlagen, aan de deskundigen; het concept deskundigenrapport; de brief van mr. De Jager van 14 maart 2014 aan de deskundigen; de brief van mr. Van den Berg van 16 april 2014, met bijlagen, aan de deskundigen; de brief van de deskundigen van 6 mei 2014 aan mr. De Jager; de brief van mr. De Jager van 20 juni 2014, met bijlagen, aan de deskundigen; de brief van mr. Van den Berg van 3 juli 2014, met bijlage, aan de deskundigen; het e-mailbericht van mr. De Jager van 7 juli 2014 aan de deskundigen; de brief van de deskundigen van 11 juli 2014 aan mr. De Jager; de brief van de deskundigen van 11 juli 2014 aan mr. Van den Berg; de brief van mr. De Jager van 7 augustus 2014, met bijlage, aan de deskundigen; de brief van mr. De Jager van 21 augustus 2014, met bijlage, aan de deskundigen; het definitieve deskundigenrapport van 26 augustus 2014 (depotnr. 14/44); de beschikking van 8 oktober 2014, waarbij pleidooi is bepaald op 4 november 2014; - de brief van mr. Van den Berg van 28 oktober 2014, met bijlagen, aan de rechtbank; - het e-mailbericht van mr. Van den Berg van 29 oktober 2014, met bijlage, aan de rechtbank; - het e-mailbericht van de deskundigen van 30 oktober 2014, met bijlage, aan de rechtbank; - de brief van mr. Van den Berg van 3 november 2014, met bijlage, aan mr. De Jager; de pleitaantekeningen van mr. De Jager; de pleitaantekeningen van mr. Van den Berg. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling 2.1. Bij vonnis van 17 juli 2013 (hierna: “het onteigeningsvonnis”) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten behoeve en ten name van de provincie van: - een gedeelte ter grootte van 01.87.00 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente], sectie [sectie], nummer [nummer 1], totaal groot 02.21.35 hectare ([grondplannummer]), gelegen nabij de [adres] te [gemeente], vrij van alle op deze zaak rustende lasten en rechten. 2.2. In het onteigeningsvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling voor de erven van [A] bepaald op € 134.100. 2.3. De opneming door de rechter-commissaris en de deskundigen als bedoeld in artikel 54j lid 1 juncto artikel 28 OW heeft op 7 november 2013 plaatsgevonden. 2.4. Op 27 december 2013 is het onteigeningsvonnis in de openbare registers ingeschreven. 2.5. Het onteigende bestaat uit een nagenoeg rechthoekig perceel met een lengte van circa 440 meter en een breedte van circa 40 meter (en circa 45 meter nabij de [weg]). Het perceel bestaat uit een licht hellende dijkweide met kleigrond. Plaatselijk bevindt zich katteklei in de grond. 2.6. Als het overblijvende wordt aangemerkt het niet onteigende deel van sectie [sectie], nummer [nummer 1], ter grootte van 00.34.35 hectare. Het onteigende en het overblijvende vormen samen met de percelen sectie [sectie], nummer [nummer 2], en sectie [sectie], nummer [nummer 3], een geheel van in totaal 04.61.60 hectare. Dit geheel, dat thans wordt gebruikt als grasland voor het beweiden van paarden van een manege, plaatselijk bekend als [weg] 60 te [gemeente], grenst aan de noordwestzijde aan deze manege, aan de zuidwestzijde aan de Dobbeplas en aan de noordoostzijde aan de [weg]. Het onteigende heeft aan de noordoostzijde een ontsluiting naar die openbare weg via een brug naast de [adres]. De brug verkeert in slechte staat. 2.7. Op het onteigende bevindt zich een schuur met een oppervlakte van circa 32 m², bestaande uit gemetselde muren en een dak van asbesthoudende golfplaten. De schuur verkeert in matige staat en wordt gebruikt als paardenstalling. Voor de schuur staat een elektriciteitskastje dat buiten gebruik is. 2.8. Het onteigende heeft de afgelopen decennia diverse bestemmingen gehad. Hieronder volgt een chronologisch overzicht van de bestemmingsplannen. 2.8.1. In 1962 heeft de gemeente het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in hoofdzaak [gemeente] 1962” vastgesteld. Het onteigende heeft daarin de bestemming ‘Agrarische doeleinden’ gekregen. 2.8.2. Op 20 maart 1973 is het bestemmingsplan “Buitengebied” vastgesteld. In dit plan is het onteigende bestemd als ‘Recreatiegebied’; recreatieve doeleinden van actieve aard met daartoe behorende bebouwing en voorzieningen, hetgeen nog nader moest worden uitgewerkt. Onder het bij het bestemmingsplan behorende overgangsrecht mocht het bestaande agrarisch gebruik van het onteigende worden voortgezet. 2.8.3. Op 7 juli 1999 is het bestemmingsplan “Balij” vastgesteld. In dit plan heeft het onteigende wederom een recreatieve bestemming gekregen, namelijk ‘Dagrecreatieve doeleinden’, met nadere aanduiding ‘paarden-schapenweiden’. Het bestaande agrarisch gebruik mocht op basis van overgangsrecht worden voortgezet. 2.8.4. Het huidige bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Balij – Bieslandse Bos”, vastgesteld op 28 juni 2007. Op basis daarvan heeft het onteigende onder meer de bestemming ‘Recreatieve Doeleinden Bos- en Natuurgebied’ gekregen. Op een gedeelte van het onteigende rusten verder de dubbelbestemmingen ‘(kernzone) waterkeringsdoeleinden’, ‘(beschermingszone) waterstaatsdoeleinden’ en ‘molenbiotoop’. Het bestaande agrarisch gebruik mocht op basis van het overgangsrecht worden voortgezet. 2.9. Het voortgezette agrarisch gebruik is (in ieder geval) geëindigd op 7 juni 2012. Het onteigende is vanaf dat moment namelijk verhuurd aan mevrouw [B] ten behoeve van voornoemde manege. 2.10. Op het overblijvende rust de bestemming ‘Agrarisch-Glastuinbouw’. 2.11. Bij rapport van 26 augustus 2014, ter griffie gedeponeerd op 3 september 2014, hebben de deskundigen omtrent de aan de erven van [A] toekomende schadeloosstelling als volgt geadviseerd: De waarde van het onteigende € 124.550 De waardevermindering van het overblijvende € nihil Inkomensschade € nihil Bijkomende schade € 350 Belastingschade € p.m. Rente € p.m. Totaal € 124.900 met gestanddoening van de bijkomende aanbiedingen. 2.12. Partijen hebben bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport. De waarde van het onteigende 2.13. De deskundigen hebben voor de waardebepaling tot uitgangspunt genomen dat het onteigende zijn hoogste waarde ontleent aan agrarisch gebruik. Dat gebruik mocht ook onder het overgangsrecht van het huidige bestemmingsplan “Balij – Bieslandse Bos” worden voortgezet, aldus de deskundigen. Dit uitgangspunt heeft de provincie niet bestreden. artikel 40c OW 2.14. In de eerste plaats zal worden beoordeeld of, zoals de erven van [A] stellen, bij de waardering van het onteigende moet worden uitgegaan van agrarisch gebruik met de waardeverhogende mogelijkheid om ter plaatse glastuinbouw te realiseren. Voor de beantwoording van die vraag onderzoekt de rechtbank het standpunt van de erven dat, naast het elimineren van de bestemmingsplannen “Balij – Bieslandse Bos” uit 2007 en “Balij” uit 1999, ook het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 – waarin voor het eerst een recreatieve bestemming aan het onteigende is toegekend – moet worden “weggedacht” (ook wel: “geëlimineerd”). 2.15. Op grond van het bepaalde in artikel 40c OW – het zogenaamde “eliminatiebeginsel” – wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (onder meer) de plannen voor het werk waarvoor onteigend wordt. 2.16. De stellingen van de erven van [A] laten zich in de kern als volgt samenvatten. Het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 moet worden geëlimineerd, omdat de daarin aan het onteigende gegeven recreatieve bestemming is bepaald door het ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaande beleidsplan “Delftse Hout”. Het plan voor het werk is het Bieslandse Bos. De aanleg daarvan dateert van het begin van de jaren zeventig. Het maakte toen deel uit van het plan “De Delftse Hout”. “Delftse Hout” is later “Bieslandse Bos” gaan heten. In het bestemmingsplan “Buitengebied” was al sprake van een concreet plan en dit bestemmingsplan, alsmede de daarop volgende bestemmingsplannen “Balij” uit 1999 en “Balij – Bieslandse Bos” uit 2007 zijn in zoverre dan ook slechts vastgesteld om de juridisch-planologische onderbouwing te geven die de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Aangenomen moet worden dat wanneer het plan “Delftse Hout” er niet zou zijn geweest, het onteigende in het bestemmingsplan “Buitengebied” niet een recreatieve bestemming, maar net als de naastgelegen percelen een agrarische bestemming met de mogelijkheid tot glastuinbouw zou hebben gekregen. Glastuinbouw was op grond van het bestemmingsplan “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962” – dat voorafging aan bestemmingsplan “Buitengebied” – op het onteigende immers toegestaan. 2.17. De deskundigen stellen zich op het standpunt dat het bestemmingsplan “Balij – Bieslandse Bos” uit 2007 het resultaat is van een beleidsontwikkeling die de provincie begin jaren ’90 heeft ingezet om doorlopende natuur- en recreatiegebieden aan te leggen in de “S-vormige” ruimte tussen de rond Den Haag en Rotterdam gelegen steden. Een eventueel plan voor het werk kan naar het oordeel van de deskundigen pas daarna zijn ontstaan, zodat het beleidsplan “Delftse Hout” niet kan gelden als het plan voor het werk. 2.18. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat gelet op de aanwezige dijkweide niet vast staat dat het onteigende perceel in zijn geheel feitelijk geschikt zou kunnen zijn voor glastuinbouw. Dit gegeven op zich zelf bezien is al voldoende om te betwijfelen of een redelijk handelend koper voor het perceel een prijs zou willen betalen als grond met glastuinbouwmogelijkheden. Daarbij komt dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat het onteigende perceelgedeelte in het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962” werkelijk een glastuinbouwbestemming had, omdat de handgeschreven planregels en de plankaart slecht leesbaar zijn. 2.19. Al aangenomen dat het perceel in het “Uitbreidingsplan in Hoofdzaak 1962” een glastuinbouwbestemming had, kan dit de erven gelet op het navolgende ook niet baten. Uit de toelichting op het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 blijkt dat de bestemmingsplanwijziging – van agrarisch naar recreatief – deels een eigen en zelfstandige werkzaamheid was van de gemeente [gemeente], waarbij deze “het belang van een open en recreatief [gemeente]” onderstreepte (pag. 8 van de toelichting). Dat de gemeente [gemeente] daarbij aansluiting heeft gezocht bij het (indicatieve) streekplan “Haagse Agglomeratie” en het plan “Delftse Hout”, past in een gangbare planologische ontwikkeling en laat onverlet dat zij in 1973 in vrijheid heeft kunnen kiezen voor de inpassing van een recreatieve bestemming ten behoeve van een groene bufferzone en voor de exacte begrenzing van de recreatieve bestemming die zich mede over het onteigende uitstrekt. Niet gebleken is dat de gemeente [gemeente] zich niet door eigen beleidsafwegingen heeft laten leiden, maar geheel (of: in overwegende mate) door het feit dat er een bestaand plan was waarvoor onteigend zou gaan worden, en dat tot de desbetreffende vaststelling noopte. Niet aannemelijk is aldus geworden dat zich rond 1973 een situatie voordeed waarbij de gemeente geen andere keuze had dan zich aan te sluiten bij een hoger ontwikkeld plan waarbij aan het onteigende al een concreet uitgewerkte recreatieve bestemming was toebedacht. (vgl. HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1684, en de conclusie van Advocaat-Generaal Huydecoper bij HR 8 februari 2013, NJ 2013, 318, in het bijzonder nrs. 31-32). 2.20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestemmingsplan “Buitengebied” uit 1973 niet moet worden geëlimineerd. De deskundigen hebben terecht belang gehecht aan het feit dat de latere bestemmingsplannen andere gebruiksmogelijkheden toekenden aan het onteigende dan het bestemmingsplan “Buitengebied”. 2.21. De deskundigen merken nog op dat in het midden kan blijven of bepaalde documenten uit de jaren ’90 kunnen worden gekwalificeerd als plan voor het werk. Het onteigende had namelijk ook in de jaren ’80 al een recreatieve bestemming en het onteigende ontleent zijn hoogste waarde aan het onder het overgangsrecht toegestane agrarische gebruik. 2.22. De rechtbank acht dit standpunt van de deskundigen juist. De rechtbank verbindt hieraan de conclusie dat een oordeel over de vraag of de bestemmingsplannen “Balij” uit 1999 en “Balij – Bieslandse Bos” uit 2007 geëlimineerd moeten worden, achterwege kan blijven, omdat dit voor het uitgangspunt van de waardering geen verschil maakt. 2.23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de deskundigen terecht zijn uitgegaan van een waardering van het onteigende op basis van de bestemming agrarisch gebruik zonder de waardeverhogende mogelijkheid om ter plaatse glastuinbouw te realiseren. artikel 40e OW 2.24. Vervolgens is de vraag aan de orde of artikel 40e OW moet worden toegepast. 2.25. Artikel 40e OW biedt een basis om eventuele planschade in het kader van de onteigeningsprocedure aan de orde te laten komen. Op grond van dit artikel wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde van een zaak de prijs verminderd of vermeerderd met voordelen of nadelen ten gevolge van bestemmingen die tot uitvoering komen door het werk waarvoor onteigend wordt. Prijsvermindering- of vermeerdering is alleen mogelijk voor zover deze voordelen of nadelen ook na toepassing van artikel 40d OW niet of niet geheel ten bate of ten laste van de onteigende behoren te blijven. 2.26. De erven van [A] zijn van mening dat zij recht hebben op vergoeding van het verschil tussen de waarde van het onteigende op basis van een recreatieve bestemming en diezelfde waarde op basis van een bestemming die glastuinbouw toestaat. 2.27. De deskundigen stellen zich op het standpunt dat geen plaats is voor toekenning van planschade. Volgens de deskundigen was eventuele planschade voorzienbaar. Het onteigende is immers omstreeks 28 juli 1973 aangekocht, terwijl het bestemmingsplan “Buitengebied” al op 20 maart 1973 is vastgesteld. Op het moment van aankoop was derhalve bekend dat het onteigende een recreatieve bestemming zou krijgen, aldus de deskundigen. 2.28. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 40e OW. Daarvoor is van belang dat artikel 40e OW spreekt over het nadeel ten gevolge van de – thans tot uitvoering komende – bestemming. Dat betekent dat er een causaal verband moet zijn tussen het nadeel en de bestemming in die zin dat de bestemming het nadeel tot gevolg heeft. En daarvan is geen sprake. Artikel 40e OW laat niet toe de bestemming die het onteigende heeft en de invloed daarvan op de waarde buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de aan de eigenaar toekomende schadevergoeding en voor die bestemming een andere in de plaats te stellen. Immers, enerzijds komt het bij dat artikel nu juist aan op de nadelige bestemming die het onteigende heeft en die door het werk waarvoor onteigend wordt tot uitvoering komt, en anderzijds biedt de wetsgeschiedenis van artikel 40e OW geen aanknopingspunt om dat artikel zo uit te leggen dat onder nadeel in de zin van die bepaling ook is begrepen het gemis van het voordeel van de waardestijging welke het onteigende zou hebben ondervonden als het een andere bestemming zou hebben gehad. 2.29. Voor [A] is er, gelet op het moment van aankoop van het onteigende, nooit uitzicht geweest op een hogere waarde dan de agrarische. Die laatste waarde moet aan de erven van [A] worden vergoed. De onteigening tegen de agrarische waarde maakt hen dan ook niet armer; zij lijden dus geen nadeel. Slotsom 2.30. De deskundigen waarderen het onteigende op een bedrag van € 124.550. Zij zijn hierbij uitgegaan van een grondwaarde van het onteigende van € 6,50 per m². Naar het oordeel van de rechtbank hebben de deskundigen hun advies overtuigend gemotiveerd aan de hand van de vergelijkingstransacties. De rechtbank zal dit advies volgen. Waardevermindering overblijvende 2.31. Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of sprake is van waardevermindering van de voor de erven van [A] overgebleven, niet in de onteigening betrokken (gedeelten van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.