← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2014:16648

beslissing WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG Meervoudige wrakingskamer Wrakingnummer 2014/41 zaak-/rekestnummer: C/09/470052/KG RK 14-1443 nummer hoofdzaak: SGR AWB 14/2956 datum beschikking: 11 augustus 2014 BESLISSING op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van: Mr. ir. H.S.M. KRUIJER, wonende te Heemstede, verzoeker, verder te noemen ‘Kruijer’, strekkende tot wraking van: Mr. E.I. BATELAAN-BOOMSMA, rechter in de rechtbank Den Haag, verder te noemen ‘de rechter’. Belanghebbende in deze procedure is: [de heffingsambtenaar], verder te noemen ‘de heffingsambtenaar’. 1De voorgeschiedenis en het procesverloop Kruijer heeft op 10 april 2014 bij deze rechtbank, team belastingrecht, een beroepschrift ingediend tegen een uitspraak van de [directeur bestuursorgaan] op een door Kruijer ingediend bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag 2013 waterschapslasten. Op 15 juli 2014 heeft in verband hiermee op een terechtzitting onder leiding van de rechter een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Van die behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Uit het proces-verbaal blijkt dat de rechter het onderzoek ter zitting heeft geschorst om de heffingsambtenaar in de gelegenheid te stellen binnen drie weken nadere stukken aan te leveren. Op 17 juli 2014 heeft de rechtbank van Kruijer een verzoek tot wraking van de rechter (gedateerd 16 juli 2014) ontvangen. Dit verzoek is door Kruijer aangevuld bij brieven van 21 en 23 juli

  1. Bij brief van 18 juli 2014 heeft Kruijer de rechtbank, team belastingrecht, verzocht het van de zitting van 15 juli 2014 opgemaakte proces-verbaal te corrigeren. De rechter heeft bij brief van 25 juli 2014 op het verzoek tot wraking gereageerd. De bij voormelde zitting aanwezige griffier heeft bij brief van 25 juli 2014 enkele opmerkingen gemaakt over de omstandigheden op de betreffende zitting en over het door hem opgestelde proces-verbaal. 2De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek Op 28 juli 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Kruijer is verschenen. Namens de heffingsambtenaar zijn [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] verschenen. Bij aanvang van de behandeling heeft Kruijer, nadat de voorzitter een korte opsomming had gegeven van de stukken die zich in het rechtbankdossier bevonden en hij een pleitnota had overgelegd, de wrakingskamer gewraakt. De mondeling voorgedragen wrakingsgronden luidden: 1) de wrakingskamer is niet naar behoren samengesteld, 2) de pleitnota van Kruijer met betrekking tot de zitting van 15 juli 2014 is ten onrechte niet aan het desbetreffende proces-verbaal gehecht, 3) de wrakingskamer heeft een brief van een buitenstaander toegelaten. Hij deelde daarbij mee het wrakingsverzoek nader schriftelijk te zullen motiveren en zo spoedig mogelijk aan de rechtbank toe te zullen zenden. Na beraad heeft de wrakingskamer ter zitting bij monde van de voorzitter als beslissing meegedeeld dat het verzoek tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling wordt gelaten. Kruijer heeft ter zitting een drietal omstandigheden aangevoerd, die zonder nadere motivering waarom hieruit partijdigheid van de wrakingskamer zou blijken, niet als wrakingsgronden gelden. Dit verzoek tot wraking van de wrakingskamer kan daarom niet anders worden beschouwd dan als kennelijk misbruik van het rechtsmiddel wraking. Hieraan doet niet af dat Kruijer heeft aangekondigd de wrakingsgronden nader schriftelijk te willen motiveren. Artikel 8:16 lid 3 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt immers dat alle feiten of omstandigheden tegelijk dienen te worden voorgedragen. Nadat de wrakingskamer bij monde van de voorzitter had medegedeeld de behandeling van het inleidende wrakingsverzoek voort te zullen zetten, heeft Kruijer de zittingzaal verlaten. 3Het standpunt van verzoeker Aan het wrakingsverzoek heeft Kruijer - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Door bij aanvang van de zitting te melden dat het beroep betrekking had op de aanslag 2013 waterschapslasten heeft de rechter te kennen gegeven niet geïnteresseerd te zijn in de inhoud van het beroep, aangezien het beroep betrekking heeft op de navorderingsaanslag
  2. Voorts heeft de rechter hem niet in de gelegenheid gesteld direct te reageren op een door de heffingsambtenaar aangevoerd verrassingsverweer en probeerde zij in een onderonsje met de heffingsambtenaar een probleem uit de wereld te helpen. Ten slotte is het onderzoek geschorst om de heffingsambtenaar in staat te stellen volstrekt irrelevante informatie te verstrekken en toonde de rechter geen enkele interesse voor een door Kruijer naar de zitting meegenomen bewijsstuk. 4Het standpunt van de rechter De rechter berust niet in de wraking. Zij voert aan dat zij uit het wrakingsverzoek opmaakt dat Kruijer zich niet kan vinden in een aantal door haar genomen procesrechtelijke beslissingen. Hierin kan volgens haar geen grond voor wraking zijn gelegen. 5De beoordeling Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden leveren geen grond op te vrezen dat het de rechter aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt. De gronden hebben betrekking op de wijze waarop de rechter de mondelinge behandeling heeft geleid en op haar beslissing het onderzoek ter zitting te schorsen. De wrakingskamer ziet niet in waarom de handelwijze van de rechter en/of de opmerkingen die zij ter zitting heeft gemaakt tot de conclusie zouden moeten leiden dat zij partijdig zou zijn dan wel dat zij daarmee de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Voorts is de beslissing om het onderzoek ter zitting te schorsen een processuele beslissing. Uitgangspunt is dat een processuele beslissing geen grond vormt voor wraking van de rechter. Alleen indien die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen. 6De beslissing De wrakingskamer: - wijst het verzoek tot wraking af, - bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek, - beveelt dat een afschrift van deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan: • Kruijer, • de heffingsambtenaar, • de rechter. Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G.M. van Rens, I.D. Bellaart en E. Rabbie, rechters, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2014.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.