vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 8 januari 2014 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/439371 / HA ZA 13-313 van 1. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOUWONDERNEMING STOUT B.V., gevestigd te Hardinxveld-Giessendam, 2. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HERKON B.V., gevestigd te Hardinxveld-Giessendam, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, advocaat mr. L. Mundt te Rotterdam, tegen 1. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] VASTGOED B.V., gevestigd te Veenendaal, gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, advocaat mr. H. Braak te Veenendaal, en tegen 2. besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNIT4 BUSINESS SOFTWARE BENELUX B.V., gevestigd te Sliedrecht, gedaagde in conventie, advocaat mr. D.B. Zieren te Rotterdam, met als gevoegde partij aan de zijde van H. [A] Vastgoed B.V.: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HANDELS- EN CONSTRUCTIEBEDRIJF [A] B.V., gevestigd te Veenendaal, advocaat mr. H. Braak te Veenendaal, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/445551 / HA ZA 13-717 van: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] VASTGOED B.V., gevestigd te Veenendaal, eiseres, advocaat mr. H. Braak te Veenendaal, tegen besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UNIT4 BUSINESS SOFTWARE BENELUX B.V., gevestigd te Rotterdam, gedaagde, advocaat mr. D.B. Zieren te Rotterdam, met als gevoegde partij aan de zijde van H. [A] Vastgoed B.V.: besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HANDELS- EN CONSTRUCTIEBEDRIJF [A] B.V., gevestigd te Veenendaal, advocaat mr. H. Braak te Veenendaal. Partijen zullen hierna Stout, Herkon (deze twee tezamen: Herkon c.s.), [A] en Unit4 genoemd worden. De gevoegde partij in de hoofdzaak zal Constructiebedrijf [A] worden genoemd, terwijl deze vennootschap tezamen met [A] zal worden aangeduid als: [A] c.s. 1Het verloop van het geding in de hoofdzaak en in de vrijwaringsprocedure 1.1. Het verloop van de procedure in de hoofdzaak blijkt uit: de dagvaardingen (tevens houdende een incidentele provisionele vordering ex art. 223 Rv. ingesteld tegen [A]) van 23 oktober 2012; het overzicht producties behorende bij de dagvaarding van Herkon c.s.; de conclusie van 21 november 2012 houdende vordering van [A] om Unit4 in vrijwaring te mogen oproepen, zowel in de hoofdzaak als in het incident ex art. 223 Rv.; de conclusie van antwoord in het incident (provisionele eis ex art. 223 Rv, tevens houdende incidentele conclusie tot voeging in het incident) van Unit4 van 21 november 2012; de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring van Herkon c.s. van 5 december 2012; de conclusie van antwoord in het incident tot voeging van Herkon c.s., d.d. 5 december 2012; de brief van 15 maart 2013 van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, waarin aan partijen is medegedeeld dat de zaak zal worden behandeld te Den Haag als ‘nevenzittingsplaats’ krachtens artikel 6 lid 2 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en dat de bij de rechtbank Rotterdam geplande comparitie van 25 maart 2013 geen doorgang zal vinden; de akte wijziging eis tevens overlegging producties van Herkon c.s. van 25 maart 2013; de conclusie van antwoord in de hoofdzaak tevens “voorwaardelijke eisen in conventie” (jegens Unit4) en in reconventie (jegens Herkon c.s.) van 25 maart 2013, van [A]; de akte houdende incidentele vordering tot voeging van [A] Constructiebedrijf, tevens houdende akte aanvulling eis in reconventie, van [A]; de inventarislijst, overgelegd door Herkon c.s. op 25 maart 2013; de inventarislijst van [A] van 25 maart 2013; de conclusie van antwoord in de hoofdzaak van Unit4 van 25 maart 2013; het vonnis in de incidenten van 15 mei 2013, waarin de provisionele vordering van Herkon c.s. is afgewezen, de door Unit4 gevorderde voeging in het incident is afgewezen, de door [A] Constructiebedrijf gevorderde voeging aan de zijde van [A] is toegestaan, de vordering van [A] tot oproeping van Unit4 in vrijwaring in de hoofdzaak wél, in het incident tot een provisionele voorziening niet is toegestaan, waarbij de beslissing op de proceskosten in de incidenten is aangehouden; in dit vonnis is, in de hoofdzaak, voorts een comparitie van partijen bevolen; de beschikking van 12 juni 2013 waarin de comparitie van partijen nader is vastgesteld op 11 november 2013; de beschikking van 18 juni 2013, waarin onder meer melding is gemaakt van drie vergissingen in het vonnis in de incidenten in de hoofdzaak; de conclusie van gevoegde partij Constructiebedrijf [A], tevens “uitlating antwoord dienaangaande” van [A] met een “voor zover nodig aanvullende vordering in reconventie” tot toepassing van BW 6:258; de beschikking van deze rechtbank van 5 augustus 2013, zowel in de hoofdzaak als in de vrijwaringsprocedure; de conclusie van antwoord in het voegingsincident tevens houdende antwoord “uitlating antwoord dienaangaande” van Herkon c.s. van 14 augustus 2013; de conclusie van [A] van 14 augustus 2013 in het incident tot voeging in de vrijwaringszaak; de akte uitlating (antwoord) van [A] naar aanleiding van de conclusie van de gevoegde partij Constructiebedrijf [A], d.d. 14 augustus 2013; de rolbeslissing van 11 september 2013; de inventarislijst van Herkon c.s. van 11 november 2013; het proces-verbaal van comparitie in de hoofdzaak en in de vrijwaringsprocedure van 11 november 2013, welk proces-verbaal, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid is opgemaakt; de brief van 29 november 2013 van de griffie aan de advocaten, waarin partijen de gelegenheid is geboden opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal aan de rechtbank kenbaar te maken. 1.2. Het verloop van de vrijwaringsprocedure blijkt uit: - de dagvaarding in vrijwaring van [A] van 11 juli 2013; de conclusie van antwoord in vrijwaring van Unit4 van 7 augustus 2013; de conclusie van antwoord met betrekking tot het voegingsincident van Constructiebedrijf [A] in de vrijwaringsprocedure; de incidentele conclusie tot voeging van Constructiebedrijf [A] van 25 september 2013; het vonnis van 23 oktober 2013 in het voegingsincident waarin het [A] Constructiebedrijf is toegestaan zich in de vrijwaringszaak te voegen aan de zijde van [A]; het proces-verbaal van comparitie in de hoofdzaak en in de vrijwaringsprocedure van 11 november 2013, welk proces-verbaal, met instemming van partijen, buiten hun aanwezigheid is opgemaakt; de brief van 29 november 2013 van de griffie aan de advocaten, waarin partijen de gelegenheid is geboden opmerkingen over de inhoud van het proces-verbaal aan de rechtbank kenbaar te maken. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten in de hoofdzaak en in de vrijwaringsprocedure 2.1. Nadat zij eerst een optie had gekregen heeft Herkon in maart 2011 een overeenkomst gesloten met de gemeente Sliedrecht, die haar ertoe verplichtte uiterlijk eind 2012 een perceel grond van de gemeente af te nemen en op enig moment te bebouwen. Het perceel grond is gelegen op het kantorenpark Stationspark II te Sliedrecht (verder te noemen: “het perceel”). Inmiddels heeft Herkon het perceel afgenomen. 2.2. Unit4 is in overleg getreden met OVG Projectontwikkeling BV (verder: OVG) over de realisatie van een tweede bedrijfspand op het perceel, welk pand bestemd zou zijn voor gebruik door Unit4 (hierna: “het bedrijfspand”). De bedoeling van Unit4 en OVG was dat het perceel door een belegger zou worden afgenomen van Herkon, nadat Stout, een aan Herkon gelieerde vennootschap, in opdracht van OVG, als projectontwikkelaar, de bouw voor haar rekening zou hebben genomen. Vervolgens zou het bedrijfspand door de belegger aan Unit4 worden verhuurd. Voor de bouw van het bedrijfspand was in februari 2011 een programma van eisen door Unit4 opgesteld. 2.3. Nadat de onderhandelingen tussen Unit4 en OVG in de eerste maanden van 2012 waren gestrand heeft Unit4 [A] benaderd om alsnog te komen tot realisatie van het aan Unit4 te verhuren bedrijfspand. Uitgangspunt van de gesprekken tussen [A] c.s., Herkon c.s. en Unit4 was dat [A] de rol zou gaan vervullen van financier, ontwikkelaar, belegger en verhuurder, terwijl de bouw van het pand door Stout en door Constructiebedrijf [A], een aan [A] gelieerde vennootschap, als “nevenaannemers”, zou worden gerealiseerd. 2.4. Tijdens de gesprekken tussen Herkon c.s., Unit4 en [A] c.s., vanaf ultimo maart 2012, werd Herkon c.s. vertegenwoordigd door [B], Unit4 door [C] en [D], [A] c.s. door [A]. Stichts Beheer BV (hierna: Stichts), voor welke rechtspersoon [E] optrad, vervulde een bemiddelende rol, mede met het oog op een door haar gewenste rol als projectmanager indien het project doorgang zou vinden. 2.5. Op 21 maart 2012 heeft Herkon c.s. aan [A] een overzicht van de stichtingskosten van het bedrijfspand, de in het kader van de ontwikkeling van het project te maken afspraken en een voorstel voor de verdeling van de bouwkosten verstrekt. Stichts heeft op 27 maart 2012 een e-mail houdende een “geheel vrijblijvende aanbieding” op hoofdlijnen aan Unit4 gestuurd. In deze aanbieding verwees Stichts naar het programma van eisen van Unit4 van 9 februari 2011, dat onverminderd gold als uitgangspunt voor de ontwikkeling van het bedrijfspand. In deze e-mail noemde Stichts als huurprijs van het bedrijfspand per 1 april 2011: € 738.986,- exclusief BTW voor het gebruik van de kantoorruimte en parkeerplaatsen, exclusief nader overeen te komen servicekosten. 2.6. Op 29 maart 2012 zond Stichts aan Unit4 een concept “huurovereenkomst kantoorruimte” en een concept samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ (beide aan te gaan door Unit4 en [A]) met het oog op de bouw en het gebruik van het te realiseren bedrijfspand, met het verzoek aan Unit4 aan Stichts kenbaar te maken of deze beide concepten tezamen met de inhoud van de e-mail van 27 maart 2012 (hiervoor genoemd) voldoende basis boden voor het realiseren van de nieuwbouw. 2.7. In haar brief van 16 april 2012 heeft Stichts aan Unit4, onder het kopje “Opmerkingen ten opzichte van bestek en tekeningen” geschreven: “Door UNIT4 zijn diverse wijzigingen aangegeven op de overzichtlijst vragen UNIT4 Sliedrecht aan OVG d.d. 20 januari 2012. Daarbij heeft de Belegger aangegeven dat het gebouw door middel van een staalconstructie met betonnen vloeren wordt uitgewerkt, buitengevels waarnodig met betonnen afwerking, en stalen gevelelementen. (…).” 2.8. Op 17 april 2012 zond Herkon c.s. een herziene versie van het overzicht van de stichtingskosten van het bedrijfspand aan [A]. Later die dag mondde een bespreking uit in het schudden van handen. Aanwezig bij die bespreking waren [B], [A] en namens Unit4: [D], [C] en [F]Ten vervolge op deze bespreking schreef Unit4 aan Stichts op 18 april 2012: “U heeft een vrijblijvende aanbieding gedaan terzake de realisatie samen met Stout (…) van het nieuw te bouwen (bedrijfspand) dat Unit4 mogelijk van ([A]) zal gaan huren. Deze aanbieding hebben we besproken en het ziet er op dit moment naar uit dat we elkaar op hoofdlijnen kunnen vinden. Wij zullen nog nader overleg moeten voeren.U heeft ons verzocht te bevestigen dat Unit4 voornemens is met uw bedrijf c.q. met ([A]) een nieuw (bedrijfspand) te ontwikkelen en huren, hetgeen wij bij deze doen. Op deze wijze kunt u met derde partijen en instanties de mogelijkheden en details van onze samenwerking onderzoeken. Overigens mag deze bevestiging niet worden opgevat als een acceptatie van uw aanbieding en kunnen er geen rechten aan worden ontleend.” 2.9. In een e-mail van 14 mei 2012 aan Stichts heeft Unit4 gereageerd op gespreksonderwerpen die aan de orde waren gekomen tijdens een bijeenkomst van partijen op 10 mei 2012. In deze e-mail van [D] is onder meer het volgende opgenomen: “3. Gevelbeplating[G] heeft aangegeven dat de thermische- en geluidsisolatie waarden akkoord zijn. Het esthetische is een ander punt. UNIT4 heeft besloten om in te gaan op de uitnodiging van Stichts Beheer en BIAS architecten om panden te bekijken waarbij gelijksoortige gevelbeplating is toegepast. Deze afspraak is inmiddels met [H] gemaakt voor dinsdag 22 mei om 13.30 uur in Hoofddorp.” 2.10. Op 16 mei 2012 stuurde Herkon c.s. een aangepaste samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’ aan [A], waarin [B] schreef: “Volgens mij gaan we een keer het einde naderen.” 2.11. In de loop van mei 2012 is bezien welke invloed een wijziging in het op dat moment actuele bouwplan van Herkon c.s. en [A] c.s. – namelijk de vervanging van de in het bouwplan beoogde stalen gevelplaten door stucwerk – zou hebben op de huurprijs voor Unit4. In een e-mail van 25 mei 2012 van [E] aan Unit4 schreef [E] dat de aanpassing van de gevel zou leiden tot een verhoging van de tot dan toe berekende jaarlijkse huurprijs, namelijk met een bedrag van € 21.550,- exclusief BTW.In reactie op deze e-mail van [E] schreef Unit4 op 29 mei 2012 het navolgende: “Zoals ook zojuist telefonisch aan je doorgegeven is Unit4 niet bereid om extra kosten of een huurverhoging voor haar rekening te nemen voor het veranderen van de stalen gevelpanelen in stucwerk. Naast de extra kosten speelt ook het principe een belangrijke rol. Vooraf was duidelijk wat Unit4 wenste.Wanneer jullie het gewenste pand tegen de afgesproken condities kunnen leveren heeft Unit4 geen argumenten die een overeenkomst in de weg staan.” 2.12. Op de hierboven deels geciteerde e-mail van Unit4 aan [E] reageerde [E] in een e-mail van 30 mei 2012 – voor zover relevant – als volgt: “ (…) Laat ons zeggen dat het ons zeer spijt, dat we op dit laatste onderdeel blijkbaar niet tot elkaar kunnen komen, ondanks de prettige en constructieve manier waarop we tot op heden hebben kunnen acteren met jou en de directie van Unit4 … Mede met de kennis, dat alle andere zaken in een wederzijds respect en vertrouwen zijn opgelost.Ik verneem gaarne of we in een open gesprek, en in het bijzijn met ([C]) een andere zienswijze vanuit beide partijen op deze materie kunnen geraken. Met andere woorden: wij pogen deze week een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te verkrijgen! (…)”De inhoud van deze e-mail heeft [E] voorafgaand aan verzending aan Unit4 ter goedkeuring voorgelegd aan [A] en [B]. 2.13. Tijdens een gesprek op 7 juni 2012 heeft Unit4 duidelijk gemaakt aan [B] en [E] dat haar raad van bestuur is gaan twijfelen aan de wenselijkheid van de bouw van het bedrijfspand, waarbij zij wees op de verwachte gevolgen van het inmiddels door ‘de politiek’ gesloten Lente-akkoord en de noodzaak tot maatschappelijk verantwoord ondernemen (in verband met de leegstand van bedrijfsgebouwen). 2.14. Tijdens een telefoongesprek op 8 juni 2012 heeft [B] aan Unit4 medegedeeld dat de hogere kosten (en de gevolgen daarvan voor de door Unit4 te betalen huurprijs) geen breekpunt zouden mogen vormen. 2.15. Tijdens een gesprek op 19 juni 2012 heeft Unit4 bekendgemaakt dat zij afzag van het realiseren van het bedrijfspand. Unit4 heeft deze beslissing bevestigd aan Stichts. 3. De vorderingen, de verweren – in de hoofdzaak, in conventie en in voorwaardelijke reconventie, alsmede in de vrijwaringsprocedure 3.1. Na wijziging van haar eis luiden de vorderingen van Herkon c.s. – samengevat – als volgt.Primair vordert ze een verklaring voor recht dat een samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’ tussen Herkon c.s. en [A] tot stand is gekomen, en veroordeling van [A] tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van deze samenwerkingsovereenkomst.Subsidiair vordert Herkon c.s. een verklaring voor recht dat een samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’ met [A] tot stand is gekomen en voorts tussen [A] en Unit4 de samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ én de huurovereenkomst tot stand zijn gekomen. Herkon c.s. vordert de veroordeling tot nakoming door [A] en Unit4 van al hun verplichtingen uit hoofde van deze overeenkomsten.Meer subsidiair vordert Herkon c.s. de veroordeling van [A] tot dooronderhandelen teneinde te komen tot een samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’, op straffe van een dwangsom.Nog meer subsidiair vordert Herkon c.s. [A] en Unit4 te veroordelen tot dooronderhandelen over de samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’ die gesloten zal worden door [A] en Herkon c.s., en over de samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ en de huurovereenkomst, beide laatstgenoemde overeenkomsten te sluiten door [A] en Unit4, zulks op straffe van een dwangsom.Nog verder subsidiair vordert Herkon c.s. een verklaring voor recht dat Unit4 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door lopende onderhandelingen met [A] te beëindigen, en vordert zij de veroordeling van Unit4 en [A], hoofdelijk, de door Herkon c.s. geleden schade te vergoeden, deels gespecificeerd in het petitum van de dagvaarding en overigens nader op te maken bij staat.Uiterst subsidiair vordert Herkon c.s. [A] en Unit4, hoofdelijk, te veroordelen om de haar geleden schade te vergoeden, zoals deels gespecificeerd in de dagvaarding (tot een bedrag van € 787.475 ten gunste van Stout, en tot een bedrag van €1.138.000 ten gunste van Herkon, beide bedragen te verhogen met wettelijke rente) en overigens op te maken bij staat.In alle voornoemde gevallen vordert zij de veroordeling van [A] en Unit4 in de buitengerechtelijke kosten, zoals genoemd in het petitum. 3.2. [A] en Unit4 voeren verweer tegen de vorderingen van Herkon c.s. 3.3. In conventie, althans in voorwaardelijke reconventie, vordert [A] primair een verklaring voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst tussen [A] en Unit4 en/althans de huurovereenkomst tussen [A] en Unit4 tot stand is gekomen en tot veroordeling van Unit4 tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst met [A].Subsidiair vordert [A] dat Unit4 wordt veroordeeld met [A] door te onderhandelen over de totstandkoming van een samenwerkingsovereenkomst en een huurovereenkomst tussen beide, op straffe van een dwangsom. Voorts vordert zij om Herkon c.s. te veroordelen met haar en met Unit4 door te onderhandelen, zulks op straffe van een dwangsom.Meer subsidiair vordert [A] veroordeling van Unit4 tot betaling aan haar van hetgeen [A] aan Herkon c.s. zal moeten voldoen.In alle gevallen vordert [A] dat Herkon c.s. en Unit4 worden veroordeeld tot vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten. Naar de rechtbank begrijpt vorder [A] voorts dat de samenwerkingsovereenkomst ‘bouw’ tussen [A] en Herkon c.s. wordt vernietigd althans dat de rechtbank deze overeenkomst op de voet van het bepaalde in artikel 6:258 BW geheel ontbindt. 3.4. [A] Constructiebedrijf, die zich heeft gevoegd aan de zijde van [A], valt laatstgenoemde bij in haar verweer tegen de vorderingen van Herkon c.s. en in haar voorwaardelijk reconventionele vorderingen, en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Herkon c.s. en tot toewijzing van de vorderingen van [A] in voorwaardelijke reconventie. 3.5. Herkon c.s. voert verweer tegen de voorwaardelijk reconventionele vorderingen. 3.6. In het vrijwaringsgeding tegen Unit4 vordert [A] – samengevat – het navolgende.Primair vordert [A] een verklaring voor recht dat een samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ en de huurovereenkomst tussen Unit4 en [A] tot stand zijn gekomen, en de veroordeling van Unit4 om al haar verplichtingen uit hoofde van de die overeenkomsten na te komen.Subsidiair vordert [A] de veroordeling van Unit4 door te onderhandelen over de samenwerkingsovereenkomst 'huur’ en de huurovereenkomst, op straffe van een dwangsom.Meer subsidiair vordert [A] de veroordeling van Unit4 om met haar en met Herkon c.s. door te onderhandelen, op straffe van een dwangsom.Uiterst subsidiair vordert [A] een verklaring voor recht dat Unit4 onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door lopende onderhandelingen over de samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ en de huurovereenkomst af te breken. Verder vordert ze dat Unit4, ter vrijwaring van [A], zal worden veroordeeld de schade die Herkon c.s. lijdt te betalen, welke schade deels is gespecificeerd in het petitum, deels moet worden opgemaakt bij staat.In alle gevallen vordert [A] de veroordeling van Unit4 tot vergoeding in de buitengerechtelijke kosten van juridische bijstand, zowel de kosten die Herkon c.s. heeft gemaakt, als de door haarzelf gemaakte buitengerechtelijke kosten. 3.7. [A] Constructiebedrijf die zich, ook in het vrijwaringsgeding, heeft gevoegd aan de zijde van [A], steunt [A] in haar vordering ingesteld tegen Unit4 en concludeert tot toewijzing van de vorderingen. 3.8. Unit4 voert verweer tegen de vorderingen in de vrijwaringsprocedure. 4De beoordeling In de hoofdzaak en in de vrijwaring de verwijzing naar deze rechtbank 4.1. De rechtbank Rotterdam heeft bij haar in 1.1 aangehaalde brief van 15 maart 2013 aan partijen meegedeeld dat deze zaak op grond van artikel 6 lid 2 Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen feitelijk (verder) wordt behandeld door een rechter in de rechtbank Den Haag, maar formeel een zaak van de rechtbank Rotterdam blijft. In het verlengde hiervan zijn de daarop gevolgde incidentele vonnissen en tussenvonnissen gewezen door de “rechtbank Rotterdam” op de “nevenzittingsplaats Den Haag”. Bij de voorbereiding van dit eindvonnis heeft de rechtbank vastgesteld dat artikel 6 lid 2 van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen per 1 januari 2013 is vervallen. Deze bepaling kan dus niet ten grondslag hebben gelegen aan de aanwijzing waarvan melding is gemaakt in de brief van 15 maart 2013. Van toepassing is artikel 46b van de Wet op de rechterlijke organisatie, dat met ingang van 1 januari 2013 de mogelijkheid biedt dat een rechtbank – in het daar omschreven geval, dat zich hier heeft voorgedaan – een zaak verwijst naar een andere rechtbank. De rechtbank Den Haag vat de in de brief van 15 maart 2013 vermelde aanwijzing op als een verwijzing op grond van dit nieuwe artikel. Dit betekent dat dit eindvonnis wordt gewezen door de rechtbank Den Haag. Dit is in de kop van dit vonnis tot uiting gebracht. in de hoofdzaak, in conventie 4.2. De rechtbank zal eerst beoordelen of tussen [A] en Unit4 een tweeledige overeenkomst (de samenwerkingsovereenkomst ‘huur’ en de huurovereenkomst) tot stand is gekomen (a). Mocht dat niet het geval zijn, dan is de vraag of Unit4 gehouden is verder te onderhandelen met [A] opdat deze overeenkomsten alsnog tot stand kunnen komen (b). De rechtbank zal moeten beslissen of tussen Herkon c.s. en [A] een samenwerkingsovereenkomst van kracht is geworden (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.