RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummers: SGR 13/1612, SGR 13/1614 tot en met SGR 13/1616 en SGR 13/1618 tot en met SGR 13/1623 uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2014 in de zaken tussen [X], wonende te [Z], eiser (gemachtigde: [A]), en de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder. Procesverloop SGR 13/1612 en SGR 13/1623 Verweerder heeft met dagtekening 31 december 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 1990 ([aanslagnummer 1]) en een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1991 ([aanslagnummer 2]) aan eiser opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen geen kwijtschelding is verleend. Voorts is bij beide navorderingsaanslagen heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraken op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de navorderingsaanslagen en de verhogingen, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd. Daarbij zijn de verhogingen kwijtgescholden tot op 80%. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1614 Verweerder heeft met dagtekening 30 december 2004 aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag ([aanslagnummer 3]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.061 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.431. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1615 Verweerder heeft met dagtekening 23 december 2005 aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag ([aanslagnummer 4]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.354 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.405. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1616 Verweerder heeft met dagtekening 21 december 2006 aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag ([aanslagnummer 5]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.355 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.846. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1618 Verweerder heeft met dagtekening 31 december 2007 aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag ([aanslagnummer 6]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.942 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.584. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1619 Verweerder heeft met dagtekening 10 december 2008 aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag ([aanslagnummer 7]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 30.020 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.775. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1620 Verweerder heeft met dagtekening 18 december 2009 aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag ([aanslagnummer 8]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.385 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.117. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 15 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1621 Verweerder heeft met dagtekening 26 november 2010 aan eiser voor het jaar 2007 een aanslag ([aanslagnummer 9]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.613 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 23.942. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 20 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. SGR 13/1622 Verweerder heeft met dagtekening 2 december 2011 aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag ([aanslagnummer 10]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.692 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 14.380. Bij de aanslag is een vergrijpboete van 100% opgelegd. Voorts is heffingsrente aan eiser in rekening gebracht. Bij uitspraak op bezwaar van 19 februari 2013 heeft verweerder de aanslag, alsmede de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd en de boetebeschikking vernietigd. Voorts is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 235. Alle beroepen Eiser heeft tegen de voormelde uitspraken op bezwaar in één geschrift beroep ingesteld. Verweerder heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2013. Namens eiser is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [B] en [C]. Ter zitting is tevens behandeld het beroep van eiser met nummer SGR 13/982. Daarnaast zijn ter zitting behandeld de beroepen van de echtgenote van eiser, alsmede de beroepen van een andere, door de gemachtigde van eiser vertegenwoordigde, belastingplichtige, welke beroepen eveneens betrekking hebben op in het kader van het Rekeningenproject opgelegde (navorderings)aanslagen, verhogingen, vergrijpboetes en heffingsrenten. Eiser heeft ter zitting nadere stukken overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen naar de door eiser ter zitting overgelegde stukken. Bij brief van 24 juli 2013 heeft verweerder zijn bevindingen aan de rechtbank meegedeeld. Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 28 augustus 2013. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en met toestemming van partijen bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. Overwegingen Feiten 1. In 1994 hebben (ex-)medewerkers van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg (hierna: de KB Lux) documenten en microfiches van de KB Lux ontvreemd. Deze gegevens zijn in handen gekomen van de Belgische autoriteiten. Op 27 oktober 2000 zijn deze gegevens door de Belgische autoriteiten op basis van de Richtlijn 77/799/EEG in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen verstrekt aan het Ministerie van Financiën te Den Haag. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het Rekeningenproject. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders waarvan de gegevens waren vermeld op de afdrukken van de microfiches (hierna: de renseignementen). De ontwikkelingen aangaande dit project zijn binnen de Belastingdienst verspreid door middel van het Draaiboek Rekeningenproject en nieuwsbrieven. 2. Verweerder heeft twee renseignementen ontvangen op naam van “[voornaam] [achternaam X]-[achternaam Y]” inzake bij de KB Lux aangehouden rekeningen. Het gaat daarbij om de volgende rekeningen: depositorekening met nummer [rekeningnummer], saldo per 31 januari 1994: ƒ 225.000; zichtrekening met nummer [rekeningnummer], saldo per 31 januari 1994: ƒ 3.943,77. 3. Eiser is gehuwd met [Y]. Eiser is voor de onderhavige jaren beschreven voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting. Verweerder heeft eiser geïdentificeerd als rekeninghouder van de onder 2. genoemde rekeningen. Eiser heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op rekeningen bij de KB Lux. 4. Verweerder heeft eiser op 12 maart 2002 een vragenbrief gestuurd ter zake van de in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief is een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. In dit formulier wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest. 5. Op 14 maart 2002 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en verweerder. Tijdens dat gesprek heeft eiser verklaard dat hij nooit een rekening in het buitenland heeft gehad. Voorts heeft eiser meegedeeld dat hij een oom en tante heeft met dezelfde namen. Eiser heeft het formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” op 14 maart 2002 ondertekend. Op het formulier verklaart eiser nooit een bankrekening in het buitenland te hebben gehad. 6. Bij brief van 29 maart 2002 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat onderzoek is gedaan naar de uitlatingen van eiser over een oom en tante met dezelfde namen en dat dit onderzoek niets heeft opgeleverd. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn verklaring te herzien. Als bijlage bij deze brief is wederom een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. Eiser heeft het formulier, gedateerd op 2 april 2002, retour gezonden. Op het formulier heeft eiser aangegeven dat hij deze niet kan ondertekenen omdat hij nooit een rekening in het buitenland heeft gehad. 7. Op 7 november 2002 is door een medewerker van de FIOD een proces-verbaal van de identificatie van eiser en zijn echtgenote als rekeninghouders opgemaakt. 8. Bij brief van 29 september 2005 heeft verweerder eiser verzocht om informatie over de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002. Eiser wordt verzocht om een overzicht per rekening te verstrekken van zijn banktegoeden en effecten per 1 januari 2002 en 31 december 2002. Voorts wordt eiser in de gelegenheid gesteld om gegevens te verstrekken van zijn bankrekening bij de KB Lux. Als bijlage bij deze brief is wederom een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. 9. Naar aanleiding van voormeld verzoek heeft eiser overzichten verstrekt van de in Nederland aangehouden banktegoeden en effecten. Het formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” is niet retour gezonden. 10. Bij brieven van 13 november 2006, 11 oktober 2007, 20 oktober 2008 en 26 oktober 2009 heeft verweerder eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld om gegevens te verstrekken van zijn bankrekeningen bij de KB Lux. Bij elke brief is als bijlage een formulier “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” gevoegd. Eiser heeft niet op de verzoeken van verweerder gereageerd. Geschil 11. In geschil is of eiser terecht is geïdentificeerd als rekeninghouder van de bankrekening bij KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer]. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is voorts in geschil of de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd, of de aangegeven belastbare inkomens uit sparen en beleggen voor de jaren 2001 tot en met 2008 terecht en naar de juiste bedragen zijn gecorrigeerd en of eiser recht heeft op een immateriële schadevergoeding in verband met de duur van de procedure. 12. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vermindering van de aanslagen voor de jaren 2001 tot en met 2008 en toekenning van een immateriële schadevergoeding. 13. Verweerder heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de verhogingen begrepen in de navorderingsaanslagen moeten vervallen. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen inzake de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1990 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 voor zover het de verhogingen betreft en tot ongegrondverklaring van de overige beroepen. 14. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Identificatie 15. De FIOD-ECD heeft een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de op de microfiches genoemde personen. Uit het onderzoek naar de op de microfiches genoemde “[voornaam] [achternaam X]-[achternaam Y]” is naar voren gekomen dat slechts één persoon met de achternaam [achternaam X] en de voornaam [voornaam] gehuwd is met een persoon met de naam [achternaam Y]. 16. Eiser heeft echter betwist dat de tenaamstelling van de rekening uniek is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het bevolkingsregister van de gemeente [Z] een identieke combinatie van namen voor komt. Het betreft wijlen de oom van eiser, [voorletter] [achternaam X], die gehuwd is (geweest) met wijlen [voorletter tante] [achternaam Y]. Hun zoon heet, evenals eiser, [voorletters X]. [achternaam X]. Volgens eiser hoeven de gegevens waarop verweerder zich baseert dan ook niet noodzakelijkerwijs op hem en zijn echtgenote betrekking te hebben. Het is immers mogelijk dat zijn oom destijds een rekening heeft geopend op naam van zijn zoon en zijn echtgenote. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser ter zitting onder meer een uitdraai uit de basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente [Z] overgelegd, alsmede stamboomgegevens welke hij via internet heeft verkregen. 17. Naar aanleiding van de door eiser ter zitting overgelegde stukken heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om onderzoek te doen naar deze stukken. Verweerder stelt na zijn onderzoek dat de stukken uit de bestanden van de gemeente [Z] als onrechtmatig verkregen bewijs moeten worden uitgesloten. Verweerder doet hierbij een beroep op schending van artikel 8 EVRM jegens de naamgenoot van eiser. Ingeval eiser zich zou beroepen op artikel 6 EVRM, stelt verweerder zich voorts op het standpuntd dat dit beroep moet afstuiten op artikel 17 EVRM. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende. 18. In zijn uitspraak van 29 juli 2011, 201011757/14/R1, ECLI:NL:RVS:2011:BR4025, heeft de Raad van State overwogen: “Voor de afbakening van wie als rechtssubjecten - (potentieel) rechthebbenden ter zake van EVRM-rechten - hebben te gelden, dient artikel 34 van het EVRM als uitgangspunt te worden genomen. Alleen partijen als bedoeld in artikel 34 van het EVRM, die bij het EHRM kunnen klagen over verdragsschending, kunnen rechthebbenden zijn in de zin van de EVRM-rechten. Een andere opvatting zou met zich brengen, dat bepaalde publiekrechtelijke rechtspersonen of hun organen weliswaar een beroep kunnen doen op EVRM-rechten, maar dit niet in een procedure bij het EHRM kunnen afdwingen. Een dergelijk uiteenlopen van formele proceduremogelijkheden en materiële rechten acht de Afdeling onverenigbaar met het stelsel van het EVRM.” Verweerder is geen partij als bedoeld in artikel 34 van het EVRM en kan daarom niet, ook niet namens een derde die geen partij is bij de procedure, beroep doen op schending van één van de rechten van het EVRM. Verweerders beroep op het EVRM faalt derhalve. De rechtbank ziet ook overigens geen reden om de stukken uit de bestanden van de gemeente [Z] buiten beschouwing te laten. 19. Zoals het Gerechtshof ’s-Gravenhage onder 5.2.1 in zijn uitspraak van 3 februari 2012, nr. BK-04/02510, van welke uitspraak een afschrift aan de onderhavige uitspraak is gehecht, reeds heeft overwogen, duidt in de werkwijze van de KB Lux het gebruik van een streepje tussen de namen [achternaam X] en [achternaam Y] op een huwelijkse verbintenis tussen deze personen. Zou de rekening toebehoren aan de neef en tante van eiser, wat eiser oppert, dan zou in de werkwijze van de KB Lux een andere notatiewijze gebruikt zijn, te weten “[voorletter X] [achternaam X] ou [voorletter tante] [achternaam Y]”. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6800 de uitspraak van het hof op dit punt in stand gelaten. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Aldus heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de tenaamstelling van de rekening uniek is en dat eiser derhalve terecht is geïdentificeerd als houder van de rekening bij de KB Lux met rekeningnummer [rekeningnummer]. De ter zitting door eiser overgelegde stukken geven de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel. Uit deze stukken blijkt slechts dat eiser een neef heeft met dezelfde naam en een tante met de naam [voorletter tante] [achternaam Y]. Dit feit wordt op zich niet door verweerder betwist. Dat de KB Lux een fout zou hebben gemaakt bij de tenaamstelling van de rekening acht de rechtbank niet aannemelijk. Rechtmatigheid van het bewijs 20. Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser houder is (geweest) van bankrekeningen bij de KB Lux gebaseerd op de in het renseignement opgenomen gegevens, zijnde de gegevens die waren begrepen in de door medewerkers van de KB Lux gestolen microfiches. Eiser stelt dat aldus sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. 21. Deze stelling van eiser faalt. Naar het oordeel van de rechtbank mag verweerder de gegevens afkomstig van de gestolen microfiches als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Nederlandse fiscus in het bezit van fotokopieën van de afgedrukte microfiches is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de microfiches op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de KB Lux en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (zie Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179). Ook de stelling van eiser dat het ministerie van Financiën al in 1995 op de hoogte was van gegevens met betrekking tot de KB Lux, zodat –aldus eiser – gerede twijfel bestaat of de uit België ontvangen gegevens wel “spontaan” zijn ontvangen en deze daarom niet gebruikt kunnen worden voor het opleggen van aanslagen, leidt niet tot een ander oordeel. Voornoemde stelling heeft eiser niet met stukken onderbouwd. De rechtbank acht dan ook niet aannemelijk dat de gegevens door de Nederlandse autoriteit (al eerder) op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Toepassing van de verlengde navorderingstermijn 22. De navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1990 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting 1991 zijn opgelegd met gebruikmaking van de twaalfjaarstermijn (ook genoemd: de verlengde navorderingstermijn) als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR). 23. Eiser stelt dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd en daarom dienen te worden vernietigd. 24. Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en BJ9120, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.