← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2014:3380

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: AWB 14/5293 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [geboortedatum], van Ethiopische nationaliteit, V-nummer [nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua), en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, (gemachtigde: D.A. Riezebos). Procesverloop Op 4 maart 2014 is eiseres, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000). Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 strekt dit beroep tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart

  1. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Verweerder heeft de omstandigheden genoemd in artikel 5.1b, eerste lid, zware feiten onder c, d, f en i en lichte feiten onder c en d van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) aan de maatregel ten grondslag gelegd.
  3. De rechtbank stelt vast dat eiseres de gronden die verweerder aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd, niet inhoudelijk heeft betwist. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, Vb 2000 zijn de gronden voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
  4. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting met betrekking tot de aanvraag voor toepassing van de motie Spekman in het kader van artikel 64 van de Vw 2000, blijkt dat verweerder de aanvraag enkel en alleen niet als aanvraag heeft geregistreerd, omdat bepaalde stukken niet waren aangeboden in een gesloten envelop. Daarnaast heeft verweerder conclusies verbonden aan het zwijgen van eiseres tijdens het vertrekgesprek, zonder daarbij acht te slaan op het bij verweerder uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 december 2013 (nr. 201211051/1/V2) bekende iMMO rapport van 6 september
  5. Er is sprake van een opstapeling van bureaucratische gegevenheden, die de rechtbank tot het oordeel brengen dat van een reële afweging van alle in aanmerking komende belangen geen sprake is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte in bewaring heeft gesteld. De bewaring was van aanvang af onrechtmatig.
  6. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard en de opheffing van de bewaring zal worden bevolen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiseres, in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig om haar een schadevergoeding toe te kennen van € 105,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 4 maart 2014 heeft doorgebracht in een politiecel en € 80,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 5 maart 2014 heeft doorgebracht in het huis van bewaring. Dit betekent dat een schadevergoeding van € 1.145,-- zal worden toegekend.
  7. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 978,--. Beslissing De rechtbank - verklaart het tegen de maatregel van bewaring gegrond; - beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring; - wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres een vergoeding toe, groot € 1.145,-- ten laste van verweerder, te betalen aan eiser; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 978,--, te betalen aan de rechtshulpverlener. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot-Akkerman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 maart
  8. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing. ************ De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 1.145,--. Aldus gedaan op 13 maart 2014 door mr. P.H. Banda, fungerend voorzitter.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.