RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht Registratienummer: Awb 14/6238 uitspraak van de meervoudige kamer op het beroep tegen de beëindiging van de maatregel op grond van artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 in de zaak tussen: [eiser] , geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, IND dossiernummer [nummer], V-nummer[nummer], raadsman mr. S.B. Kleerekooper, eiser; en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, vertegenwoordigd door R.L.F. Zandbelt, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2012 heeft verweerder aan eiser op grond van het bepaalde in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de verplichting opgelegd om met ingang van 23 mei 2012 te verblijven in de gemeente Deventer. Op 5 februari 2014 heeft verweerder deze maatregel beëindigd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2014. Eiser is niet verschenen, maar heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 kan door verweerder overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven regels, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, de vrijheid van beweging worden beperkt van de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, of die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, met uitzondering van de onderdelen b, d en e. Op grond van artikel 56, tweede lid, van de Vw 2000 blijft toepassing van het eerste lid achterwege wanneer en wordt beëindigd zodra de vreemdeling te kennen geeft Nederland te willen verlaten en hiertoe voor hem ook gelegenheid bestaat. 2. De maatregel van beperking van vrijheid van beweging, bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, kan ingevolge artikel 5.1 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bestaan uit een verplichting zich bij verblijf in Nederland in een bepaald gedeelte van Nederland te bevinden, of een verplichting zich te houden aan een verbod om zich in een bepaald gedeelte of bepaalde gedeelten van Nederland te bevinden. 3. Verweerder heeft de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, beëindigd, omdat niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om Nederland te verlaten. 4. Eiser heeft aangevoerd dat hij in 2012 heeft behoord tot de groep bewoners van een tentenkamp in Ter Apel en dat verweerder destijds ter beëindiging van dat tentenkamp gebruik heeft gemaakt van artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000, om aan hem opvang te kunnen verschaffen. Deze maatregel is, anders dan gebruikelijk, niet gepaard gegaan met daadwerkelijke beperking van eisers bewegingsvrijheid tot de aangewezen gemeente, aldus eiser. Verweerders motivering om de vrijheidsbeperkende maatregel te beëindigen, namelijk dat niet zou zijn gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om Nederland te verlaten, geldt voor velen die behoorden tot de groep bewoners van het tentenkamp. Niet is gebleken dat een individuele afweging heeft plaatsgevonden. Het procesdossier is zeer summier en niet is vast te stellen of de beëindiging van de maatregel een logisch gevolg is van het verloop van eisers procedure. De maatregel mocht niet rauwelijks en zonder deugdelijke individuele afweging worden beëindigd, zo stelt eiser. 5. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het besluit tot beëindiging van de maatregel op grond van artikel 56 van de Vw 2000 niet valt onder artikel 93 van de Vw 2000 en de Regeling rechtstreeks beroep (hierna: de Regeling) in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder g, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). In artikel 93, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een ingevolge hoofdstuk 5 van de Vw 2000 genomen maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking voor de toepassing van artikel 8:1 van de Awb gelijkgesteld met een besluit waartegen rechtstreeks beroep openstaat. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake, nu het hier de beëindiging van de maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking betreft. De rechtbank is derhalve onbevoegd om kennis te nemen, aldus verweerder. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat nu niet is gebleken dat eiser inspanningen heeft verricht om tot vertrek te komen, de vrijheidsbeperkende maatregel op goede gronden en voldoende gemotiveerd is beëindigd. 6. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van het beroep. 7. Hoewel eiser ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard met onderhavige procedure niet heeft bedoeld opnieuw opvang te verkrijgen, hecht de rechtbank er aan, met name vanwege dat wat verweerder ter zitting naar voren heeft gebracht, vooreerst te overwegen en zulks onder verwijzing naar de uitspraak van 28 december 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2012:BY8256), dat de aan eiser opgelegde maatregel geen grond biedt voor de aan hem geboden opvang. Nu de aan eiser geboden opvang geen grond vindt in een wettelijke regeling, dient de beëindiging van de aan hem geboden opvang te worden aangemerkt als een feitelijke handeling, die krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 wordt gelijkgesteld met een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. 8. Ten aanzien van het beroep, voor zover dat is gericht tegen de beëindiging van de maatregel strekkende tot vrijheidsbeperking, overweegt de rechtbank als volgt. 9. De rechtbank is gebleken dat de Regeling per 1 januari 2014 is gewijzigd en dat sindsdien artikel 56 van de Vw 2000 niet meer met een afzonderlijke vermelding daarin voorkomt. Uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 699, nr. 3) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Vw 2000 en de Awb (Staatsblad 2013/550) blijkt dat bij de wijziging kritisch is gekeken naar de formuleringen van de Regeling, waarin onder meer enkele dubbele vermeldingen stonden. Artikel 56 van de Vw 2000 bleek zowel direct (sub
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.