RECHTBANK DEN HAAG Team kanton Den Haag at Rolnummer: 2412303 RL EXPL 13-30036 15 april 2014 Vonnis in de zaak van:
(2011)174 definitief). De door [eisers] in de dagvaarding geciteerde passage uit deze mededeling ziet naar het oordeel van de kantonrechter op de toepassing van artikel 6 van de Verordening (bijstand bij vertraging). In de inhoud van de mededeling ziet de kantonrechter geen aanleiding om te veronderstellen dat de Europese Commissie het standpunt ten aanzien van artikel 6 van de Verordening van overeenkomstige toepassing acht op artikel 7 van die Verordening in samenhang met het Sturgeonarrest, zoals [eisers] kennelijk voorstaan. Gesteld noch gebleken is dat de Europese Commissie (of enige andere gemeenschapsinstelling) ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen over de in deze zaak aan de orde zijnde rechtsregel, zodat dit geen punt is waarmee de kantonrechter Haarlem rekening had moeten houden.
- Gelet op het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat er geen sprake is van een kennelijke schending van het unierecht door de kantonrechter Haarlem. Dat er destijds niet voor is gekozen om prejudiciële vragen te stellen is gelet op de aard van de praktijk van een kantonrechter niet onbegrijpelijk. Deze enkele omstandigheid rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een kennelijke schending van het toepasselijke recht. Derhalve is niet voldaan aan de voorwaarden om te komen tot schadeplichtigheid van de Staat. Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de schending van de op de Staat rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade niet te worden beantwoord.
- De slotsom is dat de kantonrechter de vorderingen van [eisers] tot vergoeding van schade zal afwijzen. De nevenvorderingen volgen dit lot. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de onweersproken gevorderde wettelijke rente en de nakosten. Voor zover nakosten gemaakt worden levert deze kostenveroordeling ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010 (LJN BL1116) een executoriale titel op voor die kosten. De begroting van de nakosten kan in een later stadium geschieden, nu nog niet bekend is welke nakosten zullen ontstaan. Daarbij wordt opgemerkt dat de kosten van de betekening niet vallen onder de nakosten als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv, maar vallen onder de ambtsverrichtingen van de gerechtsdeurwaarder, waarvoor deze op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders een bedrag aan de schuldenaar in rekening kan brengen. Beslissing De kantonrechter: - wijst de vorderingen af; - veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de Staat begroot op nihil aan verschotten en € 350,= aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 dagen na het uitspreken van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.M. van Baardewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2014.