RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 13/7577 uitspraak van de enkelvoudig kamer van 22 januari 2014 in de zaak tussen [eiseres], vennootschap naar Ests recht, gevestigd te [plaats] (Estland), eiseres (gemachtigde: mr. K. Vierhout), en de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder (gemachtigden: mr. W. Autar, E.G. Rosenbrand en M. Drijer). Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2013 is aan eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van € 2.200,- wegens overtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Atbv). Bij besluit van 8 augustus 2013 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 17 september 2013 beroep ingesteld. Bij schrijven van 16 oktober 2013 heeft eiseres de beroepsgronden nader aangevuld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2013. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden, Overwegingen 1 Op 5 maart 2013 heeft een inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: Inspectie) een voertuig (kenteken [kenteken], merk Scania, type R-serie) gecontroleerd. Het voertuig werd bestuurd door de heer [A] die ten tijde van de controle in opdracht van eiseres vervoer verrichtte. Uit onderzoek bleek dat de werking van de tachograaf als gevolg van het gebruik van een voorziening was gemanipuleerd. Voor deze overtreding heeft verweerder aan eiseres de boete opgelegd. Nu er sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 10:15 van de Arbeidstijdenwet (Atw), te weten dat het beboetbare feit heeft plaatsgevonden met of door middel van een voertuig waarvan aannemelijk is dat de houder van het kenteken geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft of dat de bestuurder van het voertuig in Nederland geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, heeft de inspecteur direct ter plaatse de boete geïnd. 2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de boete gehandhaafd. Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat door eiseres is gehandeld in strijd met artikel 2.4:13, tweede lid, van het Atbv in samenhang met artikel 1 en artikel 13 van de Verordening (EEG) nr. 3821/85 (Verordening 3821/85). Daartoe heeft verweerder overwogen dat de inspecteur heeft vastgesteld dat de tachograaf op 1 maart 2013 omstreeks 21:01:41 uur rust registreerde, terwijl in dat tijdvak door wielsensoren van het voertuig met kenteken [kenteken] het ronddraaien van voertuigwielen werd geregistreerd. Dit heeft geleid tot de foutcode 2789 (onaannemelijke snelheidssignalen) die 90 keer was geregistreerd in het motormanagement. Een onwaarschijnlijk snelheidssignaal ontstaat als de informatie van de wielsensoren van de vrachtauto naar het motormanagement niet overeenkomt met het snelheidssignaal afkomstig van de tachograaf. Dit kan het gevolg zijn van een storing of manipulatie van de tachograaf. Aangezien in de controleperiode geen storingen waren geregistreerd betreffende de sensor en de tachograaf die het rijden in geregistreerde rusttijd kon verklaren heeft de inspecteur vastgesteld dat er sprake was van manipulatie van de tachograaf. 3 Eiseres stelt zich in beroep - samengevat - op het standpunt dat de opgelegde boete in strijd is met artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (oud artikel 12), omdat eiseres anders dan ingezetenen de boete ter plekke diende te betalen. Eiseres stelt dat verweerder geen rechtvaardiging heeft voor deze ongelijke behandeling omdat de boete op grond van kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) (het kaderbesluit) eenvoudig in een ander Europees land geïnd kan worden. Eiseres stelt, onder verwijzing naar de conclusie van de advocaat-generaal E. Sharpston van het Europees Hof van Justitie van 18 juli 2013, in de zaak Balaz, C-60/12, dat het kaderbesluit van toepassing is nu de boete een punitieve sanctie betreft, zodat de bestuursrechter in deze een in een strafzaak bevoegde rechter is. Verweerders standpunt, dat de opgelegde boete niet binnen de werkingssfeer van het kaderbesluit valt, is onjuist. 4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 5 Ingevolge artikel 1, van de Verordening 3821/85 moet het controleapparaat in de zin van deze verordening ten aanzien van zijn constructie-, installatie-, gebruiks- en controle-eisen voldoen aan de voorschriften van deze verordening, met inbegrip van de bijlagen I en II. Ingevolge artikel 13 van de Verordening 3821/85 zien de werkgever en de bestuurder toe op de juiste werking van het controleapparaat. Artikel 2.4:13, tweede lid, van de Atbv bepaalt dat het verboden is te handelen in strijd met de artikelen 1, 3, eerste lid, en 13 tot en met 16 van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van het Atbv levert het niet naleven van artikel 2.4:13, tweede lid, een beboetbaar feit op. De hoogte van de boete heeft verweerder gebaseerd op de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) (de beleidsregel). Blijkens bijlage 1 van de beleidsregel (Stcrt. 2012, 8973) wordt voor het niet naleven van artikel 2.4:13, tweede lid, van de Atbv aan de werkgever een boete opgelegd van € 2.200,-. Ingevolge artikel 18 van het EG-Verdrag (artikel 12 oud) is binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen daarin gesteld, elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden. 6 De rechtbank overweegt als volgt. 6.1 Met betrekking tot het betoog van eiseres dat het bestreden besluit strijdig is met het discriminatieverbod omdat verweerder ter plekke de boete heeft geïnd, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 10:15 juncto 10:17 van de Arbeidstijdenwet kan de toezichthouder direct ter plaatse een boete innen als de overtreding heeft plaatsgevonden met of door middel van een voertuig waarvan aannemelijk is dat de houder van het kenteken geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. De rechtbank constateert dat er derhalve sprake is van ongelijke behandeling tussen overtreders met bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en overtreders zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland. Eiseres stelt dat er geen rechtvaardiging is voor het aparte inningenbeleid, omdat de boete op grond van het kaderbesluit ook in het buitenland afgedwongen kan worden. De rechtbank ziet zich dan ook allereest voor de vraag gesteld of de opgelegde boete binnen de werkingssfeer van het kaderbesluit valt. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Blijkens de considerans van het kaderbesluit moet het beginsel van wederzijdse erkenning worden toegepast op geldelijke sancties die door rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten zijn opgelegd, zodat dergelijke sancties in een andere lidstaat dan die waar zij worden opgelegd, gemakkelijker ten uitvoer kunnen worden gelegd. Het kaderbesluit dient zich uit te strekken tot geldelijke sancties die ten aanzien van inbreuken op de verkeerswetgeving worden opgelegd. Gelet op artikel 1 van het kaderbesluit wordt verstaan onder: a) beslissing: een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door: i) een rechter van de beslissingsstaat ten aanzien van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit; ii) een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter, ten aanzien van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter; iii) een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter ten aanzien van een feit dat naar het nationale recht van de beslissingsstaat wordt bestraft als inbreuk op de rechtsvoorschriften, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter; iv) een met name in strafzaken bevoegde rechter, indien de beslissing is gegeven met betrekking tot een onder iii) bedoelde beslissing; b) geldelijke sanctie: de verplichting tot betaling van i) een geldsom die in geval van veroordeling wegens een strafbaar feit bij beslissing is opgelegd; ii) een schadevergoeding die bij dezelfde beslissing is toegewezen aan het slachtoffer, indien het slachtoffer niet als burgerlijke partij aan de procedure kan deelnemen en de rechter zijn rechtsmacht in strafzaken uitoefent; iii) een geldsom voor de kosten van de rechterlijke of bestuursrechtelijke procedure die tot de beslissing leidt; iv) een geldsom ten behoeve van een overheidsfonds of een organisatie voor slachtofferhulp die bij dezelfde beslissing is opgelegd. Onder „geldelijke sanctie” vallen niet: — beslissingen tot confiscatie van hulpmiddelen of opbrengsten van strafbare feiten; — civielrechtelijke beslissingen die voortvloeien uit een vordering tot schadevergoeding of tot teruggave en die uitvoerbaar zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.