Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 13-716 Zaaknummer: C/09/450611 Datum beschikking: 8 april 2014 Omgang, informatieregeling en status- en afstammingsvoorlichting Beschikking op het op 10 september 2013 ingekomen verzoek van: [de man], de man, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.D. Verwoerd te Alphen aan den Rijn. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw], de vrouw, wonende te [woonplaats]. Procedure De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder: - het verzoekschrift; - de brief d.d. 11 februari 2014, met bijlagen, van de zijde van de man. Op 26 februari 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man en zijn advocaat. De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Verzoek Het verzoekschrift strekt ertoe: 1. primair te bepalen dat het in het belang van de minderjarige is om omgang te hebben met de man en een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de minderjarige vanaf het begin gedurende vier weken van 10.00 uur tot 12.00 uur op zaterdag of zondag omgang heeft met de man, de vier opvolgende weken iedere zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 14.00 uur bij de man verblijft en vervolgens iedere zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur bij de man verblijft; subsidiair de beslissing ten aanzien van het primair verzochte aan te houden en te bepalen dat de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek zal doen naar de mogelijkheden voor het treffen van een omgangsregeling en een bijzondere curator te benoemen; 2. een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de vrouw is gehouden om de man twee maandelijks schriftelijk op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de minderjarige en dat zij daarbij een recente (pas)foto meezendt; 3. te bepalen dat de minderjarige status- en afstammingsvoorlichting dient te krijgen binnen een termijn van drie maanden, dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn en, indien de rechtbank dit nodig acht, de raad voor de kinderbescherming op te dragen de vrouw en de minderjarige hierin te begeleiden, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad gedurende ongeveer een jaar tot eind april 2004. - Uit de vrouw is het volgende thans nog minderjarige kind geboren: - [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats]. - [erkenner] heeft de minderjarige, met toestemming van de vrouw, op 4 januari 2007 erkend. - De vrouw is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over de minderjarige belast. - Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 18 augustus 2008 is het verzoek van de man om vervangende toestemming voor erkenning door de man dan wel vernietiging van de erkenning door[erkenner], afgewezen en is de man niet- ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om omgang met de minderjarige. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man geenszins heeft aangetoond in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige te staan. In die procedure stond tussen partijen vast dat de man de verwekker is van het kind. - De man heeft met de minderjarige nimmer contact gehad. Beoordeling Omgang Ontvankelijkheid Blijkens artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW), eerste lid – voor zover hier van belang – heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe betrekking tot hem staat. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van een ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, een omgangsregeling vast. Nu de nieuwe partner van de vrouw de minderjarige heeft erkend, heeft de man als verwekker geen mogelijkheid om het juridisch vaderschap (hiervoor aangeduid met de term ‘ouder’) te verwerven. De rechtbank zal in het navolgende nagaan of de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot omgang met de minderjarige op grond van zijn stelling dat hij een nauwe persoonlijke betrekking heeft met de minderjarige. De rechtbank stelt voorop dat in de eerdere beschikking van 18 augustus 2008 reeds is overwogen dat een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Door de man zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) De man heeft zich op het standpunt gesteld dat er door toedoen van de vrouw geen sprake is van het vereiste ‘family life’, maar dat er wel sprake is van ‘intended family life’, oftewel het voornemen tot familieleven, omdat de man vanaf het moment dat hij op de hoogte was van de zwangerschap heeft aangegeven dat hij een vader wilde zijn voor de minderjarige. De man beroept zich op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Anayo tegen Duitsland van 21 december 2010, EHRM, nr. 20578/07, NJ 2011,508 (rechtsoverweging 57 en 60) waarin het EHRM heeft bepaald dat het voornemen tot ‘family life’ onder omstandigheden ook valt onder de reikwijdte van het in artikel 8 van het EVRM beschermde recht op familieleven. Tevens doet de man een beroep op schending van zijn privéleven, een recht dat ook door voormeld artikel wordt beschermd. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt inmiddels dat in gevallen waarin geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, zoals hiervoor weergegeven, een verzoek tot omgang van een verwekker van een kind niet zonder meer kan worden afgewezen. Zeker niet in de situatie dat het aan de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.