← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2014:7768

Rechtbank Den Haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/465259 / KG ZA 14-528 Vonnis in kort geding van 12 juni 2014 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. M.G.J. Smit te Rotterdam, tegen: de publiekrechtelijke rechtspersoon de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie), zetelende te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 juni 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.

  1. [eiser] is partij in meerdere gerechtelijke procedures, die aanhangig zijn (geweest) bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. 1.
  2. In het kader van deze veelal civiele procedures, waarbij [eiser] doorgaans in persoon en zonder bijstand van een gemachtigde procedeert, heeft [eiser] op meerdere dagen telefonisch contact gezocht met medewerkers van de afdeling Privaatrecht en de klachtenfunctionaris van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Daarnaast heeft [eiser] zich meerdere keren bij die rechtbank gemeld om navraag te doen over de zaken waarin hij betrokken is. De vragen van [eiser] hadden onder meer betrekking op het achterlaten van stukken aan de informatiebalie en op de betaling van griffierecht. 1.
  3. De bezoeken en telefoontjes van [eiser] hebben geleid tot intern mailverkeer binnen de rechtbank Noord-Nederland. 1.
  4. Bij brief van 21 juni 2013 heeft het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland aan [eiser] meegedeeld dat het bestuur zich gelet op de aard, het aantal, de toon en de duur van de door [eiser] met die Rechtbank gevoerde telefoongesprekken genoodzaakt ziet de telefonische contacten met [eiser] te beperken. In deze brief heeft het gerechtsbestuur twee telefoonnummers, waaronder één 06-nummer, aan [eiser] ter beschikking gesteld waarmee hij op twee ochtenden per week tussen 09:00 en 09:30 uur de afdeling privaatrecht en de klachtenfunctionaris kan bellen. 1.
  5. Bij e-mailbericht van 29 januari 2014 heeft de klachtenfunctionaris van de Rechtbank Noord-Nederland aan [eiser] meegedeeld dat hij toegang tot de rechtbank heeft mits zijn bezoek een doel dient, waaronder het afgeven of ophalen van stukken, en het vragen van algemene informatie bij de informatiebalie. In de brief schrijft de klachtenfunctionaris nog het volgende: “Indien naar het oordeel van de medewerkers het doel van uw bezoek is bereikt, dient u de rechtbank te verlaten. Als u een zitting hebt bijgewoond, dient u na afloop van de zitting direct de rechtbank te verlaten. Indien u niet uit eigen beweging vertrekt, wordt u door de bodes naar de uitgang begeleid. Indien u de aanwijzingen van de bode niet opvolgt, wordt de parketpolitie ingeschakeld.” Onder het e-mailbericht staat naast de naam van de klachtenfunctionaris ook de naam van [A], lid van het gerechtsbestuur, vermeld. 1.
  6. Op 16 mei 2014 stond de behandeling van een door [eiser] ingediend wrakingsverzoek gepland bij de Rechtbank Noord-Nederland. Op die dag heeft [eiser] zich gemeld bij die rechtbank gemeld. Aanvankelijk is [eiser] door de parketpolitie naar buiten geleid. Later is hem alsnog toegang tot de rechtbank verschaft. 1.
  7. Met betrekking tot voormelde kwestie heeft [eiser] een klacht ingediend die thans in behandeling is bij de klachtencoördinator van de politie Noord-Nederland. 2Het geschil 2.
  8. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen de ontzegging te schorsen totdat in een bodemprocedure is geoordeeld over de (on)rechtmatigheid ervan, zulks op straffe van een dwangsom, alsmede de Staat te veroordelen aan [eiser] te betalen € 5.000,-, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 2.
  9. Daartoe stelt [eiser] het volgende. De aan [eiser] opgelegde ontzeggingen zijn disproportioneel. [eiser] heeft er recht op en belang bij om informatie in te winnen over de gerechtelijke procedures waarbij hij betrokken is. Daar komt bij dat de feitelijk op [eiser] toegepaste beperkingen verdergaan dan de in de brief van 21 juni 2013 en de e-mail van 29 januari 2014 vermelde beperkingen, aangezien de telefoon op de aangegeven tijden niet wordt beantwoord en aan [eiser] op een dag dat hij een zitting wilde bijwonen de toegang is geweigerd. [eiser] heeft schade geleden voor de dagen dat hij niet aanwezig kon zijn op de rechtbank en/of geen telefonisch contact kon hebben. Deze schade wordt door [eiser] begroot op € 50,- per dag. 2.
  10. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 3De beoordeling van het geschil 3.
  11. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de rechtbank Noord-Nederland als orgaan van gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu aan hem voor hetgeen hij wil bereiken – opheffing van de aan hem opgelegde beperkingen – geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang ten dienste staat. 3.
  12. Een rechtbank, in dit geval de rechtbank Noord-Nederland, heeft een zekere mate van (beleids)vrijheid om de orde en veiligheid in haar locaties te handhaven en om maatregelen te treffen om een goede gang van zaken in haar organisatie te waarborgen. Dit brengt mee dat de burgerlijke rechter beslissingen als de onderhavige bel- en toegangsbeperkingen slechts met terughoudendheid kan toetsen. Voor ingrijpen is slechts plaats indien geoordeeld moet worden dat de rechtbank in redelijkheid niet tot de gewraakte beslissingen heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de aan [eiser] opgelegde maatregelen is enerzijds de aanleiding voor de maatregelen en het aandeel van [eiser] daarin van belang en anderzijds de gevolgen van het een en ander voor alle betrokkenen, waaronder die voor het personeel van de rechtbank Noord-Nederland. 3.
  13. De Staat heeft met verwijzing naar interne e-mails, aangevoerd dat de belregeling is ingegeven doordat [eiser] lang en veelvuldig belde met de afdeling Privaatrecht van de rechtbank Noord-Nederland en dat hij direct na een afwijzend antwoord met een volgende medewerker belde om opnieuw dezelfde vraag voor te leggen. In dit kader heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] afwijzend heeft gereageerd op het verzoek van de rechtbank Noord-Nederland om zich terughoudender op te stellen in zijn telefonische contacten met de griffiemedewerkers van die rechtbank. Ten slotte heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] geen gebruik maakt van het aan hem opgegeven 06-nummer en dat hij ook na de aankondiging van de belregeling is voortgegaan met het veelvuldig bellen van de rechtbank. Zo zou [eiser] op 5 juli 2013, al dan niet met gebruikmaking van een valse naam, 56 keer het algemene nummer van de rechtbank gebeld hebben. Daarnaast zou [eiser] zich beledigend en intimiderend hebben uitgelaten naar de medewerkers van de rechtbank, aldus de Staat. 3.
  14. Met betrekking tot de toegangsregeling heeft de Staat, ook met verwijzing naar interne mails en verklaringen van medewerkers van de parketpolitie, aangevoerd dat [eiser] zich voorafgaand aan de oplegging van de toegangsregeling een aantal keren zonder reden heeft opgehouden in het gerechtsgebouw in Groningen en dat hij daarbij heeft geprobeerd toegang te krijgen tot zittingszalen en dat hij met een interne telefoon interne telefoonnummers heeft gebeld. 3.
  15. Hiertegenover heeft [eiser] betoogd dat hij er belang bij heeft zijn vragen aan (de medewerkers van) de rechtbank te kunnen stellen en dat hij altijd zakelijk is. Volgens [eiser] zijn de gestelde gedragingen zwaar overdreven en leiden de interne mails – die volgens [eiser] alle dateren van de periode van na het opleggen van de belregeling – ertoe dat de medewerkers van de rechtbank Noord-Nederland vooringenomen zullen zijn. Desgevraagd heeft [eiser] verklaard dat hij geen gebruik heeft gemaakt van het terbeschikkinggestelde 06-nummer omdat hij dit als “karaktermoord” beschouwt. 3.
  16. Naar voorlopig oordeel is op grond van de vele en gedetailleerde verklaringen van de medewerkers van de rechtbank Noord-Nederland in hoge mate aannemelijk dat de rechtbank Noord-Nederland ernstige en buitensporige hinder ondervindt van het belgedrag van [eiser]. Alleen al op grond van de – door de Staat gestelde en door [eiser] onweersproken gelaten – frequentie van de telefoontjes acht de voorzieningenrechter oplegging van een belregeling minst genomen begrijpelijk. Of hierbij de toonzetting van [eiser] nu al dan niet ten onrechte als onzakelijk is geïnterpreteerd en of de verslaglegging voorafgaand of na afloop van de belregeling is opgemaakt, is hierbij niet beslissend. Daar komt bij dat [eiser] ter zitting heeft erkend dat “hij geen gemakkelijke is” en dat hij ook niet heeft weersproken dat hij meerdere malen belt met dezelfde vraag. Voorts valt niet in te zien waarom [eiser] niet zou kunnen volstaan met gebruikmaking van de hem aangeboden belregeling om antwoord te krijgen op de (procedurele) vragen die hij heeft over de zaken waarbij hij betrokken is. Dit geldt temeer nu [eiser] niet eens heeft geprobeerd het terbeschikkinggestelde 06-nummer te bellen. In dat licht bezien acht de voorzieningenrechter de belregeling niet onrechtmatig. 3.
  17. Hetzelfde geldt met betrekking tot de opgelegde bezoekregeling. [eiser] heeft niet weersproken dat hij zich voorafgaand aan het opleggen van die regeling op de door de Staat gestelde hinderlijke wijze heeft opgehouden in het gerechtsgebouw van de rechtbank Noord-Nederland. Gelet op dit gedrag acht de voorzieningenrechter de opgelegde regeling gerechtvaardigd. De omstandigheid dat [eiser] vervolgens ten minste eenmaal, op 16 mei 2014, ten onrechte (kortstondig) door de parketpolitie uit het gerechtsgebouw is verwijderd, maakt het voorgaande niet anders. In de eerste plaats betreft het een uitvoeringsprobleem, dat niet afdoet aan de regeling zelf. Ook indien de door [eiser] tegen de parketpolitie ingediende klacht gegrond wordt bevonden, zegt dat nog niets over de juistheid van de door de rechtbank Noord-Nederland opgelegde regeling. Daarnaast heeft de Staat onweersproken gesteld dat [eiser] in eerste instantie niet aan de parketpolitie heeft verklaard welke zitting hij wenste bij te wonen en dat hij, nadat bleek om welke zitting het ging, alsnog (tijdig) tot het gerechtsgebouw is toegelaten. In dat opzicht heeft [eiser] dus geen schade geleden. 3.
  18. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter thans geen grond ziet voor opheffing van de opgelegde bel- en toegangsregeling. Reeds daarom bestaat ook geen grond voor toekenning van een (voorschot op een) schadevergoeding. 3.
  19. Slotsom is dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Hij zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten. 4De beslissing De voorzieningenrechter: - wijst het gevorderde af; - veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de Staat tot dusver begroot op € 2.708,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 1.892,- aan griffierecht; - veroordeelt [eiser] tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,- aan salaris advocaat; - bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan voormelde proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is; - bepaalt dat, indien en voor zover [eiser] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Staat aan [eiser] is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van algehele voldoening, en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis; - verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 12 juni
  20. WJ

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.