← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2014:8562

vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/295247 / HA ZA 07-2973 Vonnis van 16 juli 2014 in de zaak van 1 [eiseres sub 1], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), Bosnië-Herzegovina,

  1. [eiseres sub 2], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), Bosnië-Herzegovina,
  2. [eiseres sub 3], wonende te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina,
  3. [eiseres sub 4], wonende te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina,
  4. [eiseres sub 5], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), Bosnië-Herzegovina,
  5. [eiseres sub 6], wonende te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina,
  6. [eiseres sub 7], wonende te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina,
  7. [eiseres sub 8], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), Bosnië-Herzegovina,
  8. [eiseres sub 9], wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente]), Bosnië-Herzegovina,
  9. [eiseres sub 10], wonende te [woonplaats], Bosnië-Herzegovina,
  10. de stichting STICHTING MOTHERS OF SREBRENICA, met statutaire zetel te Amsterdam, eiseressen, advocaten mr. M.R. Gerritsen, mr. dr. A. Hagendorn, mr. J. Staab en mr. S.A. van der Sluijs te Amsterdam, tegen 1DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Algemene Zaken), zetelende te Den Haag, gedaagde, advocaten mr. G.J.H. Houtzagers en mr. K. Teuben te Den Haag,
  11. de rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie DE VERENIGDE NATIES, zetelende te New York, Verenigde Staten van Amerika, gedaagde, niet verschenen. Eiseressen tezamen worden aangeduid als ‘eiseressen’, eiseressen sub 1 tot en met 10 tezamen als ‘[eiseres sub 1] c.s.’ en eiseres sub 11 als ‘de Stichting’. Gedaagden worden aangeduid als ‘de Staat’ en ‘de VN’. 1De procedure 1.
  12. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 4 juni 2007, met producties; de brief van 17 september 2007 van de Staat aan de rechtbank, met als bijlage een brief van 17 augustus 2007 van de VN aan de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de VN; de brief van 20 september 2007 van eiseressen aan de rechtbank; de ambtshalve uitgebrachte conclusie van het openbaar ministerie (OM), genomen op de rolzitting van 7 november 2007; de verstekverlening op 7 november 2007 tegen de niet verschenen VN; de processtukken in de op 12 december 2007 door de Staat opgeworpen incidenten, strekkende tot

(1)onbevoegdverklaring van de rechtbank inzake de vorderingen tegen de VN en
(2)toelating van de Staat als tussenkomende partij, subsidiair als gevoegde partij aan de zijde van de VN, in het geding tegen de VN; het vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2008, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard tot kennisneming van de vordering tegen de VN en heeft vastgesteld dat een beslissing in het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging, achterwege kan blijven; de processtukken in de door eiseressen bij het hof Den Haag tegen het vonnis van 10 juli 2008 aanhangig gemaakte procedure in hoger beroep; het arrest van het hof Den Haag van 30 maart 2010, waarbij het hof – kort gezegd – het vonnis van 10 juli 2008 heeft bekrachtigd; de processtukken in de door eiseressen bij de Hoge Raad tegen het arrest van het hof Den Haag van 30 maart 2010 aanhangig gemaakte procedure in cassatie; het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2012, waarbij de Hoge Raad het cassatieberoep heeft verworpen; de akte van depot van 30 mei 2012 betreffende het depot ter griffie van deze rechtbank door mr. Houtzagers van de volgende stukken:
(1)Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (hierna: NIOD), Srebrenica. Een ‘veilig’ gebied. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van de val van een Safe Area (delen I t/m III), Amsterdam, Boom 2002 (hierna: NIOD-rapport),
(2)Parlementaire enquête Srebrenica, Missie zonder Vrede, eindrapport aangeboden aan de Tweede Kamer op 27 januari 2003 (Kamerstukken II 2002/03, 28506, nrs. 2-3) en
(3)Parlementaire enquête Srebrenica, Missie zonder Vrede, verhoren (Kamerstukken II 2002/2003, 28506, nr. 5); de conclusie van antwoord, met producties; de conclusie van repliek, met producties; de conclusie van dupliek, met producties; het verzoek om pleidooi van de zijde van eiseressen van 8 oktober 2013; de rolbeslissing van 13 november 2013 waarbij het verzoek om pleidooi is toegewezen; de ter gelegenheid van het pleidooi op 7 april 2014 door beide partijen overgelegde pleitnota’s en het van dit pleidooi opgemaakte proces-verbaal. 1.
  1. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2De feiten 2.
  2. In 1991 hebben de republieken Slovenië en Kroatië zich onafhankelijk verklaard van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Vervolgens braken in beide republieken gevechten uit. 2.
  3. De strijdende partijen in Kroatië bereikten op 2 januari 1992 een wapenstilstand en accepteerden een vredesplan, dat voorzag in de stationering van een VN-vredesmacht. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: de Veiligheidsraad) heeft bij Resolutie 743 van 21 februari 1992 de United Nations Protection Force (hierna: UNPROFOR) ingesteld, met hoofdkwartier in Sarajevo. Per 1 april 1995 is UNPROFOR omgedoopt tot United Nations Peace Forces (hierna: UNPF). 2.
  4. Op 3 maart 1992 verklaarde de republiek Bosnië-Herzegovina zich onafhankelijk van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië. Nadat de Bosnische Serven op 27 maart 1992 de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen van de Republika Srpska (de Servische Republiek), braken gevechten uit tussen het leger van Bosnië-Herzegovina (Armija Bosna I Herzegovina (hierna: ABiH)) en het Bosnisch-Servische leger (Bosnian Serb Army (hierna: BSA) of Vojska Republijke Srpske (hierna: VRS)). 2.
  5. Bij Resolutie 758 van 8 juni 1992 heeft de Veiligheidsraad het mandaat van UNPROFOR uitgebreid tot Bosnië-Herzegovina. 2.
  6. Het oosten van Bosnië-Herzegovina was vanaf 1992 het toneel van gevechten, eerst tussen moslimstrijders en Servische strijdgroepen, later tussen ABiH en VRS. Daardoor ontstonden moslimenclaves in het oosten van Bosnië-Herzegovina. Srebrenica was daar één van. De enclave Srebrenica, die werd beheerst door de moslimstrijders en daarna de ABiH, bestond in januari 1993 uit het gebied rond de stad Srebrenica van bijna 900 vierkante kilometer. Na gevechten met de Bosnische Serven was dit gebied in maart 1993 teruggebracht tot circa 150 vierkante kilometer rond de stad Srebrenica. 2.
  7. Op 10 maart 1993 bracht de toenmalige commandant van UNPROFOR, de (Franse) generaal Ph.P.L.A. Morillon, vergezeld van medewerkers van Medicins Sans Frontières (hierna: MSF), een bezoek aan Srebrenica, dat toen belegerd en overbevolkt was en waar nauwelijks in de eerste levensbehoeften kon worden voorzien. Op 14 maart 1993 heeft Morillon in Srebrenica een menigte Bosnische Moslims toegesproken en hen daarbij toegezegd dat zij onder bescherming stonden van de VN en dat hij hen niet in de steek zou laten. 2.
  8. Op 16 april 1993 heeft de Veiligheidsraad Resolutie 819 aangenomen met onder meer de volgende inhoud: “
  9. Demands that all parties and others concerned treat Srebrenica and its surroundings as a safe area which should be free from any armed attack or any other hostile act;
  10. Demands also to that effect the immediate cessation of armed attacks by Bosnian Serb paramilitary units against Srebrenica and their immediate withdrawal from the areas surrounding Srebrenica; (…)
  11. Requests the Secretary-General, with a view to monitoring the humanitarian situation in the safe area, to take immediate steps to increase the presence of UNPROFOR in Srebrenica and its surroundings; demands that all parties and others concerned cooperate fully and promptly with UNPROFOR towards that end; and requests the Secretary-General to report urgently thereon to the Security Council;
  12. Reaffirms that any taking or acquisition of territory by the threat or use of force, including through the practice of “ethnic cleansing”, is unlawful and unacceptable;
  13. Condemns and rejects the deliberate actions of the Bosnian Serb Party to force the evacuation of the civilian population from Srebrenica and its surrounding areas as well as from other parts of the Republic of Bosnia and Herzegovina as part of its overall abhorrent campaign of “ethnic cleansing”.” 2.
  14. Op 18 april 1993 hebben VRS-generaal R. Mladić (hierna: Mladić) en ABiH-generaal S. Halilovic (hierna: Halilovic) in het bijzijn van de commandant van UNPROFOR een demilitariseringsovereenkomst gesloten, op grond waarvan – voor zover hier van belang – in ieder geval in de stad Srebrenica alle wapens moesten worden ingeleverd bij UNPROFOR. 2.
  15. Op 6 mei 1993 heeft de Veiligheidsraad Resolutie 824 aangenomen, waarbij het regime van Resolutie 819 werd uitgebreid naar vijf andere enclaves in Bosnië-Herzegovina. 2.
  16. Op 8 mei 1993 hebben Mladić en Halilovic in het bijzijn van de commandant van UNPROFOR een aanvullende demilitariseringsovereenkomst gesloten. Voor zover hier van belang hield deze in dat het te ontwapenen gebied werd uitgebreid naar de gehele enclave Srebrenica. Daarna zouden de Bosnische Serven zware wapens die een bedreiging vormden voor de gedemilitariseerde zones terugtrekken. De onder 2.8 en 2.10 bedoelde overeenkomsten worden hierna ook tezamen aangeduid als: ‘de demilitariseringsovereenkomsten’. 2.
  17. Op 15 mei 1993 hebben de VN en Bosnië-Herzegovina de Agreement on the status of the United Nations Protection Force in Bosnia and Herzegovina ondertekend (ook wel de Status of Forces Agreement genoemd, hierna: SOFA). 2.
  18. Bij Resolutie 836 van 4 juni 1993 heeft de Veiligheidsraad onder meer het volgende besloten: “Reaffirming in particular its resolutions 819 (…) and 824 (…) (…)
  19. Decides to ensure full respect for the safe areas referred to in resolution 824
(1993); 5. Decides to extend to that end the mandate of UNPROFOR in order to enable it, in the safe areas referred to in resolution 824
(1993), to deter attacks against the safe areas, to monitor the cease-fire, to promote the withdrawal of paramilitary units other than those of the Government of the Republic of Bosnia and Herzegovina and to occupy some key points on the ground, in addition to participating in the delivery of humanitarian relief to the population as provided for in resolution 776
(1992)of 14 September 1992; (…) (…) 9. Authorizes UNPROFOR, in addition to the mandate defined in resolutions 770
(1992)of 13 August 1992 and 776
(1992), in carrying out the mandate defined in paragraph 5 above, acting in self-defence, to take the necessary measures, including the use of force, in reply to bombardments against the safe areas by any of the parties or to armed incursion into them or in the event of any deliberate obstruction in or around those areas to the freedom of movement of UNPROFOR or of protected humanitarian convoys; 10. Decides that, notwithstanding paragraph 1 of resolution 816
(1993), Member States, acting nationally or through regional organizations or arrangements, may take, under the authority of the Security Council and subject to close coordination with the Secretary-General and UNPROFOR, all necessary measures, through the use of air power, in and around the safe areas in the Republic of Bosnia and Herzegovina, to support UNPROFOR in the performance of its mandate set out in paragraphs 5 and 9 above; (…)” 2.13. In zijn rapport van 14 juni 1993 heeft de secretaris-generaal van de VN een analyse gegeven van de modaliteiten waarin Resolutie 836 zou kunnen worden uitgevoerd, onder meer: “5. A military analysis by UNPROFOR has produced a number of options for the implementation of resolution 836
(1993), with corresponding force levels. In order to ensure full respect for the safe areas, the Force Commander of UNPROFOR estimated an additional troop requirement at an indicative level of approximately 34,000 to obtain deterrence through strength. However, it would be possible to start implementing the resolution under a "light option" envisaging a minimal troop reinforcement of around 7,600. While this option cannot, in itself, completely guarantee the defence of the safe areas, it relies on the threat of air action against any belligerents. Its principle advantage is that it presents an approach that is most likely to correspond to the volume of troops and material resources which can realistically be expected from Member States and which meet the imperative need for rapid deployment. (...) 6. This option therefore represents an initial approach and has limited objectives. It assumes the consent and cooperation of the parties and provides a basic level of deterrence, with no increase in the current levels of protection provided to convoys of the Office of the United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR). It does however maintain provision for the use of close air support for self-defence and has a supplementary deterrent to attacks on the safe areas. (…)” De Veiligheidsraad heeft deze optie overgenomen in Resolutie 844 van 18 juni 1993. 2.14. Op 3 september 1993 heeft de Nederlandse Permanente Vertegenwoordiger bij de VN aan de militair adviseur van de secretaris-generaal van de VN een bataljon van de Luchtmobiele Brigade (hierna: Dutchbat) aangeboden voor de uitvoering van met name Resolutie 836 in de daarin genoemde safe areas. Dat aanbod heeft de Nederlandse minister van defensie op 7 september 1993 herhaald tegenover de secretaris-generaal van de VN, die het op 21 oktober 1993 heeft aanvaard. Op 12 november 1993 heeft de Nederlandse regering met de uitzending van Dutchbat ingestemd. 2.15. Op 3 maart 1994 heeft Dutchbat het Canadese regiment Canbat afgelost. In juli 1994 is Dutchbat I afgelost door Dutchbat II, dat in januari 1995 werd afgelost door Dutchbat III. 2.16. Het hoofdkwartier van Dutchbat bevond zich op een verlaten fabrieksterrein in Potočari (hierna: de compound). Potočari lag in de safe area, ongeveer vijf kilometer van de stad Srebrenica, waar een compagnie van Dutchbat was gelegerd. Daarnaast bemande Dutchbat een aantal observatieposten (hierna ook: OP’s). 2.17. Voor Dutchbat golden in de VN-bevelslijn vastgestelde gedragsregels en instructies: de door de Force Commander opgestelde Rules of Engagement, de Standing Operating Procedures (hierna: SOP) en de Policy Directives. Het ministerie van defensie heeft deze gedragsregels en instructies, alsmede een aantal bestaande en speciaal voor deze missie opgestelde regels vastgelegd in de (Nederlandse) Vaste Order 1 (NL) VN Infbat. 2.18. Voor zover hier van belang hadden binnen de hiërachie van de VN, in de voor deze zaak relevante periode, de volgende personen de volgende functies: VN:
  1. i)secretaris-generaal van de VN was Boutros Boutros-Ghali (hierna: de secretaris-generaal van de VN);
  2. ii)speciale VN-gezant voor Bosnië-Herzegovina was Yasushi Akashi (hierna: Akashi); UNPROFOR te Zagreb (Kroatië) (vanaf 1 april 1995 UNPF): iii) Force Commander was de (Franse) luitenant-generaal B. Janvier (hierna: Janvier);
  3. iv)chef-staf was de (Nederlandse) brigade-generaal A.M.W.W.M. Kolsteren (hierna: Kolsteren);
  4. v)hoofd operatiën was de (Nederlandse) kolonel J.H. De Jonge (hierna: De Jonge); BOSNIA HERZEGOVINA COMMAND UNPROFOR te Sarajevo (Bosnië-Herzegovina) (vanaf mei 1995 HQ UNPROFOR):
  5. vi)commandant was de (Engelse) luitenant-generaal sir R.A. Smith (hierna: Smith); vii) plaatsvervangend commandant was de (Franse) generaal H. Gobilliard (hierna: Gobilliard); viii) chef-staf was de (Nederlandse) brigade-generaal C.H. Nicolai (hierna: Nicolai);
  6. ix)assistent chef-staf was de (Nederlandse) luitenant-kolonel J.A.C. de Ruiter (hierna: De Ruiter); Sector North East te Tuzla (onderdeel van HQ UNPROFOR)
  7. x)commandant was de (Noorse) brigade-generaal H. Haukland;
  8. xi)chef-staf en plaatsvervangend commandant was de (Nederlandse) kolonel C.L. Brantz (hierna: Brantz); Dutchbat III te Srebrenica xii) bataljonscommandant was de (Nederlandse) luitenant-kolonel Th.J.P. Karremans (hierna: Karremans); xiii) plaatsvervangend bataljonscommandant was de (Nederlandse) majoor R.A. Franken (hierna: Franken); In Nederland werden, buiten VN-verband, de volgende posities ingenomen: xiv) minister van defensie was J.J.C. Voorhoeve (hierna: Voorhoeve);
  9. xv)chef-defensiestaf was luitenant-generaal H.G.B. van den Breemen (hierna: Van den Breemen); xvi) plaatsvervangend bevelhebber van de Koninklijke Landmacht (hierna: KL) was generaal-majoor A.P.P.M. Van Baal (hierna: Van Baal). 2.19. De aanvoer van goederen naar de safe area verliep grotendeels over Bosnisch-Servisch gebied en geschiedde met konvooien. Vanaf medio 1994 weigerden de Bosnische Serven toestemming te verlenen aan konvooien op weg naar de safe area, waardoor niet alle voor de bevolking in de safe area bestemde humanitaire hulp en voedsel op de plaats van bestemming aankwamen. Ook de bevoorrading van Dutchbat leed hieronder. 2.20. Op 29 mei 1995 heeft Smith een Post Airstrike Guidance gegeven, die voor zover hier van belang als volgt luidt: “7. I have been directed, today 29 May 95, that the execution of the mandate is secondary to the security of UN personnel. The intention being to avoid loss of life defending positions for their own sake and unnecessary vulnerability to hostage taking. My interpretation of this directive is at paragraph 9b”. Paragraaf 9b luidt – voor zover hier van belang – als volgt: “Positions that can be reinforced, or it is practical to counter attack to recover, are not to be abandoned. Positions that are isolated in BSA territory and unable to be supported may be abandoned at the Superior Commanders discretion when they are threatened and in his judgment life or lives have or will be lost. (…).” 2.21. Op 3 juni 1995 hebben de Bosnische Serven observatiepost OP-E omsingeld. Dutchbat heeft daarop luchtsteun aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Dutchbat heeft deze observatiepost vervolgens verlaten. 2.22. Op 6 juli 1995 zijn de Bosnische Serven onder aanvoering van Mladić een aanval begonnen op de safe area. Toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica waren genaderd, is de doelstelling van deze aanval uitgebreid tot het innemen van de stad Srebrenica. 2.23. Tijdens deze aanval op de safe area heeft ABiH een paar keer aan Dutchbat gevraagd of zij (weer) de beschikking kon krijgen over op grond van de demilitariseringsovereenkomsten ingeleverde wapens. Dutchbat heeft deze verzoeken afgewezen. 2.24. Op 6 juli 1995 hebben de Bosnische Serven de stad Srebrenica beschoten. Een aanvraag tot luchtsteun van Dutchbat van diezelfde dag is afgewezen. 2.25. Op 8 juli 1995 hebben de Bosnische Serven observatiepost OP-F met tanks beschoten. Zij hebben ook de stad Srebrenica beschoten. Die dag heeft Dutchbat luchtsteun aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Dutchbat heeft vervolgens observatiepost OP-F verlaten. 2.26. Op 8 juli 1995 heeft Dutchbat ook de observatieposten OP-U, OP-S, OP-K en OP-D, opgegeven. 2.27. Op 9 juli 1995 verschenen in de ochtend, naar aanleiding van een verzoek daartoe van HQ UNPROFOR, vliegtuigen boven de safe area (‘air presence’). Op een later die dag ingediende aanvraag tot luchtsteun heeft UNPF Zagreb geen beslissing genomen. 2.28. Op 9 juli 1995 heeft Dutchbat observatiepost OP-M opgegeven. 2.29. Dutchbat kreeg op 9 juli 1995 het bevel om zogenoemde blocking positions in te nemen teneinde een blokkade op te werpen tegen de opmars van de Bosnische Serven. Het bevel, in de Nederlandse taal door De Ruiter opgesteld en door Nicolai ondertekend, dat het eerder die avond gegeven mondelinge bevel bevestigde, luidt als volgt: “Met de u ter beschikking staande middelen dient u zodanige “blocking positions” in te nemen dat een verdere doorbraak en opmars van VRS-eenheden in de richting van de Stad Srebrenica wordt voorkomen. Al het mogelijke moet worden gedaan deze posities te versterken, ook voor wat betreft de bewapening. Deze blocking positions dienen op de grond herkenbaar te zijn. Vanaf maandag 10 juli 1995 kunt u rekenen op de u toegezegde aanvullende middelen.” 2.30. In de vroege ochtend van 10 juli 1995 heeft Dutchbat blocking positions ingenomen. Dutchbat heeft deze later die dag prijsgegeven. 2.31. Op 10 juli 1995 heeft Dutchbat drie verzoeken tot luchtsteun gedaan, die die dag niet hebben geleid tot luchtsteun. 2.32. Op 11 juli 1995 rond 8:00 uur heeft Dutchbat luchtsteun aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Een volgende aanvraag tot luchtsteun, van rond 10:00 uur, is rond 12:00 uur goedgekeurd door de VN en ongeveer een half uur daarna door de NAVO. Rond 14:45 uur zijn bommen afgeworpen. Rond 15:30 uur zijn opnieuw vliegtuigen opgestegen, die geen bommen hebben afgeworpen. Daarna is de luchtsteun stopgezet. 2.33. Op 11 juli 1995 heeft Dutchbat rond 16:00 uur ten zuiden van de compound een nieuwe blocking position ingenomen, die enkele uren later is opgegeven. 2.34. Op 11 juli 1995, rond 16:30 uur, is de stad Srebrenica gevallen en ingenomen door de Bosnische Serven. 2.35. Eerder die middag, rond 14:30 uur, was een vluchtelingenstroom van Bosnische moslims op gang gekomen, die zich vanuit de stad Srebrenica naar de compound bewoog. Daar is toen een mini safe area ingericht, bestaande uit de compound en een nabijgelegen gebied in Potočari, waar zich onder meer fabriekshallen en een busremise bevonden. Ongeveer 20.000 tot 25.000 vluchtelingen hebben hun toevlucht gezocht in de mini safe area. Ongeveer 5.000 van hen waren ondergebracht op de compound. 2.36. Ongeveer 10.000 tot 15.000 mannen uit de safe area zijn niet naar de mini safe area gevlucht, maar naar de bossen in de omgeving van de stad Srebrenica (hierna: de bossen). Ongeveer 6.000 van deze mannen zijn in Bosnisch Servische handen gevallen. 2.37. Op 11 juli 1995 om 18:45 uur ontving Karremans een fax van Gobilliard, met de volgende inhoud (hierna ook: het bevel van Gobilliard): “a. Enter into local negotiations with BSA forces for immediate ceasefire. Giving up any weapons and military equipment is not authorised and is not a point of discussion. b. Concentrate your forces into the Potočari Camp, including withdrawal of your Ops. Take all reasonable measures to protect refugees and civilians in your care. c. Provide medical assistance and assist local medical authorities. d. Continue with all possible means to defend your forces and installation from attack. This is to include the use of close air support if necessary. e. Be prepared to receive and coordinate delivery of medical and other relief supplies to refugees.” 2.38. In de avond van 11 juli 1995 hebben Janvier, Van den Breemen en Van Baal in Zagreb met elkaar gesproken over de na de val van Srebrenica ontstane situatie. 2.39. In de avond van 11 juli 1995 heeft Karremans twee keer met Mladić gesproken over evacuatie van de vluchtelingen uit de mini safe area en in de ochtend van 12 juli 1995 een derde keer. 2.40. Aan het begin van de middag van 12 juli 1995 arriveerden op instructie van de Bosnische Serven bussen en vrachtwagens (hierna steeds tezamen: de bussen) bij de mini safe area. Rond 14:00 uur ving de evacuatie van de vluchtelingen uit de mini safe area aan. De Bosnische Serven, die hadden aangekondigd om mannen in de weerbare leeftijd te screenen op oorlogsmisdaden, haalden mannen uit de rijen vluchtelingen die op weg waren naar de bussen. In de middag van 12 juli 1995 zijn de Bosnische Serven begonnen met het wegvoeren van de mannen in aparte bussen. Nadat de evacuatie van de vluchtelingen in de avond van 12 juli 1995 was stopgezet, is deze in de ochtend van 13 juli 1995 hervat. Aan het eind van de middag zijn als laatste de vluchtelingen die op compound verbleven weggevoerd. 2.41. Op 12 en 15 juli 1995 heeft Dutchbat de resterende observatieposten (OP-A, OP-C, OP-N, OP-P, OP-Q en OP-R) opgegeven. 2.42. Op 12 juli 1995 heeft de Veiligheidsraad Resolutie 1004 aangenomen, die onder meer het volgende inhoudt: “1. Demands that the Bosnian Serb forces cease their offensive and withdraw from the safe area of Srebrenica immediately; (…) (…) 6. Requests the Secretary-General to use all resources available to him to restore the status as defined by the Agreement of 18 April 1993 of the safe area of Srebrenica in accordance with the mandate of UNPROFOR, and calls on the parties to cooperate to that end.” Aan deze resolutie is geen gevolg gegeven. 2.43. Na de val van Srebrenica hebben de Bosnische Serven meer dan 7.000 mannen uit de safe area gedood, een groot deel daarvan in massa-executies in de periode van 14 tot en met 17 juli 1995. 2.44. Dutchbat heeft de compound op 21 juli 1995 verlaten. 2.45. Ten aanzien van [eiseres sub 1] c.s. staat – voor zover hier van belang – het volgende vast: 2.45.1. Eiseres [eiseres sub 1] leefde voor de oorlog met haar echtgenoot en zoon in de stad Srebrenica. De echtgenoot van [eiseres sub 1] vluchtte op 11 juli 1995 de bossen in en is nooit teruggevonden. [eiseres sub 1] en haar zoon hebben hun toevlucht gezocht in het buiten de compound gelegen deel van de mini safe area. Haar zoon is op 13 juli 1995 van haar gescheiden. Zij heeft hem nadien niet meer gezien. 2.45.2. Eiseres [eiseres sub 2] woonde voor de oorlog in Sućeska, nabij Potočari. Haar echtgenoot en twee zonen zijn de bossen in gevlucht. Resten van het lichaam van haar echtgenoot zijn in 2005 gevonden in een massagraf. De lichamen van haar zonen zijn tot op heden niet teruggevonden. [eiseres sub 2] heeft op 11 juli 1995 haar toevlucht gezocht in het buiten de compound gelegen deel van de mini safe area. 2.45.3. Eiseres [eiseres sub 3] woonde voor en tijdens de oorlog in Potočari. Haar echtgenoot en twee zonen zijn op 11 juli 1995 de bossen in gevlucht. [eiseres sub 3] is met haar dochter naar de mini safe area gevlucht, waar zij niet op de compound werd toegelaten. [eiseres sub 3] heeft haar echtgenoot en zoons verloren. 2.45.4. Eiseres [eiseres sub 4] is in 1992 met haar echtgenoot en kinderen naar de stad Srebrenica gevlucht. Op 11 juli 1995 zijn twee van haar zonen de bossen in gevlucht. Daarna heeft zij hen niet meer levend gezien. [eiseres sub 4] is met haar echtgenoot gevlucht naar het buiten de compound gelegen deel van de mini safe area. Op 13 juli 1995 werd zij gescheiden van haar echtgenoot, die zij nadien niet meer heeft gezien. Het lichaam van één van haar zonen is in 2003 geïdentificeerd. 2.45.5. Eiseres [eiseres sub 5] woonde vanaf het begin van de oorlog met haar echtgenoot en zoon in de stad Srebrenica. Haar zoon is op 11 juli 1995 de bossen in gevlucht. [eiseres sub 5] en haar echtgenoot zijn naar de mini safe area gevlucht. Zij mochten de compound niet op. Op 13 juli 1995 is zij gescheiden van haar echtgenoot. Het lichaam van haar echtgenoot is in een massagraf gevonden. Zij weet niets over het lot van haar zoon. 2.45.6. Eiseres [eiseres sub 6] woonde gedurende de oorlog met haar gezin in de stad Srebrenica. Haar echtgenoot is in 1993 door de Bosnische Serven krijgsgevangen genomen en wordt sindsdien vermist. Op 11 juli 1995 is [eiseres sub 6] naar de mini safe area gevlucht. Zij heeft niet geprobeerd om de compound op te komen, omdat zij had gehoord dat daar geen vluchtelingen meer werden toegelaten. Haar twee zonen zijn de bossen in gevlucht. Het stoffelijk overschot van haar oudste zoon is nadien gevonden. Haar andere zoon heeft zij nooit meer gezien. 2.45.7. Eiseres [eiseres sub 7] woonde voor en tijdens de oorlog met haar echtgenoot en zoon in Potočari, nabij de compound. Haar echtgenoot is voor de val van Srebrenica naar Tuzla gevlucht. Op 11 juli 1995 is haar zoon de bossen in gevlucht. Nadien is zijn lichaam teruggevonden. [eiseres sub 7] is naar de mini safe area gevlucht en is daar toegelaten op de compound. 2.45.8. Eiseres [eiseres sub 8] woonde vanaf het begin van de oorlog in de stad Srebrenica. Op 11 juli 1995 vluchtten [eiseres sub 8] en haar echtgenoot naar de mini safe area, waar zij te horen kregen dat niemand de compound meer op kon. Op 13 juli 1995 werd [eiseres sub 8] van haar echtgenoot gescheiden. Zij heeft hem daarna nooit meer gezien. 2.45.9. Eiseres [eiseres sub 9] woonde tijdens de oorlog met haar echtgenoot en twee zonen in de stad Srebrenica. Eén zoon is aan het begin van de oorlog gevlucht en heeft de oorlog overleefd. Tijdens de val van Srebrenica is [eiseres sub 9] met haar echtgenoot en haar andere zoon [zoon eiseres sub 9] naar de mini safe area gevlucht. [zoon eiseres sub 9] is op de compound toegelaten, zijzelf en haar echtgenoot niet. Op 12 juli 1995 werd haar zoon [zoon eiseres sub 9] van de compound weggevoerd. Tot op heden is hij niet teruggevonden. Op 13 juli 1995 is [eiseres sub 9] van haar echtgenoot gescheiden. Het stoffelijk overschot van haar echtgenoot is in 2004 gevonden. 2.45.10. Eiseres [eiseres sub 10] is 1993 met haar ouders en zus naar de stad Srebrenica verhuisd. Op 11 juli 1995 vluchtte haar vader de bossen in. Zijn lichaam is later in een massagraf teruggevonden. [eiseres sub 10] is met haar moeder en zus naar de mini safe area gevlucht, waar zij niet op de compound werden toegelaten. Zij hebben hun toevlucht gezocht tot het buiten de compound gelegen deel van de mini safe area. De moeder van [eiseres sub 10] is verkracht door de Bosnische Serven. In 1996 is haar moeder overleden. 2.46. De Stichting is een rechtspersoon naar Nederlands recht met volledige rechtsbevoegdheid en heeft – samengevat – tot doel het behartigen van de belangen van (ongeveer 6.000) nabestaanden van slachtoffers van de val van Srebrenica. 3Het geschil 3.1. Eiseressen vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. te verklaren voor recht dat de Staat jegens [eiseres sub 1] c.s. en de personen waarvan de Stichting de belangen behartigt, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen; II. te verklaren voor recht dat de Staat jegens [eiseres sub 1] c.s. en de personen waarvan de Stichting de belangen behartigt, onrechtmatig heeft gehandeld; III. te verklaren voor recht dat de Staat zijn verplichting om genocide te voorkomen als bepaald in de Convention on the Prevention and Punishment of the Crime of Genocide van 9 december 1948 (hierna: het Genocideverdrag) heeft geschonden; IV. de Staat te veroordelen tot vergoeding van de door [eiseres sub 1] c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; V. de Staat te veroordelen tot betaling aan [eiseres sub 1] c.s. van een voorschot op deze schadevergoeding van € 25.000 per eiseres; VI. de Staat te veroordelen in de proceskosten. 3.2. Eiseressen leggen hieraan – samengevat – ten grondslag dat de Staat: toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van de op hem rustende verplichting om de bevolking in de mini safe area te beschermen, naar nationaal en internationaal (humanitair) recht (onder meer het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna: IVBPR), de Geneefse Conventies, het VN-Handvest, de SOP en het mandaat) onrechtmatig jegens eiseressen heeft gehandeld, en daarnaast de op hem rustende verplichting om genocide te voorkomen heeft geschonden. 3.2.1 Eiseressen maken de Staat de volgende verwijten: i. in de periode voor de val van Srebrenica heeft Dutchbat te weinig gedaan om te bewerkstelligen dat konvooien met voedsel en humanitaire hulp de safe area bereikten; in de periode voor de val van Srebrenica heeft Dutchbat te weinig gedaan om de opmars van de Bosnische Serven tegen te houden en de bevolking van de safe area daartegen te beschermen, in het bijzonder heeft Dutchbat:
  10. a)de wetenschap die zij had over de voorgenomen aanval van de Bosnische Serven niet benut;
  11. b)vastgehouden aan de demilitariseringsovereenkomsten en geweigerd om inbeslaggenomen wapens terug te geven toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica naderden;
  12. c)actief verzet door het ABiH heeft belemmerd;
  13. d)observatieposten opgegeven;
  14. e)de blocking positions te makkelijk en te snel opgegeven; de Staat heeft luchtsteun aan Dutchbat eerst tegengehouden en daarna stopgezet; de Staat heeft het Franse aanbod van 10 juli 1995 om Tigre-helikopters met bemanning ter beschikking te stellen afgewezen en heeft na de val van Srebrenica plannen om Srebrenica te heroveren gedwarsboomd; na de val van Srebrenica heeft Dutchbat in strijd met het bevel van Gobilliard niet meteen de nog door haar bemande observatieposten verlaten; Dutchbat heeft in strijd met het bevel van Gobilliard wapens en andere uitrusting aan de Bosnische Serven afgegeven; Dutchbat heeft de mannelijke vluchtelingen geadviseerd het bos in te vluchten; Dutchbat heeft geen groot alarm geslagen over de vlucht van de mannelijke vluchtelingen naar de bossen; Dutchbat heeft niet alle vluchtelingen toegelaten tot de compound; Dutchbat heeft door haar waargenomen oorlogsmisdaden niet gemeld; Dutchbat heeft geen adequate medische zorg verleend aan de vluchtelingen; Dutchbat heeft meegewerkt aan het scheiden van de mannelijke vluchtelingen van de andere vluchtelingen tijdens de evacuatie; Dutchbat heeft meegewerkt aan de evacuatie van de vluchtelingen die op de compound waren ondergebracht. 3.2.2. Eiseressen stellen dat zij zich rechtstreeks kunnen beroepen op de in 3.2. onder
  15. ii)en iii) gestelde normschendingen en dat de gedragingen waarop de onder 3.2.1 bedoelde verwijten betrekking hebben aan de Staat kunnen worden toegerekend. 3.2.3. [eiseres sub 1] c.s., die na de val van Srebrenica huis en haard en (vele) familieleden hebben verloren, stellen dat de Staat jegens hen aansprakelijk is voor de schade die zij daardoor hebben geleden. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, door het bestaan van een overeenkomst waaraan de bevolking van de safe area rechten kan ontlenen te weerspreken en te betwisten dat de gedragingen waarop de verwijten van eiseressen betrekking hebben aan hem kunnen worden toegerekend. Subsidiair betwist de Staat dat sprake is van de door eiseressen gestelde normschendingen, als zij zich daarop al rechtstreeks kunnen beroepen. 4De beoordeling opzet 4.1. De beoordeling begint in deel I met een aantal algemene overwegingen en vervolgt in deel II met de beoordeling van de vorderingen van eiseressen voor zover deze zijn gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming van de Staat. In deel III bespreekt de rechtbank de vorderingen die zijn gegrond op een onrechtmatige daad van de Staat wegens schending van (inter)nationaal recht. Daarbij komt ook de vordering die eiseressen hebben gebaseerd op schending van het Genocideverdrag aan bod. In deel III behandelt de rechtbank onder 1 de vraag of de gedragingen waarop de verwijten van eiseressen betrekking hebben aan de Staat kunnen worden toegerekend. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend ten aanzien van een aantal gedragingen en onderzoekt vervolgens onder 2 de rechtmatigheid van deze gedragingen. Een inhoudsopgave van dit hoofdstuk is als bijlage bij dit vonnis gevoegd. I Algemene overwegingen 4.2. De rechtbank gaat achtereenvolgens in op (
  16. i)de omvang van het geschil, (
  17. ii)het gebruik door de rechtbank van rapporten over de val van Srebrenica, getuigenverklaringen en andere rechterlijke oordelen, (iii) een aantal terminologische kwesties en (
  18. iv)de stellingen van eiseressen over de proceshouding van de Staat. (
  19. i)de omvang van het geschil 4.3. In deze zaak is eerst de vraag aan de orde geweest of de VN immuniteit genieten. De rechtbank heeft deze vraag in haar incidentele vonnis van 10 juli 2008 bevestigend beantwoord en zich onbevoegd verklaard tot kennisneming van de vordering tegen de VN. Dit oordeel is tot in de hoogste Nederlandse instantie bekrachtigd. Eiseressen hebben vervolgens een klacht ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), dat deze klacht op 11 juni 2013 ongegrond heeft verklaard. 4.4. Nu de rechtbank onbevoegd is om van de vordering tegen de VN kennis te nemen, blijft de vordering tegen de Staat ter beoordeling over. De rechtbank zal de verwijten van eiseressen aan het adres van de VN niet inhoudelijk beoordelen. De weergave van de feiten en het geschil is om deze reden beperkt tot de zaak tegen de Staat. 4.5. Eiseressen houden de Staat verantwoordelijk voor de val van Srebrenica en de gevolgen daarvan. Naast de in 3.2 weergegeven stellingen, formuleren zij ook stellingen over de besluitvorming die heeft geleid tot de deelname van Nederland aan de VN-missie en over de voorbereiding van de missie, in het bijzonder de opleiding en uitrusting van Dutchbat en het in de ogen van eiseressen onvoldoende vergaren van intelligence. Deze stellingen houden volgens eiseressen geen zelfstandig verwijt in, maar “waar het om gaat is dat de Staat die omstandigheden niet ter disculpatie kan aanvoeren, nu (eiseressen) immers (aantonen) dat de voorbereiding en uitrusting tot de verantwoordelijkheid van de Staat behoorden en dat de Staat dienaangaande onverantwoordelijk heeft gehandeld, althans verkeerde beslissingen heeft genomen.” Overeenkomstig de bedoeling van eiseressen zal de rechtbank hun stellingen over de besluitvorming over de (voorbereiding van
  20. de)missie niet als op zichzelf staande verwijten behandelen. 4.6. De verwijten aan de Staat worden mede gemaakt door de Stichting, die verklaringen voor recht vraagt. Niet in geschil is dat de Stichting een rechtspersoon op grond van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek (BW) is die gerechtigd is tot het instellen van deze vorderingen en niet tot het vorderen van schadevergoeding. 4.7. Aangezien uit de stellingen van eiseressen volgt dat de onder 3.1 onder II weergegeven verklaring voor recht wordt gevorderd met het oog op een door een of meer van de door de Stichting vertegenwoordigde personen in vervolgprocedures in te stellen schadevergoedingsvordering – en daarmee op vaststelling van de aansprakelijkheid van de Staat –, vat de rechtbank deze op als betrekking hebbend op de kwalificatie van dat handelen als onrechtmatige daad in de zin van het daarop toepasselijke nationaal en/of internationaal recht. Aan alle vereisten van onrechtmatige daad zal dan ook moeten zijn voldaan om tot toewijzing van deze vordering te komen. (
  21. ii)het gebruik door de rechtbank van rapporten over de val van Srebrenica, getuigenverklaringen en andere rechterlijke oordelen 4.8. Zowel eiseressen als de Staat baseren zich op de rapporten van (
  22. i)de secretaris-generaal van de VN (Report of the Secretary-General pursuant to General Assembly resolution 53/35, The fall of Srebrenica van 15 november 1999), (
  23. ii)het NIOD, (iii) de Franse parlementaire enquêtecommissie (Rapport d’information commune sur les événements de Srebrenica van 22 november 2001), en (
  24. iv)de Nederlandse parlementaire enquêtecommissie en op de verklaringen die zijn afgelegd in het kader van de Nederlandse parlementaire enquête en het voorlopig getuigenverhoor in de zaken van Nuhanović en Mustafić tegen de Staat (hierna: de zaken Nuhanović en Mustafić). Deze stukken maken deel uit van het procesdossier. Partijen onderschrijven de conclusies die in de hiervoor bedoelde rapporten worden getrokken niet eenstemmig. De rechtbank heeft deze conclusies dan ook niet in haar oordeelsvorming betrokken, voor zover hierna niet anders is vermeld. Wel heeft zij zich, in navolging van partijen, mede gebaseerd op de feitelijke bevindingen uit de hiervoor genoemde rapporten en op de in het geding gebrachte verklaringen. 4.9. Partijen verwijzen allen naar rechterlijke oordelen waarin de val van Srebrenica aan de orde was, te weten de uitspraken van het Joegoslavië Tribunaal (International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia, hierna: ICTY) van 2 augustus 2001 (eerste aanleg) en 19 april 2004 (hoger beroep) in de zaak Krstić, de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (hierna: IGH) van 26 februari 2007 in de zaak tussen Bosnië-Herzegovina en Servië en Montenegro en tot slot de arresten in de zaken Nuhanović en Mustafić van de Hoge Raad en het hof Den Haag (te weten: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 en ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, en hof Den Haag 5 juli 2011, ECL:NL:GHSGR:2011:BR0133 en ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0132). De rechtbank heeft de in deze zaken vastgestelde feiten – voor zover deze betrekking hebben op de val van Srebrenica – in haar beoordeling betrokken en heeft de in deze zaken gegeven oordelen, voor zover daarnaar in het navolgende wordt verwezen of deze worden geciteerd, tot de hare gemaakt. De in het vervolg geciteerde passages van het ICTY in de zaak Krstić betreffen, tenzij anders vermeld, steeds passages uit de uitspraak in eerste aanleg van 2 augustus 2001, die in hoger beroep onbestreden zijn gebleven of zijn bevestigd. 4.10. In de zaken van Nuhanović, die als tolk in dienst was bij de VN, en Mustafić, die als electricien werkzaam was voor Dutchbat, heeft de Hoge Raad het oordeel van het hof Den Haag (hierna: het hof) bekrachtigd. Dat oordeel luidt dat het niet meenemen van de familieleden van Nuhanović, terwijl hijzelf op de lijst met lokaal personeel dat met Dutchbat mee mocht evacueren stond, en het bewerkstelligen dat Mustafić, die niet op die lijst stond, met zijn gezin de compound verliet, aan de Staat kan worden toegerekend en onrechtmatig is. De Staat benadrukt dat in deze zaken slechts is geoordeeld over de specifieke positie van Mustafić en de gezinsleden van Nuhanović en het handelen van Dutchbat aan het eind van de evacuatie van de vluchtelingen van de compound, toen daar (vrijwel) geen andere vluchtelingen meer waren. Het hof heeft in deze zaken overwogen dat hij alleen daarover te oordelen had en niet over de positie van de vluchtelingen die de compound al eerder hadden verlaten, van de vluchtelingen die zich vlak buiten de compound bevonden, of van de andere vluchtelingen op de compound. 4.11. De verwijten van eiseressen betreffen de gehele missie van Dutchbat en het optreden van Dutchbat in relatie tot de (moslim)bevolking in de safe area. Daarnaast gaat het in deze zaak concreet over (de familieleden van) [eiseres sub 1] c.s.. Het feitencomplex in deze zaak is veelomvattender dan in de zaken Nuhanović en Mustafić. Het is bovendien niet beperkt tot het optreden van Dutchbat, maar heeft ook betrekking op het optreden van de Nederlandse regering, bijvoorbeeld in relatie tot de besluitvorming over het verlenen van luchtsteun aan Dutchbat. Dit alles neemt niet weg dat de in deze twee zaken gegeven oordelen van betekenis zijn voor de onderhavige zaak, omdat deze zich afspeelt in dezelfde context van de val van Srebrenica. 4.12. Evenals partijen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat na de val van Srebrenica genocide heeft plaatsgehad. Het IGH en het ICTY hebben geoordeeld dat sprake is van genocide in de zin van het Genocideverdrag. Zo heeft de Appeals Chamber van het ICTY in de zaak Krstić overwogen: “By seeking to eliminate a part of the Bosnian Muslims, the Bosnian Serb forces committed genocide. They targeted for the extinction the forty thousand Bosnian Muslims living in Srebrenica, a group which was emblematic of the Bosnian Muslims in general. They striped all the male Muslim prisoners, military and civilian, elderly and young, of their personal belongings and identification, and deliberately and methodically killed them solely on the basis of their identification.” (r.o. 37). 4.13. De Staat hecht eraan te benadrukken dat de val van Srebrenica en de vele doden die te betreuren zijn een “zwarte bladzijde” vormen in de Europese geschiedenis en dat de internationale gemeenschap er niet in is geslaagd dit drama te voorkomen. De Staat wijst er verder op dat het de Bosnische Serven zijn geweest die de genocide hebben gepleegd. De rechtbank merkt op dat de Staat in dit verband desondanks aansprakelijk kan worden gehouden voor zover sprake is van aan hem toe te rekenen onrechtmatig handelen. (iii) een aantal terminologische kwesties 4.14. In navolging van partijen hanteert de rechtbank de term ‘vluchtelingen’ ter aanduiding van de leden van de moslimbevolking die zich in de safe area bevonden en deze rond de val van Srebrenica op 11 juli 1995 hebben verlaten. De rechtbank doet daarmee geen uitspraak over de vraag of zij vluchtelingen zijn in de zin van het Vluchtelingenverdrag. 4.15. Net als partijen hanteert de rechtbank de term ‘oorlogsmisdrijven’, daar waar het door eiseressen gemaakte verwijt over het niet melden door Dutchbat van geconstateerde misdrijven wordt besproken. Ook hier doet de rechtbank daarmee geen uitspraak over de juridische kwalificatie van die misdrijven. 4.16. Bij de weergave van de feiten zijn het ontstaan van de enclave Srebrenica en de instelling van de safe area beschreven. Hierna zal de rechtbank ter aanduiding van de stad Srebrenica en omgeving, die de in het mandaat aangeduide safe area vormden, steeds spreken van ‘de safe area’. De rechtbank zal de stad aanduiden als ‘de stad Srebrenica’. ‘De val van Srebrenica’ duidt op de val van de stad Srebrenica op 11 juli 1995, die het einde van de VN-missie inluidde. ‘De mini safe area’ ziet op de compound en het nabijgelegen gebied waar van 11 tot en met 13 juli 1995 vluchtelingen hebben verbleven. De rechtbank gebruikt ‘Potočari’ voor het gebied rond de mini safe area waar zich de huizen bevonden waar de Bosnische Serven door hen geselecteerde mannelijke vluchtelingen uit de mini safe area naar toe hadden gebracht. (
  25. iv)de proceshouding van de Staat 4.17. Eiseressen betogen dat de proceshouding van de Staat “onbehoorlijk” en “in juridisch, menselijk en moreel opzicht onaanvaardbaar is”. Dat heeft in hun optiek geleid tot een verstoord processueel evenwicht dat hersteld moet worden. Meer concreet verwijten zij de Staat “het welbegrepen eigen belang” bij het eerder in deze procedure bepleiten van de immuniteit van de VN en het achterhouden van documenten. 4.18. Eerder in deze procedure heeft het hof geoordeeld dat de Staat er een redelijk belang bij had om voor de rechter, bij wie het geding tegen de VN aanhangig was, zijn standpunt uiteen te zetten en te verdedigen dat die rechter zich onbevoegd moest verklaren. Dat de Staat dit heeft gedaan, kan hem dan ook niet met succes worden tegengeworpen. 4.19. Eiseressen verwijten de Staat de volgende stukken voor hen achter te houden: de Rules of Engagement, de toelichtingen daarop, de gespreksverslagen van wat rond de val van Srebrenica is besproken in de bunker van het Defensie Crisisbeheersingscentrum (hierna: DCBC) en de debriefingsrapporten van Dutchbat. Eiseressen stellen dat de Staat het in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vervatte voorschrift niet is nagekomen door deze documenten niet in het geding te brengen. 4.20. Eiseressen hebben op grond van de Wet Openbaarheid van Bestuur (hierna: WOB) een verzoek gedaan aan de minister van defensie om openbaarmaking van de Rules of Engagement van de VN en de toelichting daarop, de SOP van UNPROFOR en de van de opperbevelhebber van UNPROFOR afkomstige Force Commander Directives. De weigering van de minister van defensie om deze stukken openbaar te maken is door eiseressen in rechte aangevochten en heeft tot in hoogste instantie stand gehouden. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2010 blijkt dat daartoe – kort gezegd – is overwogen dat de minister van defensie het oordeel van de VN over deze documenten, die door de verdragsluitende partijen bij het VN-Immuniteitenverdrag als onschendbaar zijn aangemerkt, moet eerbiedigen. De VN heeft bepaald dat deze documenten vertrouwelijk – en dus niet bestemd voor openbaarmaking – zijn (ECLI:NL:RVS:2010:BL6245). Dit oordeel staat in de weg aan de door eiseressen getrokken conclusie dat de Staat de Rules of Engagement en de toelichtingen daarop ten onrechte niet in het geding heeft gebracht. 4.21. Niet blijkt dat eiseressen op grond van de WOB hebben verzocht om kennisneming van de andere door hen (in 4.19) genoemde stukken. Evenmin blijkt dat zij de daarvoor bestaande civielrechtelijke mogelijkheden om de beschikking te krijgen over (afschriften van) deze stukken, of om kennis te nemen van de inhoud daarvan, hebben benut. Eiseressen hebben kennis kunnen nemen van de inhoud van een deel van deze stukken, die is beschreven in het NIOD-rapport. De Staat heeft zich verder in dit geding uitsluitend beroepen op bronnen die openbaar zijn. Tegen deze achtergrond ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om, zoals eiseressen bepleiten maar de Staat bestrijdt, in algemene zin bij de beoordeling van de geschilpunten minder hoge eisen te stellen aan hun stelplicht en verhoogde eisen aan de stelplicht van de Staat en/of, voor zover de Staat aan zijn stelplicht heeft voldaan, de Staat te belasten met het bewijs, ook al draagt hij niet de bewijslast volgens artikel 150 Rv, of stellingen van eiseressen voorshands bewezen te achten. De rechtbank zal de stellingen van eiseressen op hun eigen merites beoordelen, op grond van de vaststaande feiten en na toetsing van de standpunten van partijen daarover aan het toepasselijk recht. II Toerekenbare tekortkoming 4.22. Eiseressen stellen dat de Staat jegens hen toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichting tot bescherming van de bevolking van de safe area. Volgens eiseressen vloeit deze verplichting voort uit de overeenkomst tussen de Staat en de VN tot het ter beschikking stellen van troepen ter bescherming van de bevolking van de safe area en is deze aan te merken als een derdenbeding in de zin van artikel 6:253 BW. Zij stellen dat de bevolking dit beding heeft aanvaard en daarmee partij is geworden bij deze overeenkomst. 4.23. Omdat eiseressen tijdens het pleidooi te kennen hebben gegeven dat zij de grondslag van dit onderdeel van de vordering tot deze overeenkomst beperken, laat de rechtbank de overige in de processtukken besproken overeenkomsten buiten beschouwing. 4.24. Eiseressen hebben kennelijk het oog op het onder 2.14 bedoelde aanbod van de Nederlandse regering van een bataljon van de Luchtmobiele Brigade ten behoeve van de uitvoering van de VN-resoluties, in het bijzonder van Resolutie 836, dat de secretaris-generaal op 21 oktober 1993 heeft aanvaard. In de zaken Nuhanović en Mustafić heeft het hof geoordeeld dat in deze gang van zaken een overeenkomst besloten ligt, die in redelijkheid niet anders kan worden verstaan dan dat het de bedoeling van partijen was dat het Nederlandse bataljon in de bevelstructuur van de VN zou komen te functioneren en dus voor de uitvoering van de vredesoperatie onder het uiteindelijke gezag van de Veiligheidsraad zou worden geplaatst. 4.25. Nu de overeenkomst tussen de Staat en de VN is gesloten voordat het EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, Trb. 1980 nr. 156 (hierna: EVO) werd omgezet in de Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008 L177 (‘Rome I-Verordening’), dient het daarop toepasselijk recht te worden bepaald aan de hand van het EVO. 4.26. Bij gebreke van een rechtskeuze, nu Nederland de kenmerkende prestatie van het ter beschikking stellen van de troepen heeft verricht en uit niets blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land, ook niet Bosnië-Herzegovina waar Dutchbat naar werd uitgezonden, wordt de overeenkomst op grond van artikel 4 EVO beheerst door Nederlands recht. 4.27. Anders dan eiseressen betogen, schept de overeenkomst waarbij de Staat troepen ter beschikking heeft gesteld aan de VN ten behoeve van de uitvoering van Resolutie 836, geen recht voor de bevolking van de safe area om bescherming te vorderen van de Staat of op andere wijze jegens de Staat een beroep op de overeenkomst te doen als bedoeld in artikel 6:253 BW. Het is ook niet aannemelijk dat de Staat met de VN een derdenbeding ten gunste van eiseressen is overeengekomen omdat daarmee het hierna te bespreken volkenrechtelijke stelsel van toerekening van en aansprakelijkheid voor het optreden van troepen in het kader van VN-missies zou worden doorkruist. Het beroep van eiseressen komt immers in feite neer op het rechtstreeks van de Staat afdwingen van naleving van Resolutie 836 en impliceert dat de bevolking van een land of een plaats waar de VN op grond van een VN-resolutie met behulp van troepenmachten optreedt, steeds jegens de zendstaten die troepenmachten leveren voor de uitvoering van de resolutie, aanspraak zou kunnen maken op naleving van die resolutie. 4.28. Het voorgaande leidt tot afwijzing van de onder 3.1 sub I gevorderde verklaring voor recht en de vorderingen onder 3.1 sub IV en sub V tot betaling van schadevergoeding en een voorschot van [eiseres sub 1] c.s., voor zover deze op een toerekenbare tekortkoming van de Staat zijn gebaseerd. III Onrechtmatig handelen wegens schending van (inter)nationaal recht 4.29. Voor toewijzing van de vordering onder 3.1 sub II, de verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld, is vereist
(1)dat de gedragingen waarop de verwijten van eiseressen betrekking hebben aan de Staat kunnen worden toegerekend en
(2)dat is voldaan aan alle (overige) vereisten voor onrechtmatige daad naar het daarop toepasselijke (inter)nationale recht (zie 4.7). 1toerekening van de verweten gedragingen aan de Staat 4.30. Nu dit geschil betrekking heeft op een vredesoperatie van de VN ten behoeve waarvan de Staat troepen heeft geleverd, rijst de vraag of de aan de Staat verweten gedragingen, voor zover die onder VN-vlag hebben plaatsgevonden, wel aan de Staat kunnen worden toegerekend. Met partijen stelt de rechtbank voorop dat deze vraag naar normen van internationaal publiekrecht moet worden beantwoord. 4.31. Hierbij maakt de rechtbank onderscheid tussen (A) de gedragingen van Dutchbat en (B) andere gedragingen waarop de verwijten van eiseressen betrekking hebben, bijvoorbeeld de besluitvorming ten aanzien van het verlenen van luchtsteun aan Dutchbat. Onder (C) staat de slotsom over de aan de Staat toe te rekenen gedragingen. (A) toerekening van gedragingen van Dutchbat aan de Staat 4.32. De rechtbank behandelt achtereenvolgens: (
  1. a)het criterium voor toerekening: effective control; (
  2. b)de overdracht van command and control over Dutchbat aan de VN; (
  3. c)effective control over gedragingen van Dutchbat - algemeen; (
  4. d)overige stellingen van eiseressen over toerekeninge van gedragingen van Dutchbat in de periode voor de val van Srebrenica; (
  5. e)de slotsom over effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat in de periode voor de val van Srebrenica; (
  6. f)effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica; (
  7. g)effective control van de Staat over concrete gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica en (
  8. h)de slotsom over effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica. (
  9. a)het criterium voor toerekening: effective control 4.33. In de zaken Nuhanović en Mustafić heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het criterium voor toerekening van gedragingen van Dutchbat aan de Staat is of de Staat effective control over die gedragingen uitoefende. De Hoge Raad leidt dit criterium af uit artikel 7 van de door de International Law Organisation (ILO) opgestelde Draft Articles on Responsibility of International Organisations (hierna: DARIO). Het hof heeft in genoemde zaken overwogen dat hoewel deze bepaling effective control alleen noemt in relatie tot toerekening aan de VN, hetzelfde criterium geldt ter beantwoording van de vraag of het optreden van troepen moet worden toegerekend aan de staat die deze ter beschikking heeft gesteld. De Hoge Raad heeft overwogen dat de aanbevelingen van de ILO, die zijn neergelegd in de DARIO en de Draft Articles on Responsibility of States for Internationally wrongful Acts (hierna: DARS), in het algemeen kunnen worden aanvaard als een afspiegeling van het (kennelijk ook al in 1995) geldende ongeschreven internationaal recht. 4.34. Effective control houdt in feitelijke zeggenschap (‘factual control’) van de Staat over concrete gedragingen van Dutchbat. Of dit aan de orde is, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat toerekening van dezelfde gedraging(
  10. en)in beginsel aan zowel de Staat als de VN kan plaatsvinden (‘dual attribution’) op grond van artikel 48 DARIO. 4.35. Anders dan eiseressen betogen, is het voor de wijze van toerekening niet relevant dat de VN immuniteit genieten. Het internationaal (gewoonte)recht biedt geen steun voor het standpunt van eiseressen dat, gelet op die immuniteit, de “ruimst mogelijke” toerekeningmaatstaf voor het handelen van Dutchbat moet worden toegepast omdat anders Dutchbat “boven de wet” wordt geplaatst. Het oordeel van de Hoge Raad in het onder 1.1 genoemde arrest dat naar geldend internationaal recht de afwezigheid van een alternatieve rechtsgang geen afbreuk doet aan de immuniteit van de VN (bevestigd door het EHRM, zie 4.3), onderstreept dat de immuniteit van de VN niet een argument kan vormen om het handelen van Dutchbat buiten de kaders van het geldende internationale recht aan de Staat toe te rekenen. (
  11. b)de overdracht van command and control over Dutchbat aan de VN 4.36. Omdat het geschil betrekking heeft op een VN-vredesoperatie ter uitvoering van een VN-mandaat, is voor de toerekening van gedragingen van Dutchbat aan de Staat van belang over welke bevoegdheden de Staat (nog) beschikte en welke bevoegdheden hij had overgedragen aan de VN. Daarom verdient bespreking of, en zo ja, in hoeverre de Staat command and control over Dutchbat aan de VN heeft overgedragen. 4.37. Evenals de Staat is de rechtbank van oordeel dat de Staat command and control over Dutchbat aan de VN heeft overgedragen. Dit is niet, zoals vaak gebeurt, in een schriftelijke overeenkomst (‘transfer of authority’) vastgelegd. Dat hoeft ook niet. Voor de overdracht van command and control gelden geen vormvereisten. Na de onder 2.14 bedoelde overeenkomst, waarbij de Staat troepen ter beschikking heeft gesteld aan de VN, is Dutchbat daadwerkelijk onder bevel van de VN geplaatst en heeft Dutchbat gefunctioneerd als een contingent van UNPROFOR. 4.38. De overdracht van command and control over Dutchbat vond plaats ten behoeve van deelname aan een vredesoperatie van de VN op basis van hoofdstuk VII van het VN-Handvest, ter uitvoering van het mandaat (zie 2.12). De Veiligheidsraad is exclusief verantwoordelijk voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en is primair verantwoordelijk voor de uitvoering van het mandaat. De door de Staat aan de VN overgedragen command and control wordt onder meer genoemd en omschreven in het operatiebevel van 14 december 1994, dat ziet op de aflossing van Dutchbat II door Dutchbat III. Daarin staat onder meer: “
(2)Na aankomst in YU [Joegoslavië, toevoeging rechtbank] staat Dutchbat oob [NAVO: operational control
(1)(opcon)] van UNPROFOR”. In de noot
(1)bij Operational control staat: “OPCON. The authority delegated to direct forces assigned so that the commander limited by function, time or location; to deploy units concerned, and to retain or assign tactical control of these units. It does not include authority to assign separate employment of components of the units concerned. Neither does it, or itself, included administrative or logistic control. [NL: onder operationeel bevel (oob)]”. Voorhoeve heeft het als volgt verwoord: “Op het moment dat Nederland troepen ter beschikking stelt aan een internationale organisatie voor een vredesoperatie, draagt Nederland het operationeel bevel over die troepen over aan die organisatie of coalitie van landen. In dit geval zijn dus de Nederlandse militairen onder bevel gesteld van de Verenigde Naties. En hun eigen commandanten, de overste Karremans en de overige leiding van Dutchbat, rapporteerden aan de sector North-East van de Unprofor in Tuzla en aan Sarajevo. (…) Het daarop volgende niveau is generaal Janvier in Zagreb en aan de civiele kant de heer Akashi, de speciale vertegenwoordiger van de Verenigde Naties.” (Handelingen TK 1994/95, p. 5987). 4.
  1. Mede in het licht van het voorgaande acht de rechtbank de betwisting van eiseressen dat command and control over Dutchbat aan de VN is overgedragen, die enkel bij gebrek aan wetenschap is gedaan, onvoldoende. 4.
  2. Vaststaat dat de Staat geen voorwaarden heeft verbonden aan de overdracht van command and control over Dutchbat aan de VN. Gelet op de inhoud van het operatiebevel, de primaire verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad voor de operationele uitvoering van het mandaat en hetgeen gebruikelijk is bij door de VN uitgevoerde vredesoperaties, behelsde de door de Staat aan de VN overgedragen command and control de zeggenschap over de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat. Dutchbat werd ten aanzien hiervan aangestuurd via de VN-bevelslijn van UNPROFOR, die bevelen en instructies gaf aan de commandant van Dutchbat. De Staat had dus tijdens de uitvoering van de VN-missie geen formele bevoegdheden ten aanzien van de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat en was dus niet bevoegd om, hetzij via de Nederlandse officieren in de VN-bevelslijn, hetzij rechtstreeks zeggenschap uit te oefenen over Dutchbat op dat gebied. 4.
  3. Troepenleverende staten hebben na overdracht van command and control altijd de bevoegdheid troepen terug te trekken en deelname aan de operatie te staken (‘full command’). Zoals gebruikelijk is bij de overdracht aan de VN van command and control over de operationele uitvoering van het mandaat, heeft de Staat verder zeggenschap behouden over personele aangelegenheden van de ter beschikking gestelde militairen, die in dienst bleven van de Staat, en de materiële logistiek van Dutchbat. Ook heeft de Staat de bevoegdheid behouden die militairen disciplinair en strafrechtelijk te straffen. De Staat had tot slot zeggenschap over de voorbereiding van de missie, bijvoorbeeld over de selectie en opleiding van de manschappen. Dit alles is tussen partijen ook niet in geschil. 4.
  4. Met de overdracht van command and control over Dutchbat over de operationele uitvoering van het mandaat was sprake van de normale situatie waarin een staat troepen ter beschikking stelt die tijdens een vredesoperatie onder bevel van de VN functioneren en die in een rapport van de secretaris-generaal van de VN uit 1994 als volgt is omschreven: “In general, United Nations command is not a full command and closer in meaning to the generally recognized concept of “operational command”. It involves the full authority to issue operational directives within the limits of
(1)a specific mandate of the Security Council;
(2)an agreed period of time, with the stipulation that an earlier withdrawal requires adaquate prior notification; and
(3)a specific geographical range (the mission area as a whole).” (UN Doc. A/49/681 van 21 november 1994, paragraaf 6). 4.43. De hiervoor omschreven situatie gold in ieder geval tot de val van Srebrenica. (
  1. c)effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat 4.44. Eiseressen formuleren een aantal algemene stellingen, die volgens hen leiden tot toerekening aan de Staat van alle verweten gedragingen van Dutchbat. Mede aan de hand van deze stellingen zal de rechtbank het criterium effective control over deze gedragingen van Duchtbat nader invullen. 4.45. Gezien de mogelijkheid van dual attribution behoeft niet te worden onderzocht of de VN (ook) effective control uitoefende over de verweten gedragingen van Dutchbat. 4.46. De rechtbank stelt voorop dat voor het aannemen van effective control niet is vereist dat de Staat door het geven van instructies aan Dutchbat de bevelstructuur van de VN heeft doorbroken danwel zelfstandig operationele bevelsbevoegdheden heeft uitgeoefend. Het komt aan op de feitelijke zeggenschap over de specifieke gedraging, waarbij alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval in ogenschouw moeten worden genomen. Het hof heeft in de zaken Nuhanović en Mustafić overwogen dat daarbij niet alleen betekenis toekomt aan de vraag of de gedraging de uitvoering vormde van een door de Staat gegeven specifieke instructie, maar ook, indien een dergelijke specifieke instructie ontbreekt, de Staat het in zijn macht had het desbetreffende optreden te voorkomen. Deze overwegingen zijn in cassatie onbestreden gebleven. 4.47. Eiseressen stellen, onder verwijzing naar een citaat uit het NIOD-rapport, dat de Nederlandse regering zelf vond dat zij ondanks overdracht van command and control feitelijke zeggenschap uitoefende over Dutchbat en dat om die reden plaats is voor toerekening van alle handelingen van Dutchbat aan de Staat. Het gaat om het volgende citaat: “De minister van defensie, Voorhoeve, stelde zich tegenover het NIOD op het standpunt dat deze regelgeving omtrent Command and Control in Nederland, en de vraag hoe ieders verantwoordelijkheid lag, min of meer duidelijk was, maar dat het in de praktijk niet mogelijk was gebleken om dit soort zaken te scheiden, waardoor deze door elkaar heen gingen lopen. Volgens hem was het in strikt volkenrechtelijke zin mogelijk om te redeneren dat Nederland eenheden aan de VN ter beschikking had gesteld, en dat Nederland daarna alleen nog het recht had om deze eenheden terug te roepen, maar dat het verder aan de VN was. Den Haag zou daarmee zeggen: deze militairen zijn nu VN-blauwhelmen, en daarmee is dit ons probleem niet. Maar zo lagen de zaken in de praktijk niet, stelde Voorhoeve.” (NIOD, p. 2283). 4.48. De inhoud van dit citaat geeft onvoldoende grond voor de door eiseressen gemaakte gevolgtrekking. Het past in het hiervoor geschetste kader voor toerekening, waarin de overdracht van command and control over de operationele uitvoering van het mandaat aan de VN niet doorslaggevend is en de mogelijkheid open laat dat de Staat effective control uitoefent over gedragingen van Dutchbat. 4.49. Zoals hierboven weergegeven in 2.18 waren op diverse hoge posities binnen UNPROFOR Nederlandse officieren benoemd. Eiseressen stellen dat deze “Nederlandse lijn” binnen UNPROFOR nauwe contacten onderhield met “Den Haag” (lees: de Nederlandse regering, hierna ook: Den Haag), met doorbreking van de command en control van de VN, waardoor vanuit Den Haag doorlopend invloed werd uitgeoefend met voorbijgaan aan de formele lijnen en verantwoordelijkheden. 4.50. De Staat wijst er terecht op dat het enkele feit dat Nederlandse militairen waren benoemd in de organisatie van UNPROFOR niet reeds meebrengt dat de Staat effective control uitoefende. De Nederlandse officieren functioneerden in de VN-bevelslijn, waarin de operationele uitvoering van het mandaat werd aangestuurd. Het is gebruikelijk dat militairen uit troepenleverende landen deel uitmaken van de VN-bevelslijn bij door de VN uitgevoerde vredesoperaties. 4.51. Ook het gegeven dat Nederlandse UNPROFOR-officieren in voorkomende gevallen rechtstreeks contact hadden met Dutchbat en daarbij een schakel of schakels in de VN-bevelslijn oversloegen, brengt op zichzelf geen effective control van de Staat mee. Dit rechtstreekse contact was volgens de verklaringen van Nicolai voor de parlementaire enquêtecommissie ingegeven door de praktische wens om kwesties direct te bespreken (PE-verhoren, p. 259). Dit contact was er onder meer bij de discussie over terugtrekking uit de observatieposten tussen Nicolai en Karremans voordat de Post Airstike Guidance werd afgegeven (die hieronder nog aan de orde zal komen) en vond plaats binnen de VN-bevelslijn. 4.52. Dat de Nederlandse officieren in de VN-bevelslijn contact onderhielden met Den Haag is evenmin grond voor het aannemen van effective control. Eiseressen stellen dat de invloed van Den Haag zich onder meer uitte in frequente verzoeken om informatie. De Staat wijst er terecht op dat het verzoeken van informatie door de Nederlandse regering geen uitoefening van effective control inhoudt. Ook de door eiseressen uit het NIOD-rapport aangehaalde verzuchting van Nicolai, te weten “Het moment dat ik echt pissig naar Den Haag heb gebeld, was toen ze in Den Haag gingen vragen waar de forward Air Controllers zich bevonden. Het moet toch niet gekker worden dat ze dat in Den Haag al willen weten.” (p. 2626), begrijpt de rechtbank als kennelijk gedetailleerde verzoeken om informatie. Anders dan eiseressen betogen, geven deze verzoeken op zichzelf geen blijk van aansturing door de Nederlandse regering van optreden van Nederlandse officieren en/of van Dutchbat bij de operationele uitvoering van het mandaat. Gezien de verantwoordelijkheid die de Staat ook na overdracht van command and control over de operationele uitvoering van het mandaat ten aanzien van Dutchbat had (zie 4.41), lag contact tussen de Nederlandse regering en de Nederlandse officieren bij UNPROFOR voor de hand. 4.53. Ook meer in het algemeen brengt communicatie tussen Nederlandse UNPROFOR-officieren en de Nederlandse regering geen effective control mee, tenzij in dat verband sprake is van aanwijzingen of instructies aan deze Nederlandse officieren of enige andere vorm van operationele aansturing door de Staat. 4.54. Vaststaat dat in de aanloop naar de val van Srebrenica de contacten tussen Den Haag enerzijds en de Nederlandse UNPROFOR-officieren en Dutchbat anderzijds intensiever werden. Enkel deze toename van de intensiteit van het contact levert nog geen effective control op. Eiseressen stellen, onder verwijzing naar pagina 2276 van het NIOD-rapport, dat het DCBC zich in deze periode steeds meer met operationele zaken bemoeide. Op deze pagina worden onder het kopje “verhoudingen tussen DCBC en KL Crisisstaf” de verhoudingen tussen deze twee onderdelen beschreven. Daar staat onder meer: “Naarmate de zaken in Srebrenica spannender werden, begon echter ook het DCBC zich onder de politieke druk van het moment steeds meer met de uitvoering van de operatie te bemoeien, en werden de scheidslijnen tussen de taken van het DCBC en die van de KL Crisisstaf vaag.” Dat het DCBC zich in de verhouding tot de KL Crisisstaf meer met operationele zaken “bemoeide”, houdt ook geen effective control in; nog daargelaten dat deze bemoeienis ook kan bestaan uit een verhoogde interesse en informatiebehoefte, gaat het hier bovenal, zoals de Staat voldoende heeft toegelicht, om de verhouding en taakverdeling tussen twee organisatie-eenheden in Nederland. 4.55. Eiseressen betogen verder dat sprake is van een “bestendige gedragslijn” van Dutchbat om, in strijd met uitdrukkelijke bevelen van de VN, het eigen belang te laten prevaleren. Daarom staat volgens hen vast dat het handelen van Dutchbat het gevolg is van door de Staat uitgeoefende effective control, “nu militairen (vrijwel) niet op eigen initiatief handelen”. Los van de vraag of dat laatste klopt of onder alle omstandigheden opgaat, bieden deze algemeen geformuleerde aannames van eiseressen onvoldoende basis om te kunnen concluderen dat aan dat handelen steeds instructies van de Staat zijn voorafgegaan. 4.56. Met hun stellingen over handelen door Dutchbat in strijd met door de VN gegeven bevelen en hun betoog dat de Staat zich niet met een beroep op onder meer de (gebrekkige) opleiding en voorbereiding van Dutchbat kan verontschuldigen voor de aan hem gemaakte verwijten, raken eiseressen wel een grondslag voor toerekening aan de Staat van het optreden van Dutchbat, te weten ultra vires handelen van Dutchbat ten opzichte van VN-instructies. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.57. Als een troepenmacht, ten aanzien waarvan de command and control over de operationele uitvoering van het mandaat is overgedragen aan de VN, op eigen initiatief buiten de door de VN gegeven bevoegdheden treedt of tegen de instructies van de VN in handelt, is sprake van – het ook zo door eiseressen aangeduide – ultra vires optreden van die troepenmacht. Dit handelen is toe te rekenen aan de troepenleverende staat, omdat de Staat zeggenschap heeft over de mechanismen die aan dit ultra vires optreden ten grondslag liggen, zoals het selecteren, opleiden en het op de missie voorbereiden van de aan de VN ter beschikking gestelde troepen. Verder heeft de troepenleverende staat het in zijn macht maatregelen te treffen tegen ultra vires optreden van zijn troepen, aangezien hij zeggenschap heeft over personele aangelegenheden en disciplinaire bestraffing. 4.58. Voor toerekening van ultra vires handelen aan de troepenleverende staat, is niet vereist dat die staat een instructie of aanwijzing met betrekking tot het ultra vires optreden heeft gegeven of dit in het concrete geval anderszins heeft beïnvloed. Doorslaggevend is dat de troepenleverende staat met de bevoegdheden die hij na overdracht van command and control aan de VN over zijn troepen heeft behouden, ook de relevante zeggenschap heeft behouden ten aanzien van, en daarmee effective control heeft over, eigenmachtig buiten de door de VN gegeven bevoegdheden treden of tegen de instructies van de VN in handelen van zijn aan de VN ter beschikking gestelde troepen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de toelichting van de ILO bij artikel 7 DARIO, waarin onder meer staat: “Practice relating to peacekeeping forces is particularly significant in the present context because of the control that the contributing State retains over disciplinary and criminal matters. This may have consequences with regard to attribution of conduct. (…) Attribution of conduct to the contributing State is clearly linked with the retention of some powers by that State over its national contingent and thus on the control that the State possesses in the relevant respect.” (onder 7, p. 21). 4.59. Dat de VN van mening zijn dat dit soort ultra vires optreden van aan haar ter beschikking gestelde troepen exclusief aan haar moet worden toegerekend, tenzij sprake is van “gross negligence or willful misconduct” (zie VN Doc. A 50/995 van 9 juli 1996 en VN Doc. A 46/185 van 23 mei 1991), doet niet af aan het voorgaande. Deze opvatting van de VN is namelijk niet doorslaggevend voor de toerekening van optreden van troepen in het kader van vredesoperaties volgens de daarvoor geldende normen. 4.60. Onbesproken kan blijven of ultra vires optreden van troepen aan zowel de zendstaat als de VN kan worden toegerekend (dual attribution) of dat alleen plaats is voor toerekening van zulk optreden aan de zendstaat, zoals in de literatuur wel is betoogd. (
  2. d)de overige stellingen van eiseressen over toerekening van gedragingen van Dutchbat voor de val van Srebrenica 4.61. De rechtbank zal nu, aan de hand van de stellingen van eiseressen, bespreken of er grond bestaat om (bepaalde) gedragingen van Dutchbat aan de Staat toe te rekenen vanwege de instructie van Voorhoeve aan Dutchbat om slachtoffers te vermijden (
  3. i)of vanwege ultra vires optreden van Dutchbat (ii). (
  4. i)toerekening vanwege de instructie van Voorhoeve om slachtoffers te vermijden 4.62. Eiseressen citeren de uitspraken van Voorhoeve op 10 juli 1995 in het televisieprogramma NOVA: “Wij moeten de komende weken de allerhoogste voorrang geven aan de veiligheid van de Nederlandse militairen. De opdracht aan de commandanten is ook om op de eerste plaats slachtoffers te vermijden. Ik wil al die mannen en vrouwen heelhuids thuis zien. (…) We hebben ook de afgelopen dagen met al die commandanten getelefoneerd en gesproken. Wij willen geen risico’s voor het Nederlandse personeel lopen, geen onverdedigbare stellingen gaan verdedigen. Wees wijs en breng al onze jongens en meisjes heelhuids naar huis.” Volgens eiseressen blijkt uit dit citaat dat de Staat instructies aan Dutchbat heeft gegeven en dat – omdat Voorhoeve spreekt over “de afgelopen dagen” – deze instructies in ieder geval vanaf 8 juli 1995 zijn gegeven. 4.63. De rechtbank stelt vast dat op 9 juli 1995 (en niet eerder) vanuit Den Haag, via de VN-bevelslijn, de instructie aan Dutchbat is gegeven om slachtoffers te vermijden. Zij overweegt daartoe als volgt. 4.64. Het besluit om blocking positions in te nemen is op 9 juli 1995 genomen in Zagreb en is die dag doorgegeven aan Dutchbat en aan de Nederlandse regering. Tegenover de parlementaire enquêtecommissie heeft Voorhoeve verklaard: “Ik heb, toen wij de blocking positions bespraken, de hoop uitgesproken dat de commandanten zulke maatregelen zouden nemen dat er zo weinig mogelijk slachtoffers zouden vallen.” (PE-verhoren, p. 625). Van den Breemen heeft in zijn brief aan de parlementaire enquêtecommissie, in antwoord op vragen over de blocking positions, geschreven: “De Minister had ook aanzienlijke twijfels en zorgen, maar was het met mij eens. Het zijn de commandanten die het uiteindelijk bepalen, met de aantekening dat de politieke wens overeind bleef dat onnodige slachtoffers voorkomen moesten worden. Dit is verder volgens mijn herinnering zakelijk richting de VN gecommuniceerd. In de middag heeft Nicolai mij gebeld en een update gegeven van de laatste stand van zaken. Wat ik precies gezegd heb weet ik niet meer, in ieder geval niets bijzonders, zoiets van veel sterkte en succes en denk eraan: geen onnodige slachtoffers.” (PE-verhoren, p. 735). Tegenover de parlementaire enquêtecommissie heeft Franken op de vraag of hij bij de instructies over de blocking positions ook de instructie kreeg om geen slachtoffers te maken, geantwoord: “’s Avonds is mij medegedeeld dat er bericht was van de minister van Defensie Voorhoeve dat inhield dat hij niet wilde dat er Nederlandse doden en gewonden zouden vallen. (…) Mij werd dat meegedeeld door overste Karremans.” (PE-verhoren, p. 67, dat laatste in antwoord op de vraag door wie dat werd meegedeeld). 4.65. Uit het voorgaande blijkt dat vanuit Den Haag, via de VN-bevelslijn, de instructie is gegeven aan Dutchbat om bij het innemen van de blocking positions, waartoe op 9 juli 1995 was besloten, geen onnodige slachtoffers te maken. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat deze instructie eerder is gegeven dan 9 juli 1995 en een bredere strekking had dan het optreden bij de blocking positions, dat een ander, namelijk “groener” – dat wil zeggen meer militair – karakter had, en risicovoller was dan het “blauwe” optreden – in het kader van de vredesoperatie – tot dan toe bij de uitvoering van het mandaat. 4.66. Evenals eiseressen is de rechtbank van oordeel dat deze instructie van Voorhoeve blijk geeft van de uitoefening van effective control door de Staat over het optreden van Dutchbat. Met deze instructie mengde de Staat zich immers in een operationele aangelegenheid waarvoor UNPROFOR bovendien een specifiek bevel had gegeven, terwijl na de overdracht door de Staat van de command and control over de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat aan de VN, de zeggenschap over deze operationele aangelegenheden aan de VN was voorbehouden. Dit wordt niet anders doordat deze instructie strookt met de daaraan voorafgaande, in de Post Airstrike Guidance van 29 mei 1995, verwoorde algemene instructie van de VN “that the execution of the mandate is secondary to the security of UN personnel. The intention being to avoid loss of life defending positions for their own sake and unnecessary vulnerability to hostage taking.” (zie 2.20). Doorslaggevend is dat de Staat zich met deze instructie aan Dutchbat heeft gemengd in de aan de VN uit handen gegeven aansturing van de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat. (
  5. ii)toerekening vanwege ultra vires optreden van Dutchbat 4.67. Aan de orde komen nu het door eiseressen gestelde ultra vires optreden van Dutchbat ten opzichte van het mandaat
(1)en bij het opgeven van observatieposten
(2).
(1)ultra vires optreden ten opzichte van het mandaat 4.
  1. Eiseressen stellen dat Dutchbat, door zich onvoldoende in te spannen om de bevolking van de safe area te beschermen, in strijd met het mandaat heeft gehandeld. De Staat wijst er terecht op dat de resoluties en het mandaat bevoegdheden aan Dutchbat toekennen. Dutchbat handelt bij de operationele uitvoering van het mandaat onder command and control van UNPROFOR. Als zij eigenmachtig buiten de in het mandaat gegeven bevoegdheden treedt, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van aan de Staat toe te rekenen ultra vires optreden van Dutchbat. 4.
  2. De stelling van eiseressen dat Dutchbat zich onvoldoende heeft ingespannen om de bevolking van de safe area te beschermen, heeft echter geen betrekking op eigenmachtig buiten de in het mandaat gegeven bevoegdheden treden (en dus op ultra vires handelen), maar op de operationele uitvoering van het mandaat door Dutchbat, onder command and control van de VN. Voor toerekening aan de Staat van de gedragingen van Dutchbat ter uitvoering van en binnen de kaders van het mandaat, bestaat geen grond.
(2)ultra vires optreden bij het opgeven van de observatieposten 4.70. Eiseressen stellen dat Dutchbat de observatieposten heeft opgegeven, terwijl aan geen van de onder 9b van de Post Airstrike Guidance van 29 mei 1995 opgesomde voorwaarden voor opgave was voldaan. Alleen geïsoleerde posities in door Bosnische Serven ingenomen gebied mochten worden verlaten, wanneer levens op het spel stonden of doden waren te betreuren, aldus eiseressen. 4.71. Onder verwijzing naar het NIOD-rapport merken eiseressen op dat Dutchbat de observatiepost OP-E – in strijd met de standing order om alles in brand te steken bij gedwongen vertrek van een observatiepost – niet in brand heeft gestoken (p. 2005). De rechtbank laat deze opmerking onbesproken, aangezien deze geen betrekking heeft op de kern van het verwijt van eiseressen, namelijk dat Dutchbat de observatieposten zonder slag of stoot zou hebben prijsgegeven en daarmee Srebrenica onvoldoende zou hebben verdedigd. 4.72. Voor Dutchbat is de Post Airstrike Guidance in de volgende context gegeven. Op 25 en 26 mei 1995 waren luchtaanvallen uitgevoerd op doelen in de buurt van het Bosnisch-Servische regeringscentrum in Pale. Daarna hadden de Bosnische Serven honderden UNPROFOR-militairen gevangen genomen, om met deze gijzelaars verdere aanvallen te voorkomen. Op 28 mei 1995 hadden de Bosnische Serven twee observatieposten van Britbat ingenomen en enkele tientallen Britse militairen gegijzeld, waarop Britbat zich op haar compound had teruggetrokken. Die avond had Nicolai aan Karremans de opdracht gegeven om een aantal observatieposten op te geven. Karremans was het daar niet mee eens. Vervolgens is in overleg tussen Nicolai en Karremans, in afwachting van nadere aanwijzingen van Smith, die de volgende ochtend verwacht werden, een tussenoplossing bereikt, die inhield dat voorbereidingen zouden worden getroffen om de observatieposten zonodig binnen een uur te kunnen verlaten. De observatieposten zouden worden gehandhaafd tot nader order of totdat serieus gevaar dreigde, waarbij Nicolai de instructie gaf dat geen onnodig risico gelopen moest worden. In de nacht van 28 en 29 mei 1995 is de instructie over het voorbereiden van het vertrek van de observatieposten aan Dutchbat doorgegeven en uitgevoerd. De nadere aanwijzingen van Smith kwamen in de vorm van de Post Airstrike Guidance van 29 mei 1995 (NIOD, pp. 1991-1996). 4.73. De door eiseressen aangehaalde instructie over het verlaten van de observatieposten onder 9b van de Post Airstrike Guidance kan niet los worden gezien van de hiervoor weergegeven context en ook niet van de rest van de Post Airstrike Guidance. Deze begint met de vermelding van de Servische reactie op de eind mei 1995 gegeven luchtsteun en de instructie van de VN: “(…) that the execution of the mandate is secondary to the security of UN personnel. The intention is to avoid loss of life defending positions for their own sake and unnecessary vulnerability to hostage taking.” Vervolgens noemt de Post Airstrike Guidance doelstellingen voor het optreden van UNPROFOR in de komende periode, onder meer: “ “Using force if nessecary including CAS and Air Strikes as a last resort (…) Maintaining as best as we can our position as Peacekeepers endeavouring to fulfill our mandate.” Daarna volgt de door eiseressen aangehaalde, meer concrete instructie: “Positions that can be reinforced, or it is practical to counter attack to recover, are not to be abandoned. Positions that are isolated in BSA territory and unable to be supported may be abandoned at the Superior Commanders discretion when they are threatened and in his judgement life or lives have or will be lost. (…)” 4.74. De stelling van eiseressen dat observatieposten “zonder slag of stoot” zijn opgegeven valt niet te rijmen met de feiten. De observatiepost OP-E is opgegeven nadat deze was omsingeld door de Bosnische Serven, de Dutchbatters ontploffingen en vuursalvo’s hoorden en de Bosnische Serven hen met een megafoon maanden om de observatiepost te verlaten. Toen de bemanning de observatiepost in een YPR, een pantservoertuig, verliet werd zij onder vuur genomen door de Bosnische Serven. De observatiepost OP-F is opgegeven nadat deze onder vuur kwam te liggen van VRS-tanks die op de ABiH schoten en vervolgens werd benaderd door de Bosnische Serven, die zichtbaar voorbereidingen troffen om deze observatiepost aan te vallen. Ook de andere observatieposten zijn steeds opgegeven nadat zij werden omsingeld of onder vuur genomen door de Bosnische Serven. Dat geldt ook voor de observatiepost OP-M, die in de dagen voor het opgeven ervan op 9 juli 1995 was beschoten. Kort voordat de bemanning van observatiepost OP-M die dag vertrok, kwamen de inslagen van het VRS-vuur steeds dichterbij, totdat een granaat de poort van de observatiepost vernielde. Vlak nadat Dutchtbat de observatiepost had verlaten, kreeg deze een voltreffer en werd deze beschoten met een zwaar kaliber mitrailleur (NIOD, p. 2258). 4.75. Los van deze discrepantie tussen feiten en stellingen, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat Dutchbat door in de gegeven omstandigheden de observatieposten op te geven in strijd heeft gehandeld met de instructie onder 9b van de Post Airstrike Guidance, zeker als daarbij de context en de overige inhoud van de Post Airstrike Guidance in aanmerking worden genomen. 4.76. Het voorgaande wordt niet anders omdat Dutchbat er wellicht ook voor had kunnen kiezen meer weerstand te bieden aan de Bosnische Serven, bijvoorbeeld door de Bosnische Serven te beschieten. De verwijzingen van eiseressen naar de Rules of Engagement en andere VN-instructies kunnen hen in dit opzicht niet baten. Deze instructies geven de bevoegdheid om geweld te gebruiken en reguleren het gebruik van deze bevoegdheid, maar verplichten daar niet toe. Dat een instructie ook op een andere manier uitgevoerd had kunnen worden, betekent niet zonder meer dat is gehandeld in strijd met de instructie. Dat geldt ook voor de mogelijkheid dat anderen anders zouden hebben gehandeld – zoals wordt gesuggereerd in de door eiseressen in dit verband geciteerde verklaring van Janvier tegenover de Franse parlementaire enquêtecommissie, toen hij het, in het algemeen, had over het optreden van Dutchbat en onder meer zei: “si nous avions eu 400 Francais à Srebrenica, cela aurait été totalement different car nous nous serions battus.” (Rapport Franse parlementaire enquêtecommissie, deel 2, p. 123). 4.77. De slotsom luidt dat geen sprake is van ultra vires handelen van Dutchbat bij het voor de val van Srebenica opgeven van de observatieposten – dat dus niet aan de Staat kan worden toegerekend. 4.78. Of sprake is van het ultra vires handelen van Dutchbat bij het opgeven van de blocking positions, zoals eiseressen stellen, kan hier onbesproken blijven, aangezien het optreden van Dutchbat in deze, zoals eerder is toegelicht, reeds op grond van de instructie van Voorhoeve aan de Staat wordt toegerekend. (
  1. e)slotsom effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat voor de val van Srebrenica 4.79. Uit het voorgaande volgt dat de gedragingen van Dutchbat voor de val van Srebrenica, met uitzondering van het optreden rond de blocking positions, bij gebreke van effective control van de Staat daarover, niet aan de Staat kunnen worden toegerekend. Het gaat om:
  2. i)het verwijt van eiseressen dat Dutchbat te weinig heeft gedaan om te bewerkstelligen dat konvooien met voedsel en humanitaire hulp de safe area bereikten;
  3. ii)het verwijt van eiseressen dat Dutchbat te weinig heeft gedaan om de opmars van de Bosnische Serven tegen te houden en de bevolking van de safe area daartegen te beschermen, in het bijzonder door:
  4. a)de wetenschap die zij had over de voorgenomen aanval van de Bosnische Serven niet te benutten;
  5. b)vast te houden aan de demilitariseringsovereenkomsten en te weigeren om inbeslaggenomen wapens terug te geven toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica naderden;
  6. c)actief verzet van het ABiH te belemmeren;
  7. d)observatieposten op te geven. Deze verweten gedragingen betreffen de operationele uitvoering van het mandaat en vallen daarmee binnen de reikwijdte van de door de Staat aan de VN overgedragen command and control. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit feitelijke zeggenschap van de Staat over deze gedragingen blijkt, al dan niet in doe vorm van ultra vires handelen van Dutchbat. Deze verwijten blijven verder onbesproken. De (on)rechtmatigheid van het optreden van Dutchbat in verband met de blocking positions komt later aan de orde. (
  8. f)effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica 4.80. De hiervoor omschreven normale situatie waarin een staat troepen ter beschikking stelt die tijdens een vredesoperatie onder bevel van de VN functioneren, veranderde wezenlijk toen Srebrenica op 11 juli 1995 aan het eind van de middag viel. Daarna trad een overgangsperiode in, waarin de Staat mede zeggenschap uitoefende over het optreden van Dutchbat bij het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen uit de mini safe area. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. 4.81. In de ochtend van 11 juli 1995, toen de Bosnische Serven de stad Srebrenica naderden, is deze situatie besproken in het DCBC. Daarbij waren onder meer Voorhoeve, Van Baal en Van den Breemen aanwezig. Daarna zijn Van Baal en Van den Breemen naar Sarajevo afgereisd om met Janvier te spreken. Zij hadden van Voorhoeve de instructie gekregen om het gesprek met Janvier te voeren in de context van de die ochtend gevoerde bespreking. Van Baal heeft tegenover de parlementaire enquêtecommissie verklaard: “Wij hebben met elkaar afgesproken dat wij de lijn zouden volgen dat de taakuitvoering gericht zou worden op het beschermen van de bevolking en dat we dat zolang mogelijk zouden doen, ook rekening houdend met het feit dat het leveren van gevechten op dat moment niet of nauwelijks zinvol meer was. Het onnodig laten vallen van slachtoffers zou dan niet meer aan de orde zijn. Het derde punt was dat wij er rekening mee moesten houden dat wij in een situatie terecht zouden komen waarin Dutchbat met de bevolking zou moeten evacueren naar het territoir van de MKF [Moslim-Kroatische Federatie, toevoeging rechtbank]. Dat waren de conclusies uit de vergadering die wij hebben meegenomen naar generaal Janvier in Zagreb. Op basis van die conclusies hebben wij de gesprekken met hem gevoerd.” (PE-verhoren, p. 344). 4.82. Toen Van Baal en Van den Breemen in Sarajevo aankwamen, was Srebrenica inmiddels gevallen en was de missie om de safe area te beschermen mislukt. Het gesprek dat Van Baal en Van den Breemen die avond hebben gevoerd met Janvier ging over de na de val van Srebrenica ontstane situatie. In de woorden van Van Baal, in zijn verklaring over het gesprek met Janvier tegenover de parlementaire enquêtecommissie: “Het accent werd toen eigenlijk verlegd van de militaire operatie van UNPROFOR naar de problematiek van de vluchtelingen.” en: “Wij hebben gezegd: Dutchbat en de bevolking zullen gezamenlijk dan wel na elkaar evacueren. Dat is als zodanig overeengekomen met generaal Janvier. (…)” (PE-verhoren, pp. 344-345). 4.83. Het hof heeft in de zaken Nuhanović en Mustafić geoordeeld dat hetgeen is besproken tussen Janvier, Van den Breemen en Van Baal niet anders kan worden verstaan dan dat de VN, in de persoon van Janvier, en de Nederlandse regering, in de persoon van Van den Breemen en Van Baal, in onderling overleg hebben besloten dat Dutchbat zich in de nieuw ontstane situatie, waarin Srebrenica was gevallen en de VN-missie in feite was mislukt, zou richten op haar humanitaire taak en de voorbereiding van de evacuatie van Dutchbat en de vluchtelingen uit de mini safe area. Daarmee heeft de Nederlandse regering aan deze besluitvorming op het hoogste niveau deelgenomen. Met dit besluit trad een overgangsperiode in, waarin de zaken in Potočari werden afgewikkeld. 4.84. De rechtbank stelt het tijdstip waarop de overgangsperiode op 11 juli 1995 intrad vast op ongeveer 23:00 uur, uitgaande van de verklaring van Van Baal in het voorlopig getuigenverhoor in de zaken Nuhanović en Mustafić: “Later op die dag ben ik naar Zagreb gegaan, kort na de middag. Ik ben daar aangekomen ergens in de namiddag. Het gesprek met general Janvier begon ongeveer een uur nadat we daar aangekomen waren. Het is een gesprek geweest met een aantal onderbrekingen, het heeft tot laat in de avond geduurd, het laatste contact is geweest na tienen.”. 4.85. In de overgangsperiode werd ook de terugtrekking van Dutchbat voorbereid. De Staat was zelfstandig bevoegd om Dutchbat terug te trekken (zie 4.41). Met het tezamen met de VN genomen besluit om Dutchbat niet eerder dan tegelijk of na de evacuatie van de vluchtelingen terug te trekken, heeft de Staat de uitoefening van deze bevoegdheid verbonden aan het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtingen in de mini safe area in de overgangsperiode. Dit is ook aan de orde gekomen in de contacten tussen Voorhoeve en Nicolai op 11 juli 1995. Nicolai heeft tegenover de parlementaire enquêtecommissie verklaard: “Nadat ik de minister had geïnformeerd over het feit dat de luchtaanvallen gestopt waren, vroeg hij of ik op de hoogte was van het extractieplan van Dutchbat. Ik heb daarop geantwoord: “Ja” (…) Ik heb hem geïnformeerd dat wij na ampel beraad – dat heeft echt heel kort geduurd – in Sarajevo geen andere oplossing zagen dan het evacueren van die bevolking, die daar volledig onbeschermd en onder erbarmelijke omstandigheden aanwezig was; wij hadden ook geen middelen om daar ook maar iets aan te doen. Uit het oogpunt van de veiligheid of het waarborgen van de veiligheid van die vluchtelingen zagen wij geen andere mogelijkheid dan Dutchbat en eventueel andere benodigde VN-middelen bij die evacuatie te betrekken, omdat wij dat niet aan de Serven wilden overlaten. Daar stemde hij meteen mee in.” (PE-verhoren, p. 271). Voorhoeve heeft daarover verklaard: “(…) De tweede overweging die direct en prominent aan de orde kwam – de heer Nicolai bracht dit met nadruk naar voren – was dat de blauwhelmen nodig zijn om voor de vluchtelingen te zorgen. Wij waren het daar meteen over eens. (…).” (PE-verhoren, p. 626). 4.86. Na dit gesprek met Voorhoeve heeft Nicolai gebeld naar Karremans, met de instructie om de evacuatie van de vluchtelingen op en rond de compound te regelen. Nicolai heeft daarover verklaard: “Ik heb al eerder gezegd dat ik onmiddellijk na het gesprek met minister Voorhoeve Karremans heb gebeld en hem de instructie heb gegeven om zich bij de Serven op te werpen om de evacuatie van de vluchtelingen te gaan regelen (…)” (PE-verhoren, pp. 272-273). Tijdens het eerste gesprek met Mladić heeft Karremans meegedeeld dat hij mede namens de Nederlandse regering optrad. 4.87. De voorgaande feiten en omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat de Staat in de overgangsperiode effective control had over het verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen in de mini safe area door Dutchbat. Dit optreden van Dutchbat kan daarom aan de Staat worden toegerekend. Deze effective control beperkt zich hiertoe en strekt zich niet uit over de bemoeienissen van Dutchbat met de stroom vluchtelingen die zich, voordat de overgangsperiode aanving, in de loop van de middag vanuit de stad Srebrenica naar de mini safe area verplaatste. Deze effective control heeft ook geen betrekking op vluchtelingen buiten de mini safe area of op optreden van Dutchbat buiten de mini safe area, bijvoorbeeld het opgeven van de observatieposten na de val van Srebrenica. 4.88. Deze effective control van de Staat over het optreden van Dutchbat gedurende de overgangsperiode heeft voortgeduurd totdat Dutchbat zich op 21 juli 1995 terugtrok, nadat de vluchtelingen uit de mini safe area waren geëvacueerd. Resolutie 1004 (zie 2.42) leidde niet tot een andere feitelijke situatie gedurende de overgangsperiode: de Bosnische Serven hebben geen gehoor gegeven aan de daarin gedane oproep om hun offensief te staken en zich onmiddellijk uit de safe area terug te trekken. Evenmin blijkt dat deze resolutie heeft geleid tot een bevel aan Dutchbat om posities in en rond Srebrenica in te nemen of anderszins tot een poging om Srebrenica met militair ingrijpen te heroveren. 4.89. Indien en voor zover Dutchbat na het bevel van Gobilliard (zie 2.37) in strijd met dat bevel heeft gehandeld, dient dit ultra vires handelen (ook) om die reden aan de Staat te worden toegerekend. 4.90. De rechtbank overweegt dat het bevel van Gobilliard voor zover dat betrekking heeft op de vluchtelingen, is beperkt tot de vluchtelingen in de mini safe area, dat Dutchbat had afgebakend en waar de vluchtelingen verbleven toen het bevel werd gegeven. Karremans heeft op 11 juli 1995 aan de Bosnische Serven meegedeeld dat hij de compound en de omliggende omgeving als safe area beschouwde (NIOD, p. 2604). In deze feitelijke situatie en gelet op de tekst van het bevel van Gobilliard, waarin de opdracht tot bescherming van de vluchtelingen “in your care” meteen volgt op dat tot terugtrekking van Dutchbat in Potočari, kan het bevel in redelijkheid niet anders worden opgevat dan (enkel) betrekking hebbend op de vluchtelingen in de mini safe area. (
  9. g)toerekening aan de Staat van concrete gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica 4.91. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen vallen de volgende door eiseressen aan de Staat verweten gedragingen binnen de reikwijdte van de effective control van de Staat over het optreden van Dutchbat tijdens de overgangsperiode: (
  10. i)het niet melden van oorlogsmisdrijven; (
  11. ii)het niet verlenen van adequate medische zorg aan de vluchtelingen; (iii) het afgeven van wapens en andere uitrusting bij de evacuatie van de vluchtelingen; (
  12. iv)het handhaven van de beslissing om geen vluchtelingen toe te laten op de compound, die – zoals hierna zal blijken – is genomen en uitgevoerd voor de overgangsperiode aanving en voor het bevel van Gobilliard; (
  13. v)het scheiden van de mannen van de andere vluchtelingen tijdens de evacuatie; (
  14. vi)het meewerken aan de evacuatie van vluchtelingen die hun toevlucht hadden gezocht op de compound. Het gaat hier over verwijten over de humanitaire hulpverlening aan en de (voorbereiding van
  15. de)evacuatie van de vluchtelingen uit de mini safe area door Dutchbat. Dat geldt ook voor het niet melden van oorlogsmisdrijven, aangezien dit verwijt betrekking heeft op waarnemingen van Dutchbat binnen de mini safe area en in de directe nabijheid daarvan, die zij hebben gedaan bij de uitvoering van de hiervoor genoemde taakstelling. 4.92. Nu de Staat effective control heeft over het door eiseressen gestelde niet melden van oorlogsmisdrijven door Dutchbat, kan het standpunt van eiseressen dat de Geneefse Conventies ook dwingen tot toerekening hiervan aan de Staat onbesproken blijven. 4.93. Buiten de in 4.87 bepaalde reikwijdte van de effective control van de Staat over het door Dutchbat verlenen van humanitaire hulp aan en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen gedurende de overgangsperiode vallen de volgende verweten gedragingen van Dutchbat: (
  16. i)het niet opgeven van de observatieposten na de val van Srebrenica; (
  17. ii)het afgeven van wapens en andere uitrusting aan de Bosnische Serven; (iii) het (gestelde) advies van Dutchbat aan de mannelijke vluchtelingen om de bossen in te vluchten; (
  18. iv)het nalaten groot alarm te slaan over de vlucht van de mannen naar de bossen; (
  19. v)het niet toelaten van alle vluchtelingen op de compound. Het gaat om optreden van Dutchbat (ten aanzien van vluchtelingen) buiten de mini safe area (sub (
  20. i)tot en met (iv)) en/of – zoals hierna wordt vastgesteld – optreden van Dutchbat voor aanvang van de overgangsperiode (sub (iii) tot en met (v)). De rechtbank zal nu onderzoeken of de Staat op andere wijze effective control over een of meer van deze gedragingen van Dutchbat heeft gehad en of deze om die reden alsnog aan de Staat kunnen worden toegerekend. (
  21. i)het niet opgeven van de observatieposten na de val van Srebrenica 4.94. Dutchbat heeft na de val van Srebrenica de laatste observatieposten opgegeven, namelijk op 12 juli 1995 de observatieposten OP-C, OP-N, OP-P, OP-Q, OP-R, en op 15 juli 1995 observatiepost OP-A. Eiseressen stellen dat Dutchbat hiermee ultra vires heeft gehandeld, want in strijd met het bevel van Gobilliard “Concentrate your forces into the Potocari Camp, including withdrawal of your Ops. Take all reasonable measures to protect refugees and civilians in your care.” Dit bevel kan in redelijkheid niet anders worden verstaan dan dat Dutchbat de observatieposten onverwijld moest verlaten en naar de compound moest gaan. 4.95. Niet blijkt dat het, door Karremans per fax ontvangen, bevel van Gobilliard binnen Dutchbat is doorgegeven aan de bemanning van de observatieposten, die dit bevel (dus) niet heeft opgevolgd. Dutchbat heeft de observatieposten niet onverwijld en onder druk van de Bosnische Serven opgegeven. Zij heeft daarmee ultra vires gehandeld ten opzichte van dit bevel. Het na de val van Srebrenica niet onverwijld verlaten van de observatieposten is dus aan de Staat toe te rekenen. (
  22. ii)het afgeven van wapens en andere uitrusting 4.96. Eiseressen stellen dat het neerleggen en afgeven van de wapens door Dutchbat op 11 juli 1995 (bij de blocking postions) “alleen nog maar onbegrijpelijker” is wanneer acht wordt geslagen op het bevel van Gobilliard: “Giving up any weapons and military equipment is not authorised and is not a point of discussion.” Eiseressen wijzen vervolgens op het totale aantal vermiste wapens, dat op pagina 2250 van het NIOD-rapport wordt genoemd, te weten 199 geweren, 25 UZI’s, 38 pistolen, 18 stuks .30 mitrailleurs en 11 stuks .50 mitrailleurs. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiseressen aldus dat zij Dutchbat (en daarmee de Staat) verwijten wapens en andere uitrusting aan de Bosnische Serven te hebben afgegeven vanaf het moment dat Gobilliard had bevolen dat niet te doen. 4.97. Vaststaat dat Dutchbat in de overgangsperiode bij de evacuatie van de vluchtelingen in de mini safe area, in opdracht van de Bosnische Serven, wapens en andere uitrusting heeft afgegeven alsmede voertuigen die zij gebruikte bij het begeleiden van de bussen met vluchtelingen. Dutchbat heeft ook wapens en andere uitrusting afgegeven bij het opgeven van de laatste blocking position. Vaststaat tot slot dat de bemanning van de observatieposten dit na de val van Srebrenica ook heeft gedaan. 4.98. Het bevel van Gobilliard stond het “opgeven” van wapens en andere uitrusting onder geen enkele omstandigheid toe. Daarmee zijn de onder 4.97 vermelde gedragingen aan te merken als ultra vires handelen van Dutchbat ten opzichte van het bevel van Gobilliard en op die grond aan de Staat toe te rekenen. (iii) het (gestelde) advies aan de mannelijke vluchtelingen om de bossen in te vluchten 4.99. Met betrekking tot de vlucht van de mannen naar de bossen verwijzen eiseressen naar pagina 2480 van het NIOD-rapport en punt 61 van de uitspraak van het ICTY in de zaak Krstić. De verwijzing naar het NIOD-rapport betreft het hoofdstuk “De tocht van Srebrenica naar Tuzla”, dat gaat over de tocht van een groep mannen en leden van de 28e Divisie van ABiH vanuit Srebrenica naar Tuzla. Deze mannen hebben zich op 11 juli 1995 in de loop van de dag verzameld in Susnjari en zijn in de nacht van 11 of op 12 juli 1995 in de richting van Tuzla vertrokken. In de zaak Krstić staat over deze mannen (in r.o. 60): “As the situation in Potočari escalated towards crisis on the evening of 11 July 1995 word spread through the Bosnian Muslim community that the able-bodied men should take to the woods and form a column together with the members of the 28th Division of the ABiH and attempt a breakthrough towards Bosnian Muslim-held territory in the north.” Eiseressen stellen dat deze vlucht heeft plaatsgehad op advies van Dutchbat en dat Dutchbat, die wist dat de mannen gevaar liepen op 11 juli 1995, over deze vlucht groot alarm had moeten slaan en actie had moeten ondernemen. 4.100. De Staat voert aan dat de mannen zelf hebben besloten om naar de bossen te vluchten en wijst op het VN-rapport, waarin staat: “ The majority of Srebrenica’s men of military age did not seek refuge in Potočari. The vast majority of them, including the civilian and military authorities, as well as some of their families, decided instead that they would risk making their way on foot to Tuzla, some 50 km away, through Serb lines and through, forested, partly mined territory. They decided that they would fight their way through if they had to. By mid-afternoon, the men who were preparing to make the journey began to gather in the hamlet of Susnjari, located in the north-western portion of the enclave.” (nr. 310). 4.101. Vaststaat dat rond de val van Srebrenica ongeveer 10.000 tot 15.000 mannen uit de safe area zijn gevlucht naar de bossen in de omgeving van de stad Srebrenica. Een groot deel van hen – ongeveer 6.000 volgens het ICTY (Krstić r.o. 83) – is in Bosnisch Servische handen gevallen en daarna niet meer levend teruggezien. 4.102. De rechtbank zal in het hiernavolgende veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat Dutchbat het gestelde advies heeft gegeven en zal daarom hierna steeds spreken van ‘het advies’. 4.103. Het advies komt onder meer aan de orde in de verklaring van [eiseres sub 5]: “Bij de ingang van Srebrenica is een wegkruising, vlak bij een bezinestation; één straat gaat naar Potočari, de andere straat richting het bos. De Dutchbatters hebben toen met hun handen aangegeven dat de mannen naar het bos moesten.” Gezien de locatie van de kruising, net buiten de stad Srebrenica, heeft deze verklaring kennelijk betrekking op het begin van de tocht van de vluchtelingen naar Potočari. Het moment dat [eiseres sub 5] zich bij die kruising bevond, moet, ook als [eiseres sub 5] zich in de achterhoede van de stroom vluchtelingen bevond, zijn gelegen voor het begin van de overgangsperiode. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de stad leeg was ten tijde van de val van Srebrenica, rond 16:30 uur. 4.104. [eiseres sub 2], die op 11 juli 1995 om 23:00 uur in de mini safe area aankwam, heeft het volgende verklaard over het advies: “Ik zag toen een transportwagen met oude mensen en Nederlandse soldaten. Deze transportwagen stond op een wegsplitsing tussen Potočari en Srebrenica. Ik zag hoe Dutchbatters met de handen aangaven dat de mannen het bos in moesten.” Als deze verklaring betrekking heeft op dezelfde locatie als waarover [eiseres sub 5] heeft verklaard, geldt hetgeen is overwogen in 4.103 ook voor het door haar bedoelde advies. Als dat niet zo is, is dit advies, gezien het tijdstip waarop [eiseres sub 2] in de mini safe area is aangekomen, even goed voor aanvang van de overgangsperiode gegeven. Niet uitgesloten is echter dat het advies dateert van na het bevel van Gobilliard. Nu dat bevel geen betrekking heeft op vluchtelingen buiten de mini safe area, is geen plaats voor toerekening vanwege ultra vires handelen ten opzichte van dit bevel. 4.105. Uit de schriftelijke getuigenverklaringen van [eiseres sub 1], [eiseres sub 4], en [eiseres sub 10], waarin het advies ook wordt vermeld, blijkt niet waar het advies is gegeven, maar wel dat de mannelijke vluchtgelingen met handgebaren werden gemaand om naar het bos te gaan, en dat dit advies ook via megafoons en tolken werd verspreid. In de verklaring van [eiseres sub 1] staat dat er een gat in het hek van de compound zat, maar dat zij en haar zoon niet werden toegelaten toen zij bij dat gat aankwamen. Het gat in het hek is voor 16:30 uur gesloten (NIOD, p. 2618). [eiseres sub 4] is volgens haar verklaring ’s avonds rond een uur of acht aangekomen bij de mini safe area. Niet blijkt dat [eiseres sub 10], die geen tijdstip van aankomst heeft genoemd, later is aangekomen dan de andere eiseressen, die voor het begin van de overgangsperiode in de mini safe area aankwamen. Dat betekent dat ook het advies waarover [eiseres sub 1], [eiseres sub 4], en [eiseres sub 10] verklaren, voor het begin van de overgangsperiode moet zijn gegeven. 4.106. De rechtbank is van oordeel dat noch uit de in dit kader aangehaalde passages, noch uit de overige stellingen van partijen en de gedingstukken feiten en omstandigheden blijken die kunnen leiden tot het oordeel dat de Staat effective control heeft uitgeoefend over het (betwiste) advies aan de mannelijke vluchtelingen om de bossen in te vluchten. 4.107. Voor zover het (betwiste) advies is gegeven na het bevel van Gobilliard, geldt dat – zoals hiervoor is overwogen – dit bevel geen betrekking heeft op deze vluchtelingen. Ook als het advies in strijd met dit bevel zou zijn, leidt dit niet tot toerekening aan de Staat. De vraag of het advies ultra vires is ten opzichte van dit bevel, behoeft dus niet te worden beantwoord. 4.108. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het advies niet aan de Staat kan worden toegerekend. Dat betekent dat de rechtbank niet hoeft toe te komen aan onderzoek of het betwiste advies is gegeven en aan beoordeling van de rechtmatigheid ervan. Nu dit past bij de overwegingen ten aanzien van de (on)rechtmatigheid van de wel aan de Staat toerekenbare handelingen, zal de rechtbank verderop in een overweging ten overvloede wijden aan de (on)rechtmatigheid van het (gestelde) advies. (
  23. iv)het nalaten groot alarm te slaan over de vlucht van de mannelijke vluchtelingen naar de bossen 4.109. Eiseressen stellen dat het op de weg van Dutchbat had gelegen om op 11 juli 1995 groot alarm te slaan over de vlucht van de mannelijke vluchtelingen, nu zij op de hoogte waren van het reële gevaar dat deze mannen liepen. 4.110. Deze verweten gedraging van Dutchbat kan niet aan de Staat worden toegerekend: het valt buiten de reikwijdte van de effective control van de Staat in de overgangsperiode, dat betrekking heeft op het door Dutchbat verlenen van humanitaire hulp en (het voorbereiden van) de evacuatie van de vluchtelingen uit de mini safe area. Het bevel van Gobilliard ziet niet op deze vluchtelingen, die zich buiten de mini safe area bevonden. Ook overigens zijn er geen aanknopingspunten om effective control van de Staat over dit nalaten aan te nemen. 4.111. Ook hier geldt dat de rechtbank niet hoeft toe te komen aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de verweten gedraging, nu deze niet toerekenbaar is, doch zij zich hierover in hoofdstuk 2 onder B in een overweging ten overvloede zal uitspreken. (
  24. v)het niet toelaten van alle vluchtelingen op de compound 4.112. Karremans en Franken hebben aan het begin van de avond van 10 juli 1995 in samenspraak besloten vluchtelingen toe te laten op de compound, op een moment waarop de verwachting bestond dat diezelfde avond vluchtelingen naar de compound zouden komen. Daarbij hebben zij besloten het aantal toe te laten vluchtelingen af te stemmen op de het aantal mensen dat in de grote voertuighallen op de compound paste en om de vluchtelingen via een daartoe gemaakt gat in het hek in de zuidwestelijke hoek van de compound toe te laten. Op de avond van 10 juli 1995 is het gat in het hek geknipt. Die avond kwamen er geen vluchtelingen op de compound. Toen in de loop van de middag van 11 juli 1995 de vluchtelingenstroom op gang kwam, zijn de vluchtelingen door het eerder gemaakte gat in het hek toegelaten op de compound totdat de voertuighallen vol waren. Om 16:30 uur, ongeveer tegelijk met de val van Srebrenica, zijn de hekken van een van de fabrieksterreinen nabij de compound geopend. Op dat moment was de geïmproviseerde toegang tot de compound al gesloten (NIOD, p. 2618). 4.113. Uit het voorgaande blijkt dat zowel het besluit om niet alle vluchtelingen toe te laten op de compound als de feitelijke uitvoering daarvan door het gat in het hek te sluiten toen de voertuighallen op de compound vol waren, dateert van voor het begin van de overgangsperiode. Daarmee valt dit handelen van Dutchbat buiten de reikwijdte van de effective control van de Staat over het optreden van Dutchbat in de overgangsperiode. 4.114. Het bevel van Gobilliard is gegeven na het besluit van Karremans en Franken om niet alle vluchtelingen op de compound toe te laten en (kort) na de feitelijke uitvoering daarvan. De vraag of Dutchbat hiermee ultra vires heeft gehandeld ten opzichte van het bevel, wordt dan ook ontkennend beantwoord. Ook anderszins blijkt niet van effective control van de Staat over dit handelen voor de overgangsperiode. 4.115. Het verwijt van eiseressen op dit punt wordt echter geacht mede te zien op het handhaven van deze situatie tijdens de overgangsperiode en na het bevel van Gobilliard. In zoverre valt dit verwijt wel binnen de reikwijdte van de effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat in de overgangsperiode. Voor zover hiermee sprake is van ultra vires handelen ten opzichte van het bevel van Gobilliard, dat wel ziet op deze vluchtelingen, kan dit bovendien uit dien hoofde aan de Staat worden toegerekend. (
  25. h)slotsom effective control van de Staat over gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica 4.116. Uit het voorgaande volgt dat de volgende verweten gedragingen van Dutchbat na de val van Srebrenica aan de Staat kunnen worden toegerekend: (
  26. i)het niet verlaten van de observatieposten; (
  27. ii)het niet melden van oorlogsmisdrijven; (iii) het niet verlenen van adequate medische zorg aan de vluchtelingen; (
  28. iv)het afgeven van wapens en andere uitrusting aan de Bosnische Serven; (
  29. v)het handhaven van de beslissing om geen vluchtelingen toe te laten op de compound; (
  30. vi)het scheiden van de mannen van de andere vluchtelingen tijdens de evacuatie; (vii) het meewerken aan de evacuatie van vluchtelingen die hun toevlucht hadden gezocht op de compound. (B) toerekening van de overige verweten gedragingen aan de Staat 4.117. Ook voor toerekening van de overige verweten gedragingen, die betrekking hebben op de besluitvorming binnen de VN en de NAVO, geldt het criterium van effective control. Het gaat hier om het uitoefenen van doorslaggevende invloed door de Staat op de vermeend onrechtmatige gedragingen van deze internationale organisaties. Of die invloed er is geweest, moet worden beoordeeld aan de hand van alle feitelijke omstandigheden en de bijzondere context van het geval. 4.118. De rechtbank zal bespreken of de Staat effective control heeft gehad over (
  31. a)het uitblijven van luchtsteun, (
  32. b)het stopzetten van luchtsteun en (
  33. c)het uitblijven van de inzet van Franse helikopters en het dwarsbomen van heroveringsplannen voor Srebrenica. (
  34. a)het uitblijven van luchtsteun 4.119. Eiseressen verwijten de Staat primair het tegenwerken en afblazen van de inzet van het luchtwapen in de periode van 6 tot en met 11 juli 1995, subsidiair het in deze periode niet aansturen op de inzet daarvan. Volgens eiseressen heeft de Staat hierover effective control uitgeoefend. In de kern genomen komen hun stellingen erop neer dat de beslissingen binnen de VN-bevelslijn over de luchtsteun werden ingegeven vanuit de allesoverheersende wens van de Staat om de veiligheid van Dutchbat, waaronder zo’n 30 door de Bosnische Serven in gijzeling gehouden (maar volgens eiseressen vrijwillig met de Bosnische Serven meegegane) Dutchbatters te waarborgen en om die reden ieder risico te vermijden. Volgens eiseressen heeft de Staat diverse aanvragen voor luchtsteun, waarvoor operationele noodzaak bestond, stop gezet of laten zetten. De Staat bestrijdt dat hij effective control had over de inzet van het luchtwapen. 4.120. De rechtbank merkt op dat de stellingen van eiseressen betrekking hebben op het verhinderen van de inzet van close air support, het luchtwapen ter directe ondersteuning van VN-troepen op de grond, en niet van air strikes, een luchtaanval met een destructief karakter. In het vervolg zal enkel het luchtwapen in de vorm van close air support aan de orde zijn. 4.121. Bij de beantwoording van de vraag of de Staat effective control had over de inzet van het luchtwapen, stelt de rechtbank voorop dat de Staat geen formele bevoegdheid had die op enige wijze verband hield met de inzet van het luchtwapen. De aanvraagprocedure voor close air support, genaamd Blue Sword, bestaat uit twee delen: goedkeuring door de VN en goedkeuring door de NAVO. 4.122. Volgens de VN-procedure moest de bataljonscommandant luchtsteun aanvragen via het sectorhoofdkwartier (voor Dutchbat: Sector North East in Tuzla) aan UNPROFOR in Sarajevo. Daar werd het verzoek beoordeeld door het Close Air Support Committee bestaande uit de belangrijkste officieren en civiele functionarissen, waarna de UNPROFOR-commandant het doorstuurde naar het UNPF-hoofdkwartier in Zagreb. In Zagreb boog het Crisis Action Team onder leiding van de chef-staf (Kolsteren) zich over de aanvraag, die deze vervolgens ter ondertekening voorlegde aan de Force Commander (Janvier) die op zijn beurt toestemming vroeg aan de speciale gezant voor Bosnië-Herzegovina (Akashi). De aanvraag werd door alle functionarissen gewogen op basis van een vaste checklist van criteria. 4.123. Goedkeuring van een aanvraag door de NAVO verliep als volgt. Voor de communicatie met de VN-vredesmacht in het voormalige Joegoslavië waren NAVO liaison-officieren aanwezig op de hoofdkwartieren in Sarajevo en Zagreb. In Sarajevo was een Air Operations Coordination Center (AOCC) voor de contacten met het Combined Air Operations Center (CAOC) van de NAVO-luchtmacht in Vicenza. In Zagreb was een liaison cell voor de contacten met Vicenza en daarnaast was een NAVO-officier aanwezig voor de contacten met het hoofdkwartier van de Commander-in-Chief Allied Forces Southern Europe (CINCSOUTH) in Napels, de Amerikaanse admiraal Leighton Smith. Het AOCC in Sarajevo had geen formele bevoegdheden, maar was wel belangrijk voor de informatievoorziening over de specifieke omstandigheden waaronder de luchtaanval moest worden uitgevoerd. Door de voorwaarschuwing die het afgaf aan de NAVO-organisatie konden beslissingen aldaar worden voorbereid en vliegtuigen in gereedheid worden gebracht. Het was niettemin CINCSOUTH die toestemming voor luchtsteun moest geven. 4.124. Vaststaat dat in de periode van 6 tot en met 11 juli 1995 binnen de VN-bevelslijn negen aanvragen voor close air support zijn geformuleerd. Van die negen zijn twee aanvragen toegewezen. 4.125. Eiseressen stellen dat het steeds de Nederlandse generaal Nicolai was die de aanvragen afwees of traineerde. Al aangenomen dat Nicolai de aanvragen traineerde, levert dit op zichzelf bezien geen effective control van de Staat over de inzet van het luchtwapen op. Daarvoor moet vast komen te staan dat de Staat doorslaggevende invloed heeft uitgeoefend op de besl

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.