RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 12/39626 (bodem) AWB 12/39627 (voorlopige voorziening) V-nr: [V-nummer] uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen [eiser], geboren op [geboortedag] 1978, van Turkse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser), gemachtigde: mr. F.M. Holwerda, advocaat te Amsterdam en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. W. Fairweather, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Procesverloop Bij besluit van 12 december 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Tevens is aan eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 19 december 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van dezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober
(2001)heeft de kring van betrokkenen uitgebreid tot diegenen die terroristische daden steunen hetgeen verder lijkt te gaan dan wat voorheen verdragsrechtelijk was vastgelegd. Om die reden zou de ‘personal and knowing participation test’ moeten worden aangevuld.” Op 3 november 2003 is door de toenmalige Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op dit advies gereageerd (Kamerstuk 27 925, nr. 103) en onder meer verwezen naar de Vc 2000 waarin is bepaald dat het plegen en/of ondersteunen van terroristische activiteiten in beginsel moeten worden opgevat als een ernstig niet-politiek misdrijf in de zin van artikel 1F onder b. Voor de vraag of iemand individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van dit misdrijf dient onder meer te worden onderzocht of sprake is van personal participation, waaronder niet slechts verstaan wordt het door betrokkene zelf of in diens opdracht plegen van het misdrijf, maar ook het door betrokkene direct faciliteren of ondersteunen hiervan, zoals genoemd in paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 onder c. 6.5 De rechtbank overweegt dat uit voornoemde reactie op het advies van de ACVZ, en uit de bewoording van de motivering die verweerder in het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd aan het standpunt dat eiser persoonlijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor het plegen van een ernstig niet-politiek misdrijf, kan worden afgeleid dat deze motivering onmiskenbaar ziet op het faciliteren of ondersteunen van terroristische activiteiten zoals onder 6.3 genoemd onder c. Verweerder wijst er immers op dat eiser door het innen van aanzienlijke geldbedragen en het overdragen daarvan aan de HPG, de HPG en PKK heeft ondersteund bij het plegen van terroristische misdrijven en deze heeft gefinancierd. Eiser heeft verklaard dat de gelden onder meer voor ‘frontmaterialen’ voor de strijd werden gebruikt, aldus verweerder. De PKK en HPG voerden onder meer aanslagen uit, waarbij zware wapens werden gebruikt en zelfmoord- en bomaanslagen werden gepleegd. Verweerder wijst er op dat deze moorden en aanslagen vallen onder artikel 1F, onder b, van het Vluchtelingenverdrag als absoluut niet-politieke misdrijven. Ook verweerders motivering ter zitting wijst op het faciliteren van een in artikel 1F bedoeld misdrijf. Zo heeft verweerder – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende naar voren gebracht: “Het financieel ondersteunen maakt dat de PKK kon draaien. Het geld was belangrijk voor de organisatie. (...) Dat is financieel faciliteren. (...) Zonder dat geld had de PKK de wapens niet kunnen kopen”. 6.6 Verweerder heeft ter zitting echter volhard in het standpunt dat eiser door middel van het doorsluizen van geld naar een terroristische organisatie persoonlijk een misdrijf als bedoeld in artikel 1F, onder b, van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd, als bedoeld in paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 onder a. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder naar resoluties 1269 en 1373 van de Veiligheidsraad van de VN verwijst voor de invulling van het begrip ‘financieren’, maar desgevraagd ter zitting heeft erkend dat in die resoluties geen definitie wordt gegeven van dat begrip. Gelet hierop dient het beroep gegrond te worden verklaard en het besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken, waarbij onder meer aan de orde is of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. 7.1 De rechtbank stelt zich gelet op het voorgaande voor de vraag of sprake is van ‘personal participation’ in die zin dat eiser een misdrijf als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd zoals genoemd in paragraaf C4/3.11.3.3, onder ‘personal participation’, onder c, van de Vc
- Er dient derhalve te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de terroristische activiteiten, hetgeen door eiser gemotiveerd is betwist. Uit vaste jurisprudentie volgt dat eisers handelen in dat geval daadwerkelijk effect moet hebben gesorteerd en het plegen van de misdrijven op enigerlei wijze moet hebben ondersteund. In dat verband dient verweerder te motiveren waarom eisers handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het (kunnen) plegen van de misdrijven, en waarom deze misdrijven niet, althans moeizamer, hadden kunnen worden gepleegd als eiser zijn rol daarbij niet had vervuld. 7.2 Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat aan eiser kort gezegd wordt tegengeworpen dat met het geld dat hij heeft geïnd, wapens zijn gekocht en dat eiser daarmee terroristische activiteiten van de PKK en de HPG financieel heeft gefaciliteerd. 7.3 De rechtbank overweegt dat uit het 1F-gehoor blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij denkt dat de inkomsten - de rechtbank begrijpt: uit het buitenland - jaarlijks dertig of veertig miljoen bedragen. Op een vervolgvraag heeft hij geantwoord dat hij niet weet of het een miljoen of een miljard dollar is. Eiser heeft verder verklaard dat de inkomsten van de PKK onder meer worden ingezet voor televisiezenders, de krant, voedsel, maar ook voor frontmaterialen. Ter zitting is eiser gevraagd naar de verhouding tussen de inkomsten uit de douanewerkzaamheden en de andere inkomsten van de PKK. Eiser heeft verklaard die verhouding niet te weten, maar dat “iedereen weet dat de inkomsten worden gegenereerd uit Europa”. Ten aanzien van de hoogte van de inkomsten die in zijn gebied door middel van het innen van douanegelden werden opgehaald, heeft eiser in het 1F-gehoor verklaard dat deze erg fluctueerde, maar gemiddeld rond de twintig- tot vijfentwintigduizend dollar per dag lag. De belastinggelden werden opgehaald om de regio’s zelfvoorzienend te maken. Waar het geld precies aan besteed werd, wist eiser niet. 7.4 De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser met zijn handelen, ondanks dat de rechtbank gelet op eisers verklaringen met verweerder aannemelijk acht dat hij een leidinggevende functie had, een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het (kunnen) plegen van de misdrijven, en waarom deze misdrijven niet, althans moeizamer, zouden zijn gepleegd als niemand de rol van eiser had vervuld. In dit licht acht de rechtbank van belang dat verweerder onvoldoende inzicht heeft gegeven in de omvang en structuur van de organisatie van de PKK, van de daar in omloop zijnde bedragen, de geldstromen en de aanwending van de gelden. De stelling dat de PKK zonder het geld dat eiser inde, geen wapens had kunnen kopen en aanslagen had kunnen plegen, is daarom naar het oordeel van de rechtbank te speculatief. Eiser heeft weliswaar verklaard dat de inkomsten van de PKK onder meer aan frontmaterialen werden besteed, maar deze verklaring zag naar het oordeel van de rechtbank op de totale inkomsten van de PKK en niet specifiek de door eiser binnengebrachte douanegelden. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet daarop onvoldoende gemotiveerd dat het geld dat eiser heeft geïnd een feitelijke en substantiële bijdrage heeft geleverd aan terroristische activiteiten. Daarmee is tevens onvoldoende gemotiveerd dat eiser met zijn werkzaamheden een feitelijk effect heeft gehad op het plegen van een ernstig niet-politiek misdrijf. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag restrictief dient te worden uitgelegd en dat het op de weg van verweerder ligt om eisers verwijtbaar handelen afdoende aannemelijk te maken. Daartoe verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2003 (ECLI:NL:RVS:2003:AO2566) en 16 januari 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO2496).
- De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
- Voorts komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe aan de vraag of het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3 en 8 van het EVRM.
- Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
- De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist. Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, In de zaak geregistreerd onder nummer AWB 12/39626, - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter, In de zaak geregistreerd onder nummer AWB 12/39627, - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter, In alle zaken, - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,-- (zegge: duizendvierhonderdenzestien euro), te betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, en mrs. A.H. van Zutphen en Y.E. Schuurmans, rechters, in aanwezigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april
- De griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Conc.: LvD Coll.: D: B VK Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.