vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/449280 / HA ZA 13-944 Vonnis van 11 juni 2014 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. J. Klaas te Haarlem, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP), gevestigd te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. J. Bootsma te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 15 augustus 2013 met twee producties; de conclusie van antwoord van 9 oktober 2013 met één productie; het tussenvonnis van 23 oktober 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald; het proces-verbaal van de op 28 april 2014 gehouden comparitie van partijen. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten en het wettelijk kader 2.1. [eiser], geboren op [geboortedag] 1993, is een vluchteling uit Afghanistan. Hij is met zijn gezin op 2 september 2010 naar Nederland gekomen. Het gezin heeft sinds zijn aankomst in verschillende asielzoekerscentra verbleven en verblijft ten tijde van dit vonnis in de gezinslocatie in [plaatsnaam]. 2.2. De asielaanvraag van [eiser] is bij besluiten van de IND van 27 september 2010 en – na gegrondverklaring van het beroep – van 25 oktober 2011 afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is op 26 juni 2012 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 september 2012 is het hoger beroep eveneens ongegrond verklaard. [eiser] beschikt sinds 2 december 2013 over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze vergunning is afgegeven tot juni 2014. 2.3. [eiser] heeft in Nederland bij het ROC Kop van Noord-Holland (hierna: het ROC) de opleiding tot verkoper detailhandel/arbeidsgekwalificeerd assistent gevolgd, een opleiding op niveau 1 van het middelbaar beroepsonderwijs (hierna ook: mbo). Hij heeft de opleiding in de zomer van 2013 afgerond en heeft in 2014 een diploma ontvangen. 2.4. [eiser] heeft zich in de zomer van 2013 op de leeftijd van 19 jaar bij het ROC ingeschreven voor een vervolgopleiding op niveau 2 van het mbo. Het ROC heeft op 7 juni 2013 aan [eiser] bericht dat hij zich niet kan inschrijven. Vervolgens is bij brief van het ROC van 17 juni 2013 de met [eiser] gesloten onderwijsovereenkomst ontbonden omdat er volgens het ROC geen wettelijke mogelijkheid is om hem toe te laten tot bekostigd onderwijs. 2.5. Bij brief van 1 juli 2013 heeft de directeur Beroepsonderwijs en Volwasseneducatie aan de raadsman van [eiser], in antwoord op diens brief aan het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bericht dat indien [eiser] een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling is die zich als meerderjarige voor het eerst voor een nieuwe opleiding wil inschrijven, de onderwijsinstelling hem niet mag inschrijven. 2.6. Artikel 8.1.1 lid 1 van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (hierna: WEB), welk artikellid in 1998 in de wet is opgenomen als onderdeel van de Koppelingswet, bepaalt – voor zover in deze procedure van belang – het volgende: “1. Een ieder die gebruik wenst te kunnen maken van onderwijsvoorzieningen en examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als deelnemer te laten inschrijven. Een ieder die uitsluitend wenst te worden toegelaten tot examenvoorzieningen, dient zich door het bevoegd gezag als examendeelnemer te laten inschrijven. (…) De inschrijving voor een opleiding of een onderdeel van een opleiding staat uitsluitend open voor degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij: a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld, b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst, c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste dag waarop de opleiding of het onderdeel van de opleiding begint waarvoor voor de eerste maal inschrijving wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijft houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen is ingeschreven voor een opleiding of het onderdeel van de opleiding van een instelling, welke opleiding of welk onderdeel van de opleiding nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.” 2.7. Artikel 2, Eerste Protocol van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: artikel 2 EP) bepaalt in de eerste volzin: “No person shall be denied the right to education.” 2.8. Artikel 14 van het EVRM bepaalt: “The enjoyment of the rights and freedoms set forth in this Convention shall be secured without discrimination on any ground such as sex, race, colour, language, religion, political or other opinion, national or social origin, association with a national minority, property, birth or other status.” 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat het verbod toegelaten te worden tot onderwijs dat in artikel 8.1.1. lid 1 sub c WEB is neergelegd, jegens hem onrechtmatig is en buiten toepassing moet worden gelaten, met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan deze vordering in de kern het volgende ten grondslag. Door [eiser] niet toe te laten tot niveau 2 van de mbo-opleiding, wordt zijn recht op onderwijs, waarin hij door artikel 2 EP en andere internationale verdragsbepalingen wordt beschermd, geschonden. Bovendien is sprake van discriminatie in de zin van artikel 14 EVRM omdat het door de Staat in artikel 8.1.1 lid 1 WEB gemaakte onderscheid tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die geen toegang hebben tot onderwijs geen objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft. Deze schendingen leiden er volgens [eiser] toe dat de Staat jegens hem onrechtmatig handelt. Daarnaast voert [eiser] aan dat hij disproportioneel is getroffen door de combinatie van de vele, noodgedwongen verhuizingen binnen Nederland en de uitsluitingsregel van artikel 8.1.1. lid 1 WEB. 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling 4.1. De Staat heeft naar aanleiding van de verblijfsvergunning die [eiser] sinds 2 december 2013 heeft, ter comparitie betoogd dat [eiser] geen belang meer heeft bij zijn vordering. Nu hij in elk geval tot juni 2014 rechtmatig in Nederland verblijft, kan hij zich op grond van artikel 8.1.1 lid 1 onder c WEB immers inschrijven voor een opleiding. Bovendien zou [eiser] ook bij een wijziging van zijn verblijfsstatus na mei 2014 op grond van artikel 8.1.1 lid 1 onder d WEB een eventuele aangevangen opleiding mogen afronden. 4.2. Voor de beoordeling van het belang is in beginsel de datum van het vonnis beslissend. Nog daargelaten dat de verblijfstatus van [eiser] op dit moment onduidelijk is – de verblijfstitel is immers slechts tot juni 2014 geldig –, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] voldoende belang bij de beoordeling van zijn vordering heeft behouden. Zoals ter zitting ook door partijen tot uitgangspunt is genomen, brengt artikel 8.1.1 lid 1 onder c WEB mee dat voor de toegang tot onderwijs niet de datum van inschrijving voor een opleiding, maar de feitelijke aanvang daarvan beslissend is. [eiser] heeft gemotiveerd gesteld dat in zijn woonplaats [woonplaats] bij geen enkele mbo-opleiding tussentijdse instroom mogelijk is. Volgens [eiser] kan hij dus pas in september 2014 aan een opleiding beginnen. Nu de Staat slechts in algemene bewoordingen heeft aangevoerd dat inschrijving voor een mbo-opleiding in beginsel op elk moment mogelijk zou moeten zijn zonder daarbij de juistheid van de stelling van [eiser] ten aanzien van de organisatie van het mbo-onderwijs in [woonplaats] te weerspreken, moet worden aangenomen dat [eiser] in de periode van 2 december 2013 tot juni 2014 in redelijkheid niet aan een opleiding heeft kunnen beginnen. Van hem kon bij gebreke van enige (reiskosten)vergoeding niet worden verwacht naar Amsterdam af te reizen om daar tussentijds in te stromen in een mbo-opleiding. Dat brengt mee dat [eiser] hoe dan ook belang heeft bij zijn vordering en daarin ontvankelijk is. 4.3. De rechtbank zal eerst beoordelen of toepassing van artikel 8.1.1 lid 1 WEB in het geval van [eiser] een schending van artikel 2 EP oplevert. 4.4. Artikel 8.1.1 lid 1 WEB bepaalt voor verschillende categorieën van personen of deze gebruik kunnen maken van een onderwijsvoorziening, waaronder het ROC. Onderwijs staat open voor een vreemdeling, ongeacht zijn verblijfsstatus, die bij aanvang van de opleiding jonger is dan 18 jaar en voor een vreemdeling die op dat moment ouder is dan 18 jaar maar rechtmatig verblijf houdt (artikel 8.1.1 lid 1 onder b en c). Deze vreemdelingen mogen, ook als zij niet langer aan de artikel 8.1.1 beschreven voorwaarden voldoen, hun opleiding afronden mits de opleiding is begonnen op het moment dat nog wel aan deze voorwaarden werd voldaan. Artikel 8.1.1. lid 1 brengt dus mee dat een vreemdeling, zoals [eiser], die niet beschikt over een geldige verblijfstitel en ten tijde van de aanvang van de opleiding ouder is dan 18 jaar, zich niet voor een opleiding mag inschrijven. 4.5. Artikel 8.1.1 lid 1 WEB is opgenomen ter uitvoering van de Koppelingswet. Het in deze wet verankerde koppelingsbeginsel is blijkens de wetsgeschiedenis (TK 1994-1995 24 233, nr. 3, blz. 2) gericht op twee doeleinden. Enerzijds was het doel te voorkomen dat illegale vreemdelingen door het verkrijgen van verstrekkingen en uitkeringen feitelijk in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf. Anderzijds wilde de wetgever voorkomen dat de illegalen een schijn van volkomen legaliteit kunnen verwerven. Daarmee wordt gedoeld op het verschijnsel dat een vreemdeling “in procedure” gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt. Bij de bepaling van de grens waarboven een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft, zich niet meer mag inschrijven voor een nieuwe opleiding, is aansluiting gezocht bij de in Nederland geldende leerplicht tot de leeftijd van 18 jaar. Met de bepaling dat de toegang tot het onderwijs niet aan vreemdelingen in de leerplichtige leeftijd wordt onthouden, heeft de wetgever uitvoering willen geven aan artikel 2 EP (TK 1994-1995, 24 233, nr. 3, blz. 17). 4.6. Bij de toetsing van artikel 8.1.1 lid 1 WEB aan artikel 2 EP stelt de rechtbank voorop dat de eerste volzin van artikel 2 EP naar zijn inhoud een onvoorwaardelijk en nauwkeurig bepaalbaar subjectief recht op onderwijs garandeert, zodat deze bepaling binnen de Nederlandse rechtsorde is aan te merken als een eenieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (zie Centrale Raad van Beroep 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6891). 4.7. Ook al bevat artikel 2 EP geen uitdrukkelijke beperkingenclausule en volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) dat deze bepaling zich uitstrekt tot elke vorm van onderwijs, dus niet alleen het primaire en voortgezet onderwijs, maar ook het vervolgonderwijs (zie onder meer het arrest van 10 november 2011, nr. 44774/98, Leyla Sahin/Turkije), dat betekent niet dat het recht op onderwijs absoluut is en niet zou mogen worden beperkt. De beoordelingsruimte van de Staat neemt toe naarmate het niveau van het onderwijs hoger is en – parallel daarmee – de leeftijd van de degene die onderwijs volgt, hoger is. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van het EHRM van 21 juni 2011, nr. 5335/05, in de zaak van Ponomaryovi tegen Bulgarije. In dit arrest heeft het EHRM op basis van het hiervoor weergegeven uitgangspunt ten aanzien van de verschillende vormen van onderwijs het volgende overwogen: “56. In the Court’s view, the State’s margin of appreciation in this domain increases with the level of education, in inverse proportion to the importance of that education for those concerned and for society at large. Thus, at the university level, which to this day remains optional for many people, higher fees for aliens – and indeed fees in general – seem to be commonplace and can, in the present circumstances, be considered fully justified. The opposite goes for primary schooling, which provides basic literacy and numeracy – as well as integration into and first experiences of society – and is compulsory in most countries (see Konrad and Others, cited above). 57. Secondary education, which is in issue in the present case, falls between those two extremes. The distinction is confirmed by the difference of wording between paragraphs (a), (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.