Rechtbank Den Haag Team Handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/469637 / KG ZA 14-838 Vonnis in kort geding van 7 augustus 2014 in de zaak van [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. C.A.B. Zeevenhooven te Amsterdam, tegen: de naamloze vennootschap Keijser Capital N.V., gevestigd te Amsterdam, gedaagde, advocaat mr. J.W. de Groot te Amsterdam. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Keijser’. 1De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 28 juli 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 1.1. Tot april 2014 exploiteerde Keijser een effectenhuis dat in 2013 een belegd vermogen van circa 75 à 85 miljoen euro in portefeuille had. Keijser bediende haar klanten door middel van een driepartijen-overeenkomst. Hiertoe sloot Keijser met haar klanten een beheerovereenkomst op grond waarvan Keijser vanaf (een of meer) door de klant bij een bank aangehouden depotrekeningen ten behoeve van die klant transacties kon sluiten. Op de beheerrelatie waren de algemene voorwaarden van Keijser van toepassing. Op grond van die voorwaarden kon een klant de beheerrelatie op elk gewenst moment opzeggen. 1.2. [eiser] is met ingang van 1 april 2007 bij Keijser in dienst getreden. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van Senior Accountmanager op de afdeling vermogensbeheer. Uit hoofde van zijn functie beheerde en adviseerde [eiser] circa 75 klanten van Keijser. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst zijn – voor zover hier relevant – de volgende bedingen opgenomen: “Werknemer verplicht zich gedurende zijn dienstverband bij Werkgever en daarna, ongeacht de reden voor beëindiging, geen vertrouwelijke informatie, of informatie waarvan Werknemer het vertrouwelijk karakter behoort te kennen, te verspreiden of kenbaar te maken aan enig persoon of bedrijf, met betrekking tot bedrijfszaken, procédés of handelsgeheimen (…) (…) De werknemer verbindt zich om tijdens de overeenkomst noch direct noch indirect, noch voor zichzelf noch voor anderen, in enigerlei vorm werkzaam of betrokken te zijn in of bij enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de werkgever (…)” Inmiddels is de arbeidsovereenkomst tussen partijen beëindigd. 1.3. In de loop van 2013 heeft Keijser aan haar werknemers, onder wie [eiser], meegedeeld dat zij haar onderneming wenste te herstructureren en dat zij de vermogensbeheerafdeling wenste te verkopen, waarbij het de bedoeling was dat een aantal medewerkers, onder wie [eiser], mee zou overgaan. In het kader van die reeds in 2012 ingezette herstructurering heeft Keijser onderhandelingen gevoerd met de vennootschap naar Belgisch recht Merit Capital N.V. (hierna ‘Merit’), en later met de effectenhuizen Wijs & Van Oostveen B.V. en Ostrica B.V. Daarnaast heeft Keijser met [eiser] gesproken over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. 1.4. In augustus en september 2013 zijn in Het Financieele Dagblad (hierna ‘FD’) berichten verschenen over de beslagleggingen (en de gedeeltelijke opheffing daarvan) ten laste van Keijser en haar directeur [directeur] door een ontevreden klant. 1.5. Bij brief van 7 oktober 2013 heeft Keijser bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd voor [eiser] en vijf andere werknemers in verband met bedrijfseconomische omstandigheden. In deze brief schrijft Keijser onder meer dat zij het zich niet kan permitteren om de verlieslijdende situatie te laten voortbestaan, omdat zij dan – mede als gevolg van door AFM en DNB gestelde eisen – de voor onder meer vermogensbeheer noodzakelijke vergunningen zal kwijtraken. 1.6. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft Keijser aan [eiser] een voorstel beëindiging dienstverband gedaan. In de brief wordt verwezen naar een niet bij de brief gevoegde conceptovereenkomst, waarin een vergoeding is opgenomen bestaande uit een aanvulling op zijn WW-uitkering (berekend per 1 december 2013), een vergoeding over de opzegtermijn (berekend vanaf 1 november 2013) en een tekenbonus gelijk aan een half maandsalaris, inclusief vakantiegeld. In deze brief schrijft Keijser voorts het volgende: “Wanneer je met dit voorstel instemt, verzoek ik je één exemplaar van de overeenkomst getekend aan mij retour te geven of te sturen. (…) Als je ervoor kiest niet op het voorstel in te gaan, zal de procedure bij UWV (…) worden voortgezet. Het voorstel zal dan zijn vervallen op het moment van opzegging van je arbeidsovereenkomst. In dat geval zal het eerste onderdeel van de vergoeding zoals hierboven omschreven aan je betaald worden. Op de tweede en derde component kun je dan geen aanspraak meer maken.” 1.7. Op of omstreeks 16 oktober 2013 zijn de onderhandelingen tussen Keijser en Merit beëindigd. Namens Merit werden de onderhandelingen gevoerd door [Chief Executive Officer van Merit]), CEO van Merit. 1.8. Bij brief van 22 oktober 2013 heeft Keijser het volgende meegedeeld aan (onder meer) [eiser]: “Zoals het er nu naar uit ziet hebben wij het voornemen om aan de klanten de mededeling te doen dat wij per eind oktober 2013 de benodigde vergunning inzake het voeren van vermogensbeheer zullen inleveren. Een zeer beperkt aantal vermogensbeheerders krijgt tegen betaling de gelegenheid om de klanten te benaderen. Dat is een exclusief recht dat haar gegeven zal worden tot 15 december 2014. (…) In het geval wij onverhoopt mochten vaststellen dat jullie andere plannen hebben, plannen die inbreuk maken op de rechten van derden en waarmee Keijser (…) schade wordt toegebracht, dan zullen wij niet nalaten hiertegen op te treden. Voor de daaruit voortvloeiende schade worden jullie op voorhand aansprakelijk gehouden.” 1.9. Op 28 november 2014 heeft [eiser] per e-mail aan een aantal klanten van Keijser het volgende meegedeeld: “Er zijn wat ontwikkelingen waardoor ik helaas genoodzaakt ben de afspraak van aankomende dinsdag (…) af te zeggen. De reden hiervoor is dat Keijser besloten heeft verder te gaan als MKB onderneming waarbij ze afscheid gaan nemen van de afdeling waar ik werkzaam ben. Een en ander heeft tot gevolg dat ik vanaf 1 december niet meer werkzaam ben voor Keijser en dat ook de portefeuille in de nabije toekomst niet meer door Keijser kan worden beheerd. (…) Het voorstel is dan ook om de rekening te sluiten en de gelden terug te boeken. (…) Indien jullie akkoord gaan met bovenstaand, verzoek ik jullie ieder individueel het bijgevoegde formulier te ondertekenen boven je eigen naam en terug te sturen naar Keijser.” 1.10. Bij brief van 29 november 2013 heeft [eiser] zijn arbeidsovereenkomst tegen 1 januari 2014 opgezegd met daarbij de mededeling “voor zover in rechte zal komen vast te staan dat mijn arbeidsovereenkomst niet reeds per 1 december met wederzijds goedvinden is geëindigd.” Met ingang van 1 december 2013 heeft [eiser] zich bij Keijser ziek gemeld. 1.11. Begin december 2013 heeft een groot aantal klanten met vrijwel identieke opzegbrieven de beheerrelatie met Keijser opgezegd. 1.12. Bij e-mail van 16 december 2013 heeft de heer[A.], die tot 1 december 2013 werkzaam was voor Keijser, aan [Chief Executive Officer van Merit], met kopie aan [eiser] en twee andere (oud)werknemers van Keijser, het volgende geschreven: “Peter wil zsp een mail of telefoon ontvangen van Eric in zijn hoedanigheid als CEO omtrent bevestiging definitieve keuze van Merit (…) voor model 4, omdat wij op dit moment formeel niet werkzaam zijn voor Merit (…) of in het bezit zijn van een rechtsgeldig document dat wij handelingen voor Merit (…) mogen verrichten. (…) Bevestigen gaarne dat wij NIET gaan werken volgens model 3 (…) en het al bijna eind december is en wij toch echt graag in januari 2014 kunnen handelen voor onze effektenrelaties” 1.13. Vervolgens is [eiser] in dienst getreden bij Merit in een vergelijkbare functie als die hij bij Keijser bekleedde. Een aantal klanten die [eiser] voor Keijser bediende, is klant geworden bij Merit. Naast [eiser] zijn ook vier andere voormalig werknemers van Keijser bij Merit in dienst getreden, onder wie [A.]. 1.14. Keijser heeft het salaris van [eiser] tot 1 januari 2014 doorbetaald. Hierbij zijn niet-opgenomen vakantiedagen niet uitbetaald. 1.15. Op 10 januari 2014 heeft [eiser] in een e-mail aan [B.] onder meer het volgende geschreven: “I’m back from my holiday and things have moved quickly the last couple of weeks. I’ve started my new job at Merit Capital this week. I very much like to tell you about the new job, and the great opportunities the company offers.” 1.16. Bij brief van 5 maart 2014 heeft DSI naar aanleiding van een incidentenmelding door Keijser aan [eiser] meegedeeld dat deze melding geen gevolgen heeft voor de DSI-registratie van [eiser]. Het gemelde incident betrof het verwijt van Keijser dat [eiser] na zijn ziekmelding op 29 november 2013 zijn hele mailbox had gewist en dat Keijser daardoor haar zorgplicht jegens haar cliënten niet meer kon nakomen. 1.17. Na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft Keijser op 4 juli 2014 ten laste van vier oud-werknemers, onder wie [eiser], en onder Merit conservatoir beslag doen leggen. De beslagen strekken tot zekerheid van verhaal van een voorlopig, inclusief rente en kosten, op € 1.230.000,- begrote vordering. In het verzoekschrift heeft Keijser – kort gezegd – gesteld dat [eiser] in samenwerking met drie andere voormalig werknemers van Keijser door gebruik te maken van vertrouwelijke gegevens van Keijser een substantieel deel van de klanten van Keijser heeft geworven ten gunste van Merit en dat Keijser daardoor schade heeft geleden, aangezien de beoogde verkoop van de klantenportefeuille aan Merit daardoor zou zijn afgeketst en inmiddels circa 80% van de klanten van Keijser wordt bediend door Merit, waardoor verkoop van de Vermogensbeheerafdeling onmogelijk is geworden. In het beslagrekest heeft Keijser onder meer gesteld dat Merit bereid was € 1.000.000,- voor de klantenportefeuille te betalen. 1.18. Ten laste van [eiser] is conservatoir beslag gelegd op zijn woonhuis in Haarlem en op zijn bankrekening, aangehouden bij Theodoor Gillissen Bankiers N.V. (hierna ‘Theodoor Gillissen’). 1.19. Op 18 juli 2014 heeft Keijser de eis in de hoofzaak aanhangig gemaakt. Hiertoe heeft zij een dagvaarding doen betekenen aan het kantooradres van de advocaat van [eiser]. In deze bodemprocedure heeft Keijser zich op het standpunt gesteld dat Merit, [eiser] en de andere oud-werknemers van Keijser op de voet van artikel 6:102 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Keijser geleden schade, door haar begroot op € 1.000.000,-. 2Het geschil 2.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.