vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis in hoofdzaak en vrijwaringszaken van 9 september 2015 in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/469214 / HA ZA 14-782 van mr. [de curator] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van [Q] B.V. (hierna: [Q] ), wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. J.E. Stokx te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg, tegen [A] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , gedaagde, advocaat mr. G. Janssen te Den Haag, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/478420 / HA ZA 14-1337 van [A] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiseres, advocaat mr. G. Janssen te Den Haag, tegen [B] , wonende te [woonplaats] , Zuid-Holland, gedaagde, advocaat mr. A.C.E.G. Cordesius te Den Haag, en in de vrijwaringszaak met zaaknummer / rolnummer C/09/478422 / HA ZA 14-1338 van [B] , wonende te [woonplaats] , Zuid-Holland, gedaagde, advocaat mr. A.C.E.G. Cordesius te Den Haag, tegen [A] , wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiseres, advocaat mr. G. Janssen te Den Haag. Partijen zullen hierna de curator, [A] en [B] genoemd worden. 1De procedure in de hoofdzaak 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 22 oktober 2014; - het tussenvonnis van 11 maart 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - de brief van mr. Stokx van 12 mei 2015, met producties 7-11; - het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2015; - de brief van mr. Janssen van 3 juni 2015, met één bijlage. 1.2. De curator heeft met de oorspronkelijk medegedaagde [B] een schikking bereikt, waarna de vordering in de hoofdzaak jegens [B] is ingetrokken. Ten slotte is in de hoofdzaak een datum voor vonnis bepaald. 2De procedure in de vrijwaringszaak met rolnummer 14-1337 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 25 november 2014, met producties 1-4; de conclusie van antwoord in vrijwaring; het tussenvonnis van 11 maart 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast; het proces-verbaal van comparitie van 28 mei 2015; - de brief van mr. Janssen van 3 juni 2015, met één bijlage. 2.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 3De procedure in de vrijwaringszaak met rolnummer 14-1338 3.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 24 november 2014; de conclusie van antwoord in vrijwaring; het tussenvonnis van 11 maart 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast; - de brief van mr. Janssen van 3 juni 2015, met één bijlage. 3.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 4De feiten in de hoofdzaak en de vrijwaringszaken 4.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 30 juli 2013 is [Q] (tot 25 juni 2013 genaamd [X] B.V.) in staat van faillissement verklaard en is mr. [de curator] tot curator benoemd. 4.2. De onderneming van [Q] dateert van 1966 en is aanvankelijk gedreven door de heer [C] , wijlen de echtgenoot van [B] en de vader van [A] . In 1989 is de onderneming ingebracht in de besloten vennootschap [X] B.V. Op 27 november 2008 is [C] overleden. 4.3. Na het overlijden van [C] tot 17 juni 2013 is [B] bestuurder en enig aandeelhouder geweest van de besloten vennootschap [Y] B.V. (tot 28 juni 2013 genaamd [Z] B.V.), welke vennootschap tot 28 juni 2013 enig aandeelhouder is geweest van [Q] . Vervolgens is de heer [D] enig aandeelhouder geworden van [Q] . 4.4. Vanaf 27 november 2008 tot 17 juni 2013 is [B] zelfstandig bevoegd bestuurder geweest van [Q] . 4.5. Vanaf 17 september 1997 tot 17 juni 2013 is [A] is zelfstandig bevoegd bestuurder geweest van [Q] . 4.6. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de curator ten laste van [B] op 19 mei 2014 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de naamloze vennootschap ING Bank N.V., de coöperatie Coöperatieve Rabobank Vlietstreek-Zoetermeer U.A., de naamloze vennootschap ABN AMRO Bank N.V. en de coöperatie Coöperatieve Rabobank Den Haag en omgeving U.A. Na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft de curator op 19 mei 2015 ten laste van [A] conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de naamloze vennootschap ABN AMRO N.V. 5Het geschil in de hoofdzaak 5.1. De curator vordert thans, na intrekking van de vordering jegens [B] , samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I primair: [A] veroordeelt tot betaling aan de curator van het tekort in het faillissement van [Q] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;subsidiair:[A] veroordeelt tot betaling aan de curator van € 28.850,- met betrekking tot de ten onrechte aan de boedel onttrokken bedragen wegens contante geldopnamen in (zo begrijpt de rechtbank) 2013 alsmede veroordeelt tot terugbetaling aan de curator van € 68.870,- en € 9.764,52 met betrekking tot de ten onrechte onttrokken bedragen wegens respectievelijk “steekpenningen” en “koffiegeld”, subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag; II [A] veroordeelt tot betaling aan de curator van een voorschot van € 200.000,- op het onder I bedoelde tekort in het faillissement, welke betaling in mindering zal strekken op het hiervoor bedoelde tekort; III [A] veroordeelt tot betaling aan de curator van de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding over de onder I en II genoemde bedragen; IV [A] veroordeelt in de proceskosten, de beslagkosten daaronder begrepen. 5.2. Aan de primaire vordering legt de curator het volgende ten grondslag. Tijdens het bestuur door [A] is de jaarrekening van [Q] over 2011 te laat, namelijk pas op 13 mei 2013 is gedeponeerd, terwijl zulks op 1 februari 2013 had moeten zijn gebeurd. Daarnaast is de aan de curator overgelegde administratie zeer beperkt en onoverzichtelijk. In 2013 is de administratie niet meer bijgehouden en is de post ook niet meer geopend. Hiermee heeft [A] de op haar als bestuurder rustende administratieplicht als bedoeld in artikel 2:10 BW geschonden. Het voorgaande brengt ingevolge artikel 2:248 BW mee dat [A] haar bestuurstaak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [Q] . Ook zonder dit rechtsvermoeden is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur en is aannemelijk dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. [Q] draaide de laatste jaren met aanzienlijke verliezen. [A] heeft nagelaten een serieuze reddingspoging te doen, opende in 2013 de post niet meer en was voor de werknemers slecht bereikbaar. Daarnaast gebruikte [A] een gedeelte van de omzet voor privédoeleinden en is zij ondanks de aanzienlijke schuldenlast van [Q] nieuwe verplichtingen aangegaan ten aanzien van een drietal leaseauto’s. De curator acht [A] aansprakelijk voor het tekort in het faillissement op grond van de artikelen 2:248 lid 2 BW, 2:9 BW en/of 6:162 BW. 5.3. Aan de subsidiaire vordering legt de curator, samengevat, ten grondslag dat de afgelopen jaren vaak en veel contant geld is opgenomen, waarvan onduidelijk is waaraan het is besteed. [A] was de enige die deze geldopnames kon verrichten, nu zij de beschikking had over een bankpas. De geldopnames door [A] zijn, gelet op de verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bestuurder, onrechtmatig jegens de boedel. De curator acht [A] schadeplichtig op grond van de artikelen 2:9 BW en/of 6:162 BW. 5.4. [A] voert gemotiveerd verweer. 5.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in de vrijwaringszaak met rolnummer 14-1337 5.6. [A] vordert - samengevat - dat [B] wordt veroordeeld om aan [A] te betalen al hetgeen waartoe [A] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, inclusief de proceskosten van de hoofdzaak, met veroordeling van [B] in de kosten van de vrijwaring. 5.7. Hieraan legt [A] , samengevat, ten grondslag dat [B] is gehouden [A] te vrijwaren, nu de feitelijke leiding van de onderneming voornamelijk lag bij [B] , eerst samen met [C] , na diens overlijden in 1989 samen met zijn zoon [E] en na diens overlijden in 2010 samen met de door [B] aangestelde heer [F] . Volgens [A] is zij slechts bestuurder ‘op papier’ geweest en had zij niets van doen met de feitelijke leiding van de onderneming. 5.8. [B] voert gemotiveerd verweer. 5.9. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in de vrijwaringszaak met rolnummer 14-1338 5.10. [B] vordert - samengevat - dat [A] wordt veroordeeld om aan [B] te betalen al hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagtekening van het vonnis in de vrijwaringszaak, met veroordeling van [A] in de kosten van de procedure in de hoofzaak alsmede de proceskosten van de vrijwaringszaak. 5.11. Hieraan legt [B] , samengevat, ten grondslag dat [A] is gehouden [B] te vrijwaren. [A] heeft de door de curator bedoelde geldopnames verricht. [B] was destijds ook niet in het bedrijf actief en weet niet wat er met de opgenomen bedragen is gebeurd. Daarnaast zijn de door de curator bedoelde werkzaamheden die de heer [G] bij [B] heeft verricht geschied op initiatief van [A] , die destijds feitelijk leidinggevende was binnen [Q] . 5.12. [A] voert gemotiveerd verweer. 5.13. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 6De beoordeling in de hoofdzaak 6.1. De rechtbank hanteert bij de beoordeling de volgende uitgangspunten. Op grond van artikel 2:248 lid 1 BW is iedere bestuurder van de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor het tekort van de failliete boedel, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In lid 2 van artikel 2:248 BW is bepaald dat indien het bestuur niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit de artikelen 2:10 en 2:394 BW, het zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld, tenzij het een gering verzuim betreft. Alsdan is er sprake van een dubbel wettelijk vermoeden: het onweerlegbare vermoeden dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.