Rechtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummer: SGR 14/724 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2015 in de zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] , erven van [erflaatster] , te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. N. El-Ghazi), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder (gemachtigde: mr. M. Mos). Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eisers toegekende voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor het vervoer van wijlen hun dochter [erflaatster] in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 12.544,
- Bij besluit van 19 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari
- Eiseres [eiser 2] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1.1 Bij besluit van 31 oktober 2012 is aan eisers, ten behoeve van het vervoer van hun dochter [erflaatster] , voor een periode van zeven jaar, een pgb van in totaal € 21.278,07 toegekend voor de kosten van aanschaf, onderhoud, reparatie en verzekering van een aangepaste autobus (Renault Trafic met kenteken [kenteken] ), conform een offerte van Aanpassingsbedrijf [bedrijfsnaam] ( [bedrijfsnaam] ). Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt, zodat het in rechte vast staat. 1.2 Het pgb is als volgt opgebouwd. De autobus, inclusief diverse aanpassingen, kostte € 24.278,
- Overeengekomen is dat eisers hun eigen auto voor een bedrag van € 3.000,- zouden inruilen, zodat het pgb op het onder 1.1 genoemde bedrag is bepaald (€ 24.278,07 -/- € 3.000,- = € 21.278,07). 1.3 Op 3 maart 2013 is [erflaatster] overleden.
- Het bestreden besluit berust op het standpunt dat door het overlijden van [erflaatster] een deel van het pgb voor terugvordering in aanmerking komt. Het pgb was volgens verweerder namelijk voor een periode van zeven jaar (84 maanden) verstrekt, terwijl eisers er slechts vier maanden gebruik van hebben gemaakt. Bij de berekening van de terugvordering heeft verweerder in het voordeel van eisers een periode van zes jaar (72 maanden) gehanteerd in plaats van de 80 maanden (84 -/- 4) waartoe verweerder ook stelt bevoegd te zijn geweest. Daarbij is de dagwaarde van de autobus op € 16.000,- bepaald. Van dat bedrag heeft verweerder de inruilwaarde van de auto van eisers (€ 3.000,-) afgetrokken. Ten slotte heeft verweerder een bedrag van € 455,96 afgetrokken voor ten onrechte niet afzonderlijk toegekend pgb voor de onderhoudskosten van de autobus. Het resultaat is volgens verweerder een terugvordering van € 12.544,
- Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en voeren daartoe het volgende aan. Verweerder heeft destijds niet tijdig op de aanvraag voor een vervoersvoorziening beslist en heeft eisers onvoldoende over de verschillende mogelijkheden geïnformeerd. Verweerder heeft daarnaast misleidende informatie aan eisers verstrekt, want zij verkeerden in de veronderstelling dat de autobus hun eigendom was geworden. De waarde van de autobus was bovendien geen € 21.278,07 op 31 oktober 2012, maar slechts € 10.997,
- Tegelijkertijd heeft [bedrijfsnaam] te weinig betaald voor de Volkswagen Beetle die eisers hebben ingeruild. Eisers stellen dat zij niet hadden ingestemd met het toekenningsbesluit van de vervoersvoorziening, als zij zich van de precieze inhoud ervan bewust waren geweest. Ten aanzien van de hoogte van de terugvordering zijn eisers van mening dat de dagwaardebepaling van de autobus van € 16.000,- door [bedrijfsnaam] onvoldoende is onderbouwd. Deze waarde zou volgens hen rond de € 6.250,- moeten liggen. Verder heeft verweerder ten onrechte nagelaten de kosten voor een verplichte all-riskverzekering van de autobus van het teruggevorderde bedrag af te trekken. Ten slotte stellen eisers na verrekening een vordering op verweerder te hebben van € 3.902,
- 4.1 De gemeenteraad van Den Haag heeft op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wmo de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag (de Verordening) vastgesteld. Nadere uitvoeringsregels zijn vastgesteld in de Regeling individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag (de Regeling). 4.2 In artikel 49 van de Verordening is bepaald dat bij de verlening van een persoonsgebonden budget de aanvrager onder meer de verplichting opgelegd krijgt het pgb uitsluitend te gebruiken voor betaling van een voorziening en de daaraan noodzakelijk verbonden kosten. 4.3 Ingevolge artikel 54 van de Verordening kan verweerder een toekenningsbesluit, genomen op grond van deze verordening, geheel of gedeeltelijk intrekken indien niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze Verordening of de Regeling. 4.4 Als een besluit is ingetrokken kan verweerder op grond van artikel 55, eerste lid, van de Verordening het op basis van het ingetrokken besluit uitbetaalde pgb terugvorderen. 4.5 Artikel 32 van de Regeling luidt, voor zover van belang, als volgt: ‘Als een hulpmiddel binnen de gestelde periode waarvoor het pgb is verstrekt niet langer wordt gebruikt dient dit binnen 30 dagen aan de gemeente te worden gemeld. Het bedrag van het pgb moet vervolgens naar rato worden terugbetaald, dan wel het hulpmiddel zal in eigendom aan de gemeente dienen te worden overgedragen. Hiervoor wordt geen vergoeding verstrekt. De hoogte van het terug te betalen pgb wordt berekend door het aantal hele maanden vanaf het moment van niet gebruik tot aan het eind van de afschrijvingstermijn te delen door de voor het hulpmiddel van toepassing zijnde afschrijvingstermijn in maanden en deze breuk vervolgens te vermenigvuldigen met de hoogte van het oorspronkelijk verstrekte pgb.’
- De rechtbank stelt voorop dat wat eisers hebben aangevoerd met betrekking tot de totstandkoming en inhoud van het toekenningsbesluit buiten de omvang van het geding valt, zodat daarop niet wordt ingegaan. Ter toetsing ligt namelijk alleen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de intrekking en terugvordering van een deel van het pgb voor en niet ook het toekenningsbesluit van 31 oktober 2012 (waartegen eisers destijds overigens, zoals onder 1.1 vermeld, geen bezwaar hebben gemaakt, zodat het in rechte onaantastbaar is). Ten aanzien van de tegenvordering van € 3.902,12, die eisers op verweerder stellen te hebben, overweegt de rechtbank dat op geen enkele manier is onderbouwd - ook niet ter zitting - dat eisers een (in rechte) opeisbare vordering op verweerder hebben die voor verrekening in aanmerking komt. Uit de stukken is zelfs niet op te maken dat eisers verweerder eerder in gebreke hebben gesteld. De bij het beroepschrift gevoegde brieven betreffende “In gebreke stelling SZW”, beide gedateerd 19 september 2012, kunnen in ieder geval niet tot dat oordeel leiden. Uit niets blijkt immers dat die brieven ook daadwerkelijk zijn verstuurd, laat staan door verweerder ontvangen. De beroepsgrond van eisers die op de tegenvordering ziet, wordt daarom verworpen. 6.1 Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder op grond van de hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 genoemde bepalingen bevoegd om het verstrekte pgb met ingang van 4 maart 2013, de dag na het overlijden van [erflaatster] , in te trekken en terug te vorderen. Vanaf dat moment hebben eisers de voorziening namelijk niet meer gebruikt voor het doel waarvoor deze was verstrekt. Wat eisers hebben aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid niet van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering gebruik heeft mogen maken of dat het terug te vorderen bedrag te hoog is vastgesteld. Het volgende is daarvoor van belang. 6.2 In de stelling van eisers dat de werkelijke waarde van de autobus niet € 16.000,-, maar slechts € 6.250,- is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de taxatie van [bedrijfsnaam] onjuist te achten, nu eisers ter onderbouwing van hun stelling advertenties van niet-vergelijkbare autobussen hebben overgelegd. Geen van de geadverteerde autobussen is namelijk aangepast voor het gebruik als rolstoelbus. Daar komt bij dat de taxatie van [bedrijfsnaam] wordt ondersteund door een advertentie, waaruit blijkt dat de Renault Trafic met kenteken [kenteken] op 11 juli 2013 bij een (ander) autobedrijf te koop stond voor een bedrag van € 18.950,-. Ten slotte heeft eiseres ter zitting verteld dat zij de autobus voor € 13.000,- heeft verkocht, zodat alleen daarom al niet valt in te zien dat de autobus slechts € 6.250,- waard zou zijn geweest. 6.3 Verweerder heeft € 455,96 aan kosten voor onderhoud, reparatie en verzekering van de autobus op het terug te vorderen bedrag in mindering gebracht. Daargelaten de vraag of eisers gehouden waren de autobus all risk te verzekeren, zoals zij stellen, is er geen rechtsregel op grond waarvan verweerder tot integrale vergoeding van de kosten van de verzekering van de autobus zou hebben moeten overgaan. Het door verweerder gehanteerde uitgangspunt van 15% van het verstrekte pgb voor de aanschaf van de Renault Trafic acht de rechtbank niet onredelijk. Overigens overweegt de rechtbank ten aanzien van de hoogte van de terugvordering nog dat verweerder, door uit te gaan van een gebruik van de autobus voor een periode van twaalf maanden in plaats van de werkelijke vier maanden, ruimhartiger is geweest dan waartoe hij op grond van de Verordening gehouden was.Voor zover eisers aanvoeren dat de terugvordering tot voor hen onaanvaardbare consequenties leidt, overweegt de rechtbank dat daarvan niet is gebleken, al was het maar omdat eisers worden beschermd door de beslagvrije voet.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot intrekking en terugvordering van het pgb tot een bedrag van (€ 16.000,- -/- € 3.000,- -/- € 455,96 =) € 12.544,
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, en mr. H.P.M. Meskers en mr. M.M. Meessen, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 februari
- griffier voorzitter Afschrift verzonden naar partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.