RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/443286 / HA ZA 13-582 Vonnis van 4 februari 2015 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats], eiser, advocaat mr. R.Th.G. van der Veldt te Leiden, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde, advocaat mr. R.M. Köhne te Voorburg. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de inleidende dagvaarding van 15 mei 2013, met producties 1 tot en met 14; de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 8; het tussenvonnis van 28 augustus 2013, waarbij een comparitie van partijen is gelast; de brief van 26 maart 2014 van mr. Van der Veldt, waaruit blijkt dat de mediation is afgerond en partijen geen overeenstemming hebben bereikt; de brief van 13 oktober 2014 van mr. Köhne, met producties 9 tot en met 17; de brief van 14 oktober 2014 van mr. Van der Veldt, met producties 15 tot en met 21; de fax van 17 december 2014 van mr. Köhne; de fax van 17 december 2014 van mr. Van der Veldt; het proces-verbaal van comparitie van 28 oktober 2014 en 18 december 2014, met aangehecht de brief van 29 december 2014 van mr. Köhne en de brief van 9 januari 2015 van mr. Van der Veldt. 1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel aan de [straat, nummer 1-2] te Voorschoten, thans kadastraal bekend gemeente Voorschoten, [sectie] nummer [1]. [gedaagde] is eigenaar van het perceel aan de [straat, nummer 3] te Voorschoten, thans kadastraal bekend gemeente Voorschoten, [sectie] nummer [2]. De percelen van [eiser] en [gedaagde] grenzen aan elkaar. De kadastrale kaart, met het noorden bovenaan, ziet er volgens het uittreksel van 24 augustus 2012 als volgt uit: 2.2. Tot 25 juni 2001 was [eiser] ook eigenaar van het perceel aan de [straat, nummer 3]. De percelen [1] en [2] waren toen gezamenlijk kadastraal bekend onder nummer [11]. 2.3. [gedaagde] heeft van 1985 tot 2001 de woning aan de [straat, nummer 3] gehuurd. In die tijd was de voordeur van de woning aan de [straat, nummer 3] gesitueerd aan de kant van [straat, nummer 1-2]. De voordeuren van de woningen, drie geschakeld gebouwde bungalows, kwamen als het ware uit op een binnenplaats op het erf van [straat, nummer 1-2]. Ook de ingang van de garage van [straat, nummer 3] kwam uit op die binnenplaats. 2.4. De akte van levering van 25 juni 2001, waarbij perceel [2] door [eiser] als verkoper aan [gedaagde] als koper werd geleverd, luidt, voor zover hier van belang: […] VESTIGING ERFDIENSTBAARHEDEN […] B. Ten behoeve van het aan de verkoper in eigendom verblijvende gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Voorschoten, [sectie] nummer [11], hierna sub B te vermelden als “heersend erf” en ten laste van het verkochte registergoed, uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Voorschoten, [sectie] nummer [11], hierna sub B te vermelden als “dienend erf”: de erfdienstbaarheid, inhoudende dat het dienend erf de buitenkant van het woonhuis met garage en verdere aanhorigheden, welke zich bevinden op het dienend erf, niet mag voorzien van een kleur middels schilderwerk dan wel anderszins voor zover die buitenkant bestaat uit stenen en metselwerk en niet mag veranderen van aanzicht, zodat de stijl van het gehele gebouw, waarvan het verkochte registergoed deel uitmaakt, als eenheid gehandhaafd blijft. […] BIJZONDERE BEPALING Koper is gerechtigd zijn auto te parkeren op het midden gedeelte van het voor de drie bungalows gelegen talud, een en ander aan partijen genoegzaam bekend zodat daarvan geen nadere omschrijving van wordt verlangd, totdat de nieuw te bouwen woning van de koper gereed is, doch maximaal tot vijf en twintig juni tweeduizend drie. […] 2.5. Nadat [gedaagde] het perceel aan de [straat, nummer 3] in eigendom had verworven, heeft hij de woning grondig verbouwd. Zo heeft [gedaagde] de voordeur van de woning en de ingang van de garage verplaatst naar de oorspronkelijke achterzijde van de woning. Sindsdien zijn de garage en de (nieuwe) voordeur van de woning aan de [straat, nummer 3] toegankelijk via het eigen erf. Verder heeft [gedaagde] een deur aangebracht op de plek waar oorspronkelijk de ingang van de garage zat. Tenslotte heeft [gedaagde] aan de zuidkant een aanbouw gerealiseerd. 2.6. Bij aangetekend verzonden brieven van 6 november 2008 en 28 augustus 2012 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht de aanbouw en de deur te verwijderen en de muur van de garage dicht te metselen. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart 1. dat het door [gedaagde] (doen) plaatsen van de (loop)deur en het in stand laten van de (loop)deur in strijd is met artikel 5:50 en/of 5:48 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW); en 2. dat het door [gedaagde] doen plaatsen van de (loop)deur en het in stand laten van de (loop)deur en/of het door [gedaagde] aan de tuinzijde van zijn woning (doen) bouwen en in stand houden van de aanbouw, strijdig is met de gevestigde erfdienstbaarheid als omschreven in de akte van levering onder het kopje “vestiging erfdienstbaarheden” hoofdletter B. Verder vordert [eiser] – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld, primair 1. om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis de deur in de muur die direct grenst aan het perceel van [eiser] te verwijderen en de muur in de stijl van de reeds aanwezige muur geheel dicht te metselen en dicht gemetseld te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte daarvan, en/of 2. om binnen 60 dagen na betekening van het vonnis de op zijn perceel gelegen aanbouw aan de tuinzijde van de woning te verwijderen, op zodanige wijze dat de woning van [eiser] daardoor niet beschadigd, en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte daarvan, en subsidiair 3. om binnen 30 dagen na betekening van het vonnis de deur in de muur die direct grenst aan het perceel van [eiser] zodanig onklaar te maken dat deze deur niet duurzaam meer te gebruiken is om toegang en uitzicht te verschaffen tot het preceel van [eiser], op straffe van een dwangsom van € 5.000,= per dag of gedeelte daarvan. Tenslotte vordert [eiser] dat [gedaagde] in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. 3.2. [gedaagde] voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De vorderingen ten aanzien van de deur 4.1. Aan de vorderingen met betrekking tot de deur heeft [eiser] het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft in 2003 de deur geplaatst zonder bouwvergunning. De deur geeft slechts toegang tot het perceel van [eiser], waardoor het voor hem niet mogelijk is zijn erf af te sluiten (art. 5:48 BW), aldus [eiser]. [gedaagde] heeft volgens [eiser] op grond van het bepaalde in art. 5:50 BW geen recht om binnen 2 meter van de erfgrens met [eiser] een venster, deur of andere muuropening te plaatsen. [eiser] heeft geen toestemming gegeven voor het plaatsen van de deur op die plek noch voor het gebruik ervan. De deur is daarom volgens [eiser] niet geoorloofd, reden waarom hij de verwijdering ervan vordert. [gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt hierover het volgende. 4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de deur omstreeks 2002-2003 door [gedaagde] is aangebracht in de gevel die tegen de erfgrens met [eiser] staat. Vast staat dat de deur uitkomt op het erf van [eiser]. Art. 5:48 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf bevoegd is dit af te sluiten. Doordat [gedaagde] zich met het gebruik van de deur telkens de toegang tot het erf van [eiser] kan verschaffen, is het feitelijk voor [eiser] niet mogelijk zijn erf af te sluiten. In zoverre is de aanwezigheid van de deur in strijd met artikel 5:48 BW. De gevorderde verklaring voor recht zal dan ook worden toegewezen. 4.3. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de aanwezigheid van de deur in strijd is met artikel 5:50 BW en, in het verlengde daarvan, of [eiser] de verwijdering ervan kan vorderen. Artikel 5:50 BW bepaalt dat het niet geoorloofd is binnen twee meter van de grenslijn van het naburige erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven. 4.4. Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] tijdens de comparitie aangevoerd dat de deur geen venster of opening is in de zin van artikel 5:50 BW. Dat verweer slaagt niet. De deur valt in de categorie “andere muuropeningen”. 4.5. Verder voert [gedaagde] als verweer dat een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan. Op de plek waar nu de deur zit, heeft eerst een garage/kanteldeur gezeten; daarnaast zat bovendien een voordeur. Deze situatie heeft langer dan 30 jaar bestaan, aldus [gedaagde]. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het volgende. Partijen hebben met de eigendomsoverdracht van het perceel aan de [straat, nummer 3] in 2001 aan de feitelijke situatie uit die tijd een einde willen maken. Ter comparitie heeft [gedaagde] daarover verklaard dat toen duidelijk was dat hij het perceel ging kopen, [eiser] had aangegeven dat hij de auto’s van [gedaagde] niet meer op zijn perceel wilde hebben. Daar had [gedaagde] begrip voor en ook om die reden heeft hij zijn huis verbouwd. In de akte van levering hebben partijen dit vastgelegd in een bijzondere bepaling (zie onder 2.4 hiervoor). Afgesproken werd dat [gedaagde] de binnenplaats op het perceel van [eiser] voor zijn auto’s mocht gebruiken tot de verbouwing van de woning gereed was, maar in elk geval niet langer dan tot 25 juni 2003. Hieraan is door [gedaagde] uitvoering gegeven door zijn woning zodanig te verbouwen dat de voordeur en de ingang van de garage zijn verplaatst naar de andere kant van de woning. Verder blijkt uit de bouwvergunning die op 6 november 2002 aan [gedaagde] is verstrekt (door [eiser] overgelegd als productie 9), met in Bijlage I een bouwtekening/plattegrond van onder meer de garage en een fragment van de woning, dat op de plaats van de oude ingang van de garage een dichte muur getekend is. Op de plek van de oude voordeur is ook een dichte muur getekend, maar die wordt onderbroken voor een raampartij. Gelet op dit samenstel van feiten en gedragingen, in onderlinge samenhang beschouwd, moet er van worden uitgegaan dat partijen ten tijde van de eigendomsoverdracht van [straat, nummer 3] afstand hebben gedaan van rechten die eventueel kleefden aan de feitelijke situatie van de percelen [straat, nummer 1-2] en [straat, nummer 3] op dat moment, daaronder begrepen lopende verjaringstermijnen. Dan rest nog de vraag of een erfdienstbaarheid door verjaring is ontstaan ten aanzien van de deur die omstreeks 2002/2003 in de gevel is geplaatst. Voor het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verjaring is bezit te goeder trouw van de erfdienstbaarheid gedurende tien jaar vereist, dan wel bezit gedurende twintig jaar. Van goede trouw is pas sprake als inschrijving in de openbare registers heeft plaatsgevonden; dat is gesteld noch gebleken. Van bezit langer dan twintig jaar is geen sprake. Aldus kan niet worden vastgesteld dat door verjaring ten gunste van het erf van [gedaagde] een erfdienstbaarheid is ontstaan. Dit betekent dat het verweer van [gedaagde] dat door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan, niet slaagt. 4.6. Vervolgens heeft [gedaagde] zich tegen de vordering van [eiser] verweerd met de stelling dat [eiser] misbruik van bevoegdheid maakt door verwijdering van de deur te vorderen. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen gaat het om opheffing van de sinds 2002/2003 bestaande situatie. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.