RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 14/9841 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2015 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.J. van Dam), en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder (gemachtigde: mr. A.P. van den Berg). Procesverloop Bij besluit van 11 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om voor het jaar 2011 een regularisatieovereenkomst af te sluiten, afgewezen. Bij besluit van 30 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is kapitein aan boord van het motortankschip [schip]. Eigenaresse en exploitante van de [schip] is [X] B.V. te [vestigingsplaats], een bedrijf dat zich toelegt op de binnenvaartexpeditie. Bij brief van 10 april 2014 heeft eiser verweerder verzocht om op grond van artikel 16 van EG-Verordening nr. 883/2004 (hierna: Verordening 883/2004) voor het jaar 2011 een overeenkomst af te sluiten met de bevoegde Luxemburgse sociale verzekeringsautoriteit, opdat op hem voor 2011 de Luxemburgse sociale wetgeving van toepassing blijft. Eiser heeft in zijn brief aangegeven dat hij in 2011 heeft gewerkt voor werkgever [Y] S.A. te Luxemburg, dat over het jaar 2011 in Luxemburg reeds premies sociale verzekering afgedragen zijn en dat hij over het jaar 2011 geen recht heeft op vrijstelling van premie voor de Nederlandse volksverzekeringen. 2. Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek van eiser afgewezen om de volgende redenen: “Op u is de sociale verzekeringswetgeving van toepassing van het land waar de exploitant van het Rijnvaartschip [schip] gevestigd is. Aangezien de exploitant van dit schip in Nederland is gevestigd, is de Nederlandse sociale verzekerings-wetgeving van toepassing. Uit het gegeven dat de Nederlandse Belastingdienst u in 2009 een aanslag loonbelasting/premies sociale verzekeringen over het jaar 2006 had opgelegd, had u ons inziens kunnen opmaken dat u, in uw werksituatie, in principe onderworpen bent aan de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving. Dit betekent naar onze mening dat u sindsdien had kunnen weten dat u, zolang uw werksituatie niet verandert, ook over de jaren na het jaar 2009 verplicht sociaal verzekerd bent in Nederland en verplicht bent de verschuldigde sociale verzekeringspremies in Nederland af te dragen.” Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. 3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat op eiser de sociale verzekeringswetgeving van Nederland van toepassing is. Ingevolge zijn beleidsregels sluit verweerder geen overeenkomst op grond van artikel 16 van Verordening nr. 883/2004 af indien: -de toepassing van de wetgeving van de bevoegde lidstaat achterwege is gebleven -de SVB vermoedt dat deze situatie doelbewust is gecreëerd en -dit de betrokkene, voor wie de overeenkomst zou moeten worden afgesloten duidelijk kon zijn. Verweerder is van mening dat de Nederlandse wetgeving al meerdere jaren vanaf 2006 op eiser van toepassing geweest. Hij wist dus of had redelijkerwijs kunnen weten dat dit ook over het jaar 2011 het geval was. Verweerder vermoedt dus dat eiser deze situatie doelbewust heeft gecreëerd. Verweerder stelt zich daarnaast op het standpunt dat eiser zich met zijn verzoek dient te wenden tot het bevoegde orgaan dat is aangewezen door een autoriteit van de Lidstaat waarvan hij de toepassing wenst. Eiser dient zich dan ook te richten tot het Luxemburgse orgaan inzake sociale zekerheid, aldus verweerder. 4. In beroep betwist eiser verweerders standpunt dat de situatie doelbewust is gecreëerd en dat hem in 2011 duidelijk kon zijn dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Verweerders standpunt dat met opzet niet in Nederland premies zijn afgedragen hoewel reeds meerdere jaren bekend was dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was, is volgens eiser nergens op gebaseerd. Bij eiser was in 2011 niet bekend dat over meerdere jaren Nederlandse wetgeving van toepassing was, noch dat over 2011 de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op hem van toepassing zou zijn. De stelling van verweerder dat eiser zich dient te wenden tot het bevoegde orgaan in Luxemburg verhoudt zich niet met de afwijzing van het verzoek waarmee verweerder zich in zijn eigen ogen bevoegd acht. Verweerder had het verzoek dan moeten doorsturen naar het Luxemburgse orgaan. 5. De rechtbank gaat bij de beoordeling van deze zaak uit van het navolgende wettelijke kader. 5.1 Op 1 mei 2010 is Verordening 883/2004 in werking getreden ter vervanging van Verordening (EG) nr. 1408/71. 5.1.1 Ingevolge artikel 11, eerste lid, van Verordening 883/2004 zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld. 5.1.2 Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, worden voor de toepassing van deze titel de personen die een uitkering ontvangen, omdat of als gevolg van het feit dat zij een werkzaamheid uitvoeren in loondienst of een werkzaamheid anders dan in loondienst, beschouwd als personen die die werkzaamheid verrichten. 5.2.1 Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening 883/2004 is op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, de wetgeving van toepassing van de lidstaat waar hij woont, indien hij op dit grondgebied een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht of indien hij werkzaam is bij verschillende ondernemingen of werkgevers die hun zetel of domicilie hebben op het grondgebied van verschillende lidstaten. 5.2.2 Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening 883/2004is op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten de wetgeving van de lidstaat waar de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij hij voornamelijk werkzaam is zich bevindt, indien hij geen substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont. 5.3 Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Verordening 883/2004 kunnen twee of meer lidstaten, de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten of de door deze autoriteiten aangewezen instellingen in onderlinge overeenstemming in het belang van bepaalde personen of groepen personen, uitzonderingen op artikel 11 tot en met 15 vaststellen. 5.4.1 Op 23 december 2010 hebben de autoriteiten van België, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Duitsland een overeenkomst als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van Verordening 883/2004 vastgesteld (Stcrt. 25 februari 2011, nr. 3397). Deze “Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van de verordening (EG) 883/2004 betreffende de vaststelling van de op Rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004” (de Rijnvarendenovereenkomst) bevat exclusieve aanwijsregels voor werknemers en zelfstandigen die op grond van de Overeenkomst als Rijnvarenden kunnen worden aangemerkt. 5.4.2 In artikel 1, aanhef, en onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.