Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/478401 KG ZA 14/1448 Vonnis in kort geding van 9 december 2015 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in het [naam HvB] te [verblijfplaats] , eiser, advocaat mr. S.J. van der Woude te Amsterdam, tegen: De Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie, Afdeling Internationale Rechtshulp in Strafzaken), zetelende te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘De Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 10 december 2015 tegen de zitting van 8 januari 2015; - de brief van mr. Van der Woude van 19 december 2014; - de brief van mr. Van der Woude van 10 juni 2015; - de brief van mr. Van der Woude van 2 oktober 2015; - de door [eiser] overgelegde producties, genummerd 1 tot en met 7; - de door De Staat overgelegde producties, genummerd 1 tot en met 16; - de op 25 november 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting van 8 januari 2015 is de zaak op verzoek van [eiser] en met instemming van De Staat pro forma aangehouden tot 20 juni 2015 in afwachting van de beslissing op de door [eiser] ingediende asielaanvraag. Vervolgens is de zaak op verzoek van partijen opnieuw pro forma aangehouden tot 20 december 2015, ditmaal in afwachting van de beslissing op het beroep dat [eiser] had ingesteld tegen de afwijzende beslissing op de asielaanvraag. Ten slotte is op verzoek van [eiser] en met inachtneming van de verhinderdata van beide partijen zitting bepaald op 25 november 2015. 1.3. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] is in bezit van de Turkse Nationaliteit en verblijft sinds 2003 zonder verblijfstitel in Nederland. 2.2. De Turkse autoriteiten hebben op 29 januari 2014 om de uitlevering van [eiser] verzocht in verband met een verdenking van het deelnemen aan een criminele organisatie en het medeplegen van een poging tot invoer van een partij heroïne in Nederland in februari 2012. De Turkse autoriteiten hebben in het uitleveringsverzoek gegarandeerd dat de verdenking geen politiek, militair of financieel karakter heeft. 2.3. De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 22 augustus 2014 (hierna: de uitspraak van de rechtbank Amsterdam) de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. In paragraaf 3.3 van deze uitspraak staat vermeld: “Laatste woord opgeëiste persoon De rechtbank heeft gehoord dat de opgeëiste persoon bij gelegenheid van het laatste woord heeft verklaard van Koerdische afkomst te zijn, evenals een aantal van de medeverdachten die in de ‘Indictment’ worden genoemd en dien in Turkije zijn aangehouden. De opgeëiste persoon vreest in Turkije te worden beschouwd als een Koerdische terrorist. Hij heeft verklaard dat hij geen vertrouwen stelt in de Turkse rechtsgang en heeft de vrees uitgesproken voor een onterechte veroordeling op politieke gronden vanwege zijn Koerdische achtergrond. De raadsman heeft op dit punt geen verweer gevoerd. Desondanks ziet de rechtbank in hetgeen de opgeëiste persoon naar voren heeft gebracht aanleiding om bij de Minister van Veiligheid en Justitie aandacht te vragen voor de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 10, eerste lid, UW nu de opgeëiste persoon kennelijk vreest dat hij zal worden vervolgd, bestraft of op een andere wijze wordt getroffen in verband met zijn gestelde Koerdische identiteit. De beoordeling van deze weigeringsgrond – indien deze buiten de huidige procedure om nader zal worden onderbouwd – is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie en raakt niet het oordeel van de rechtbank over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering.” 2.4. Bij advies van 22 augustus 2014 heeft de rechtbank Amsterdam de minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de minister) geadviseerd de uitlevering toe te staan. Hierbij heeft de rechtbank Amsterdam in het bijzonder aandacht gevraagd voor de in paragraaf 3.3 van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam verwoorde vrees van [eiser] dat zijn Koerdische achtergrond een negatieve factor zal zijn bij zijn berechting door een Turkse rechtbank. 2.5. [eiser] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2014 cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 oktober 2014 [eiser] in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet indienen van cassatiemiddelen. 2.6. Bij beschikking van 14 november 2014 heeft de minister beslist de uitlevering van [eiser] aan Turkije toe te staan. Daarbij heeft de minister ten aanzien van de vrees van [eiser] als volgt overwogen: “Ten aanzien van de door de rechtbank onder 3.2 genoemde vrees dat de Koerdische achtergrond van de opgeëiste persoon een negatieve factor zal zijn bij de berechting door een Turkse rechtbank overweegt de Minister als volgt. Voor zover de vrees van de opeiste persoon moet worden opgevat als een verweer op grond van artikel 10 lid 1 UW volgt de Minister de opgeëiste persoon niet in zijn verweer. De Turkse autoriteiten hebben in het onder 1.2 genoemde uitleveringsverzoek een garantie afgegeven dat de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Turkije vervolgd zal worden niet van politieke, militaire of financiële aard zijn. Overigens is er door de opgeëiste persoon geen nadere onderbouwing ingediend ten aanzien van de onder 3.2. genoemde vrees.” 2.7. Op 17 december 2014 heeft [eiser] in Nederland een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet. Bij besluit van 10 maart 2015 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) deze aanvraag afgewezen. 2.8. Bij uitspraak van 2 september 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het door [eiser] tegen het voormelde besluit van de staatssecretaris ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [eiser] geen hoger beroep ingesteld. 2.9. Op 9 oktober 2014 heeft [eiser] in Nederland opnieuw een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft de staatssecretaris deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. 2.10. Bij uitspraak van 23 november 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het door [eiser] tegen het hiervoor in 2.9. vermelde besluit van de staatssecretaris ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na wijziging van eis – primair de Staat te verbieden om hem aan Turkije uit te leveren. Subsidiair vordert hij de Staat te verbieden om [eiser] aan Turkije uit te leveren zolang de asielaanvraag niet (bij onherroepelijk besluit) zal zijn afgewezen en van Turkije geen concrete en specifieke garanties zijn gegeven inhoudende dat [eiser] , ook in detentie, zal worden beschermd tegen aanvallen door Hezbollah, dat hij onder geen enkele omstandigheid zal worden gemarteld of mishandeld door of met medeweten van overheidsfunctionarissen, en dat hij een eerlijk proces zal krijgen in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), waarbij hij rechtsbijstand zal krijgen van een door [eiser] aan te wijzen raadsman. [eiser] vordert meer subsidiair de behandeling van de zaak aan te houden om de (politieke) ontwikkelingen in Turkije af te wachten. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat hij vreest dat uitlevering aan Turkije hem zal blootstellen aan een schending van artikel 3 en 6 EVRM. [eiser] stelt in dit verband dat hij
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.