Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer 7x Rekestnummer: FA RK 14-5429 (ontbinding) en FA RK 15-1586 (verdeling) Zaaknummer: C/09/469799 (ontbinding) en C/09/483994 (verdeling) Datum beschikking: 21 augustus 2015 Ontbinding geregistreerd partnerschap Beschikking op het op 15 juli 2014 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.D. Bakker te 's-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende te [woonplaats] , doch verblijvende te Frankijk, advocaat: voorheen mr. C. Groeneveld-Blaauw te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, thans mr. C.A.H. Boom te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek; - het bericht d.d. 18 februari 2015 van de zijde van de vrouw, met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen; - het formulier verdelen en verrekenen, bij de rechtbank binnengekomen d.d. 2 maart 2015, van de zijde van de man; - het bericht d.d. 4 juni 2015, met bijlagen, van de zijde van de man; - de brief d.d. 11 juni 2015, bij de rechtbank binnengekomen op 12 juni 2015, met bijlagen, van de zijde van de vrouw. Op 23 juni 2015 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de advocaat van de vrouw. Verzoek en verweer Het verzoek van de man strekt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, kosten rechtens. De vrouw voert geen verweer tegen de verzochte ontbinding van het geregistreerd partnerschap. De vrouw heeft zelfstandig verzocht tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat de man vanaf de datum der ontbinding van het geregistreerd partnerschap aan de vrouw dient te voldoen, steeds maandelijks bij vooruitbetaling, een bedrag van € 1.123,-- netto per maand vermeerderd met geldende fiscaliteiten ten behoeve van haar levensonderhoud, dan wel een zodanige bijdrage te bepalen als de rechtbank juist acht, welk bedrag jaarlijks per 1 januari dient te worden geïndexeerd met de wettelijke indexering en wel voor het eerst per 1 januari 2016; - - primair: bepaling dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met terugwerkende kracht althans wegens achterstallige onderhoudsbijdragen aan de vrouw nog dient te voldoen een bijdrage van € 498,-- per maand vanaf september 2012 tot en met de datum waarop de onderhoudsbijdrage wegens eindigen van het partnerschap ingaat, dan wel tot en met de dag der ontbinding van het geregistreerd partnerschap dan wel een zodanige bijdrage en einddatum te bepalen als de rechtbank juist acht; voorwaardelijk subsidiair: bepaling dat in de finale verrekening dient te worden betrokken een vordering van de vrouw op de man ten bedrage van € 498,-- per maand te becijferen over de periode september 2012 tot en met juli 2014 welke minimaal eerstens – voor de verdere afwikkeling – door de man aan de vrouw dient te worden voldaan; voorwaardelijk meer subsidiair: bepaling dat de man aan de vrouw dient te overleggen zijn belastingaangiften 2012, 2013 en bijbehorende aanslagen alsook zijn voorlopige aanslag 2014 onder de bepaling dat de man aan de vrouw nog dient te vergoeden hetgeen hij in betreffende fiscale periode aan fiscaal voordeel heeft genoten door de gegevens van de vrouw te betrekken in zijn aangifte uit hoofde van fiscaal partnerschap dan wel uit andere hoofde; - bepaling in het kader van de finale verrekening welk bedrag zijdens de man aan de vrouw dient te worden betaald nadat de man zijn gegevens heeft verstrekt, dan wel bij gebreke van gegevens het door de man aan de vrouw te betalen bedrag in het kader van de finale verrekening te bepalen op € 75.000,-- dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht; - bepaling dat alle enkelvoudige verplichtingen voortvloeiende uit de beschikking, daaronder derhalve begrepen alle verplichtingen die een enkelvoudige en geen periodieke uitvoering behoeven, binnen één maand na de beschikking in deze dienen te worden voldaan bij gebreke waarvan wettelijke rente verschuldigd wordt over de te betalen hoofdsom, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, kosten rechtens. De man voert, behoudens ten aanzien van het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, verweer tegen het verzochte, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen zijn op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. - De man heeft de Nederlandse nationaliteit. - De vrouw is Amerikaans burger en heeft de Nederlandse nationaliteit. - Partijen hebben bij het aangaan van het geregistreerd partnerschap partnerschapsvoorwaarden opgesteld, kort gezegd inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met een finaal verrekenbeding. Beoordeling Ontbinding van het geregistreerd partnerschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter ingevolge artikel 4 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap rechtsmacht toe. Inzake het op de ontbinding toepasselijke recht overweegt de rechtbank als volgt. Nu het geregistreerd partnerschap na 1 januari 2005 is aangegaan, zal de rechtbank op grond van artikel 10:86 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toepassen op het onderhavige verzoek. Inhoudelijke beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Beide partijen stellen dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht, zodat de daarop steunende, over en weer gedane verzoeken tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling Ingangsdatum Om proceseconomische redenen ziet de rechtbank aanleiding eerst de ingangsdatum te behandelen. De rechtbank overweegt ten aanzien van de ingangsdatum dat op grond van artikel 1:80e, eerste lid, BW en artikel 1:157 BW, de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw niet eerder intreedt dan op de dag van inschrijving van de onderhavige beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Voor zover de vrouw een eerdere ingangsdatum verzoekt, gaat de rechtbank hieraan wegens het gebrek aan wettelijke grondslag voorbij. De rechtbank overweegt in dit kader dat het de vrouw vrij stond om in een voorlopige voorzieningenprocedure partneralimentatie te verzoeken. Ten aanzien van het door de vrouw in dit verband subsidiair verzochte met betrekking tot de kosten van de huishouding en (kort gezegd) vergoeding vanwege door de man genoten fiscaal voordeel verwijst de rechtbank naar hetgeen hierna wordt overwogen over de afwikkeling van de partnerschapsvoorwaarden. Artikel 1:160 BW Het meest verstrekkende verweer van de man ten aanzien van de partneralimentatie is zijn stelling dat er sprake is van een samenwonen van de vrouw als bedoeld in artikel 1:160 BW, waardoor de op hem rustende onderhoudsverplichting zou zijn komen te vervallen. De man heeft gesteld dat de vrouw reeds geruime tijd – in ieder geval vanaf september 2012 – samenwoont met haar huidige partner. De vrouw heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:160 BW, in samenhang bezien met artikel 1:80e BW, eindigt een verplichting van een gewezen geregistreerd partner om uit hoofde van ontbinding van het geregistreerd partnerschap levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij, wanneer deze in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. Eerst na ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn de man en de vrouw te beschouwen als gewezen geregistreerd partners. Nu de onderhavige beschikking tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap nog dient te worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, dient de vraag beantwoord te worden of op of na die datum sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Voor een bevestigende beantwoording van die vraag is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat tussen de samenlevenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard, die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Daarbij is voorts uitgangspunt dat genoemd artikel restrictief moet worden uitgelegd. De toepassing van deze bepaling heeft immers tot gevolg dat de betrokkene definitief een aanspraak op levensonderhoud jegens de voormalige partner verliest. Beoordeeld dient te worden of de man, in het licht van voornoemde criteria, voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien zij vast zouden staan, tot de slotsom zouden leiden dat de vrouw samenwoont als ware zij gehuwd. Op de man rust immers de stelplicht dienaangaande, nu hij zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde feiten. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw heeft de man zijn stelling naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De man heeft met name getracht aan te tonen dat de vrouw een affectieve relatie met haar huidige partner heeft maar hij heeft niet, althans onvoldoende, onderbouwd dat de vrouw en haar partner elkaar wederzijds verzorgen en onderhouden. De rechtbank gaat dan ook aan de stelling van de man op dit punt voorbij als onvoldoende onderbouwd, zodat niet is komen vast te staan dat er sprake is van samenleving in de zin van artikel 1:160 BW. De alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is daarom niet op die grond komen te vervallen. Voor zover de man van mening is dat er geen sprake meer is van enige lotsverbondenheid tussen partijen en er daarom geen grond (meer) is voor het betalen van partneralimentatie, is de rechtbank van oordeel dat de man hiertoe eveneens onvoldoende heeft gesteld. De enkele omstandigheid dat partijen al geruime tijd feitelijk gescheiden van elkaar leven en slechts relatief kort hebben samengeleefd, maakt nog niet dat de lotsverbondenheid tussen partijen is geëindigd of dusdanig is verwaterd, dat dit tot gevolg zou moeten hebben dat er geen partneralimentatie behoeft te worden voldaan. Nu de verplichting van de man tot het betalen van alimentatie nog bestaat, gaat de rechtbank hierna over tot beoordeling van hetgeen partijen voor het overige in dit verband hebben gesteld. Behoefte De vrouw heeft haar behoefte gesteld op € 1.123,-- netto per maand. Dit bedrag wordt volgens haar gevormd door een bedrag aan verschuldigde premie ziektekosten, een maandelijks bedrag aan boodschappen en een fictieve huurlast van € 750,-- per maand. De man heeft de gestelde behoefte, met name op het punt van de woonlasten, betwist. Namens de vrouw is ter terechtzitting erkend dat zij thans geen woonlasten heeft. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man van de gestelde behoefte, en nu de vrouw de hoogte van haar behoefte niet nader met stukken of anderszins heeft onderbouwd, zal de rechtbank de behoefte in redelijkheid vaststellen op een bedrag ter hoogte van de bijstandsnorm. Nu de vrouw de bijstandsnorm in haar verweerschrift heeft gesteld op € 950,-- per maand per juli 2014, neemt de rechtbank dit bedrag als uitgangspunt. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat daarnaast rekening moet worden gehouden met haar medische kosten, volgt de rechtbank de vrouw hierin niet. De vrouw heeft hiervan geen stukken overgelegd en evenmin anderszins haar stelling op dit punt onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de behoefte per 1 januari 2015 € 957,60 netto per maand, oftewel € 1.445,-- bruto per maand. Behoeftigheid Tussen partijen staat vast dat de vrouw thans geen inkomen genereert. Volgens de man kan van de vrouw worden gevergd dat zij door te gaan werken een eigen inkomen verwerft. De man draagt in dit kader aan dat de vrouw een hoge opleiding heeft genoten (Nyenrode) en in het verleden, ook in het buitenland, werkervaring heeft opgedaan, onder meer als consultant bij Accenture. De vrouw betwist dat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Zij stelt daartoe onder meer dat zij wegens haar psychische gesteldheid niet in staat is om te werken, dat zij in dat verband reeds een aantal jaren in Frankrijk in therapie is en dat niet te voorzien is wanneer zij is hersteld en weer zal kunnen werken. De rechtbank overweegt als volgt. Vast staat dat de vrouw psychische klachten heeft (gehad) ten gevolge van het verlies medio 2012 van een pas geboren tweeling en dat zij daarvoor in therapie is gegaan. De rechtbank neemt ook aan dat de vrouw in dat verband nog enige tijd nodig zal hebben om haar leven op orde te krijgen, alvorens zij in staat zal zijn zich een inkomen te verwerven. De rechtbank zal daarom thans geen verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw in aanmerking nemen. De rechtbank gaat er echter van uit – mede nu de vrouw geen stukken heeft overgelegd waaruit anders blijkt – dat dit een tijdelijke situatie betreft en dat de vrouw zich op afzienbare termijn weer op de arbeidsmarkt zal kunnen begeven. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank ook van haar worden verlangd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om aan te nemen dat de vrouw na verloop van één jaar na inschrijving van de onderhavige beschikking in de registers van de burgerlijke stand in staat is zelf in haar behoefte te voorzien. De rechtbank neemt hierbij het opleidingsniveau en de substantieel te noemen werkervaring van de vrouw – zoals de man die ter zitting onweersproken heeft beschreven – in aanmerking. De vrouw heeft onvoldoende stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij niet na bovengenoemde termijn zou kunnen gaan werken. Uit een en ander volgt dat de vrouw na een jaar geacht wordt wel zelf in haar behoefte te kunnen voorzien. De rechtbank zal daarom de na te melden bijdrage na verloop van één jaar op nihil bepalen. Draagkracht van de man Gelet op de ingangsdatum van de bijdrage, maakt de rechtbank bij het navolgende gebruik van de alimentatierichtlijnen en tarieven uit 2015, tweede helft. Tussen partijen staat vast dat de man een onderneming heeft, te weten [naam B.V.] Voorts staat tussen partijen vast dat de man via de deelneming van [naam B.V.] veertig procent van de aandelen in [naam B.V.] heeft. De rechtbank overweegt dat blijkens de door de man overgelegde stukken voldoende vaststaat dat [naam B.V.] sinds januari 2015 is opgeheven. De man stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft. Hij draagt daartoe onder meer aan dat hij geen inkomsten ontvangt uit [naam B.V.] omdat dit een startende onderneming betreft met een negatief vermogen. Ook uit [naam B.V.] genereert de man geen inkomsten, nu deze onderneming geen vermogen heeft, anders dan de deelneming in [naam B.V.] , aldus de man. De vrouw betwist de stelling van de man en voert aan dat de man heeft nagelaten zijn stelling te onderbouwen. De vrouw acht de man in staat een jaarinkomen van € 60.000,-- te genereren. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat de man in 2014 in ieder geval inkomsten uit een opdracht heeft gegenereerd van € 42.000,-- over een periode van 8 maanden. Op jaarbasis is dit een inkomen van circa € 60.000,--. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet ook nu dit bedrag kan verdienen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat de man ook thans een dergelijk inkomen kan genereren, zij het met zijn ondernemingen dan wel in de vorm van inkomen uit loondienst of uit een afzonderlijke opdracht. Het staat de man in beginsel vrij een eigen onderneming te starten en voor zichzelf het risico te nemen dat hij mogelijk tijdelijk geen inkomen genereert. Dit ontslaat hem echter niet van zijn verplichting jegens de vrouw – in het kader van zijn onderhoudsverplichting – om zich in te spannen een inkomen te genereren. De rechtbank neemt daarom een jaarinkomen van (afgerond) € 60.000,-- per jaar in aanmerking, conform het door de man overgelegde fiscaal rapport aangifte voor de Inkomstenbelasting (IB)
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.