← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2015:14365

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Inleiding Hoofdstuk 2: De beschuldigingen Hoofdstuk 3: Rechtsmacht Hoofdstuk 4: Het onderzoek Hoofdstuk 5: Rechercheren op het internet (Facebook en Twitter) Hoofdstuk 6: De ontwikkelingen in Syrië Hoofdstuk 7: Het toepasselijk recht Hoofdstuk 8: Terroristische misdrijven Hoofdstuk 9: Overige niet-ontvankelijkheidsverweren Hoofdstuk 10: Opvattingen van de verdachten over de gewapende jihadstrijd in Syrië Hoofdstuk 11: Opruiing en verspreiding ter opruiing, het juridisch kader Hoofdstuk 12: Opruiing en verspreiding ter opruiing zoals ten laste gelegd Hoofdstuk 13: Werven voor de gewapende strijd, het juridisch kader Hoofdstuk 14: Werven voor de gewapende strijd zoals ten laste gelegd Hoofdstuk 15: Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor terroristische misdrijven, het juridisch kader Hoofdstuk 16: Deelneming aan training voor terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd Hoofdstuk 17: Samenspanning tot, voorbereiding en bevordering van en deelneming aan training voor terroristische misdrijven, zoals ten laste gelegd Hoofdstuk 18: Deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie Hoofdstuk 19: Overige feiten Azzedine C. Hoofdstuk 20: Overige feiten Moussa L. Hoofdstuk 21: Het bewezenverklaarde, de strafbaarheid daarvan en de strafbaarheid van de verdachten Hoofdstuk 22: De strafoplegging Hoofdstuk 23: De inbeslaggenomen voorwerpen Hoofdstuk 24: De toepasselijke wetsartikelen Hoofdstuk 25: De beslissing 1Inleiding 1.1 Volgens veel verdachten staat in dit proces dé islam - of in elk geval hún islamitisch geloof - terecht. Ook de verdediging heeft in verschillende toonaarden aangevoerd dat dit proces neerkomt op criminalisering van een geloofsovertuiging. Niet de gedragingen van de verdachten, maar hun gedachtegoed wordt vervolgd en berecht, aldus de verdediging. En de mogelijk onwelgevallige uitingen die de verdachten hebben gedaan zouden geheel of althans voor een groot deel worden beschermd door het ook de verdachten toekomende recht op vrije meningsuiting. Deze verwijten geven de rechtbank aanleiding dit vonnis te beginnen met enkele algemene overwegingen over de vrijheid van denken en geloof, de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting. 1.2 Het recht van een ieder op vrijheid van gedachte, geweten en geloof is absoluut. Wat mensen denken en geloven, kan niet strafbaar zijn. Alleen gedragingen kunnen dat zijn, waaronder begrepen het doen van uitlatingen, het voeren van overleg, het maken van plannen of afspraken, en in een beperkt aantal gevallen het nalaten waar handelen geboden was. 1.3 De vrijheid van godsdienst omvat meer dan de vrijheid van geloven. Het is het recht van een ieder zijn godsdienst te belijden, individueel of in gemeenschap met anderen. Belijden houdt ook in het zich, alleen of in groepsverband, gedragen naar het aangehangen geloof. Daaronder vallen het onderhouden van religieuze geboden en voorschriften, het uiting geven aan de geloofsovertuiging in erediensten, het overdragen daarvan in onderwijs en opvoeding, het verkondigen van de geloofsovertuiging en het oprichten van organisaties met een godsdienstig doel. 1.4 De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde. Deze vrijheid is een kostbaar bezit, juist omdat zij gelijkelijk geldt voor alle godsdiensten en levensovertuigingen. Zij geldt voor het christendom, het jodendom, het hindoeïsme, het boeddhisme, het humanisme en vanzelfsprekend ook voor de islam, in al haar stromingen, richtingen en variaties. 1.5 De vrijheid van meningsuiting vormt één van de fundamenten van onze democratische samenleving en is een voorwaarde voor vooruitgang van de samenleving en de ontwikkeling van elk mens. Een democratische samenleving kenmerkt zich door pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid en vergt daarom dat er ook ruimte is voor het uitdragen van informatie, denkbeelden en opvattingen die de Staat of een groot deel van de bevolking choqueren, kwetsen of verontrusten. Ook het recht op vrijheid van meningsuiting is stevig verankerd in de Nederlandse (en Europese) rechtsorde. 1.6 Aan de uitoefening van deze vrijheden kunnen beperkingen worden gesteld, onder meer ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of vanwege publieke belangen. Zo staat het bij voorbeeld niet vrij mensen te beledigen of te bedreigen, in het openbaar aan te zetten tot discriminatie van of haat of geweld tegen mensen vanwege onder meer hun ras, godsdienst of seksuele gerichtheid, of in het openbaar op te ruien tot het plegen van strafbare feiten. Deze beperkingen moeten echter wel altijd (

  1. i)bij wet zijn voorzien, (
  2. ii)een geoorloofd doel dienen en (iii) noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. 1.7 De rechtbank zal dit toetsingskader later in dit vonnis nader uitwerken en op basis daarvan oordelen of aan zes van de verdachten verweten uitingen opruiend en dus strafbaar zijn. Zij wil er echter nu reeds geen misverstand over laten bestaan dat niet strafbaar zijn:
  3. i)het bijeenkomen om de Koran te bestuderen of zich te verdiepen in de islam of bepaalde richtingen binnen de islam, waar onder de salafistische;
  4. ii)het doen van da’wah – da’wah is het uitnodigen tot de islam –, of dit nu gebeurt in besloten ruimtes, op straat of op het internet; iii) het organiseren van en meedoen aan demonstraties, of daarin nu aandacht wordt gevraagd voor de positie van islamitische gedetineerden of geprotesteerd wordt tegen de onderdrukking van het Syrische volk door Assad, de vertoning van een film of tegen voorgenomen maatregelen betreffende het dragen van gezichtsbedekkende kleding;
  5. iv)het inzamelen van geld of goederen voor humanitaire hulp aan de slachtoffers van het geweld in Syrië;
  6. v)het ageren tegen de buitenlandse politiek van het Westen of Nederland, of dat nu gaat over Syrië of Israël en Palestina, en of dat nu gebeurt in klassieke media, op sociale media of middels demonstraties;
  7. vi)het op dezelfde wijze ageren tegen de democratie als regeringsvorm en kritiek uiten op de wijze waarop daaraan in Nederland vorm wordt gegeven; vii) het openlijk sympathiseren met de doelen en daden van terroristische organisaties, zoals IS en al-Qaeda, ook als dit gebeurt op tendentieuze websites. Dat dit allemaal kan, mits uiteraard op vreedzame wijze en met respect voor de rechten en vrijheden van anderen, is één van de verworvenheden van de democratische rechtsstaat. 1.8 De rechtbank wil er echter ook geen enkel misverstand over laten bestaan dat het strafrecht, met inachtneming van de hierboven genoemde vrijheden, een beperkte, maar belangrijke rol heeft bij het tegengaan van terrorisme. Terrorisme geldt internationaal als een van de ergste misdrijven en op alle staten rust de verplichting dit te bestrijden. Het strafrecht heeft daarbij een functie in zowel het zo veel mogelijk voorkomen van daden van terrorisme als in de vervolging en berechting daarvan. 1.9 Vanwege dat eerste (het voorkomen van terrorisme) is het bereik van het strafrecht in de afgelopen ruim tien jaren aanzienlijk uitgebreid, met name door de inwerkingtreding op 10 augustus 2004 van de Wet terroristische misdrijven. Deze wet gaf uitvoering aan het Kaderbesluit terrorismebestrijding van de Europese Unie van 13 juni 2002, waarin de lidstaten verplicht werden onder meer de rechtsmacht ter zake van misdrijven die gepleegd worden met een terroristisch oogmerk uit te breiden en deze misdrijven en enkele misdrijven die gepleegd worden met het oog op een voorgenomen terroristisch misdrijf met hogere straffen te bedreigen. Nederland heeft in de Wet terroristische misdrijven een ruime invulling gegeven aan dit Kaderbesluit. Zo werd samenspanning tot bepaalde ernstige terroristische misdrijven strafbaar gesteld en werd de strafbaarstelling van de voorbereiding of bevordering daarvan ruim geformuleerd. In deze wet werd ook strafbaar gesteld deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft terroristische misdrijven te plegen. Deelneming daaraan werd met een hogere straf bedreigd dan deelneming aan een ‘gewone’ criminele organisatie. Deze wet voorzag ook in een artikel dat het werven voor de gewapende strijd strafbaar stelt en de strafbedreiging daarvoor verhoogd indien deze strijd het plegen van een terroristisch misdrijf inhoudt. In de wet werd bovendien de strafbedreiging op opruiing verhoogd in het geval wordt opgeruid tot een terroristisch misdrijf. In latere wetgeving werd het bereik van het strafrecht verder uitgebreid door de strafbaarstelling van deelneming en medewerking aan training voor terrorisme en de financiering van terrorisme. 1.10 Op deze wijze heeft de wetgever ruim baan willen geven aan het bestrijden van terreur. Ontegenzeggelijk heeft de strafbaarstelling van handelingen in de voorfase het strafrecht een meer instrumenteel karakter gegeven. De rechter heeft zich uiteraard naar deze keuze van de wetgever te richten. Uitgangspunt is echter wel gebleven dat nog steeds alleen daden strafbaar zijn gesteld. 1.11 De rechtbank benadrukt hier dat in dit proces geen gebruik is gemaakt van bijzondere strafprocessuele bepalingen in verband met terrorisme. De verdachten en de verdediging hebben gebruik kunnen maken van alle hen in een ‘gewoon’ strafproces toekomende rechten. En de rechtbank zal op dezelfde wijze en naar dezelfde maatstaven als in een ‘gewoon’ strafproces tot haar oordeel komen. Net als in elk ander proces zal zij op basis van de tenlasteleggingen beoordelen of de Nederlandse strafwet van toepassing is, of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging, of er wettig en overtuigend bewijs is dat de ten laste gelegde feiten zijn gepleegd en de vraag beantwoorden of er sprake is van een strafuitsluitingsgrond. 1.12 De rechtbank merkt ten slotte in dit inleidend hoofdstuk op dat er geen enkele aanwijzing is dat de in Nederland woonachtige verdachten enig voornemen hadden tot het plegen van een terroristische daad in Nederland of daartoe hebben opgeruid. Zij benadrukt echter ook dat op Nederland de verplichting rust terrorisme, waar ook ter wereld, te bestrijden en maatregelen te nemen om de stroom in te dammen van Nederlandse (jonge) moslims die in Syrië willen gaan deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. 2De beschuldigingen 2.1 Wat de verdachten wordt verweten is omschreven in de (gewijzigde) tenlasteleggingen, welke als bijlagen A 1 t/m 12 onderdeel uitmaken van dit vonnis. De beschuldigingen komen kort gezegd op het volgende neer: Ten aanzien van Imane B.(09/842489-14) Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede)beheren van en/of plaatsen van berichten, afbeeldingen e.d. op Facebookpagina’s en/of een Twitteraccount en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, afbeeldingen e.d.; Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Oussama C. (09/767038-14 en 09/767313-14)  Het werven voor de gewapende jihadstrijd van vijf met name genoemde personen;  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het geven van lezingen en/of het plaatsen van berichten op social media en/of het maken van films en geluidsfragmenten en het plaatsen daarvan op websites, waaronder het kanaal Nusrah bil-Jihaad op Youtube en/of op andere social media en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende lezingen, berichten, films e.d., alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Azzedine C. (09/767174-13 en 09/765004-15)  Het werven voor de gewapende jihadstrijd van zes met name genoemde personen;  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede)beheren van websites, waaronder www.dewarereligie.nl, en het plaatsen van lezingen, artikelen en berichten daarop en/of het (mede)beheren van en/of uitzenden op Radio Ghurabaa van lezingen en liederen en/of het maken van filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of het plaatsen van berichten en filmpjes op diverse social media, zoals Twitter en Facebook en/of het organiseren en/of bijwonen van demonstraties en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, films e.d., alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;  Aanzetten tot haat en/of discriminatie van en/of gewelddadig optreden tegen mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst en/of  Belediging van mensen van Joodse komaf, vanwege hun ras en/of godsdienst;  Smaadschrift jegens een ambtenaar. Ten aanzien van Rudolph H. (09/767146-14)  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het (mede) beheren van websites, waaronder www.dewarereligie.nl, en het plaatsen van lezingen, artikelen en berichten daarop en/of het (mede)beheren van en/of uitzenden op Radio Ghurabaa van lezingen en liederen en/of het maken van filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of het plaatsen van berichten en filmpjes op diverse andere social media, zoals Twitter en Facebook en/of het organiseren en/of bijwonen van demonstraties en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten, films e.d. alsmede het ter verspreiding in voorraad hebben van andere opruiende bestanden;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Jordi de J. (09/767256-14)  Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Moussa L. (09767238-14 en 09/827053-15)  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en/of filmpjes op social media, zoals Twitter en Facebook en/of het maken van en/of deelnemen in filmpjes en het plaatsen daarvan op Youtube en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten en filmpjes;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;  Belediging van twee politieambtenaren;  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en/of afbeeldingen op Twitter;  Bedreiging subsidiair belediging van een politieambtenaar. Ten aanzien van Hicham el O. (09/767237-14)  Samenspanning tot en/of  Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of  Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristische misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Hatim R. (09/765002-15)  Samenspanning tot en/of  Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of  Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;  Opruien tot het plegen van terroristische misdrijven dan wel misdrijven ter voorbereiding of vergemakkelijking van terroristische misdrijven middels het plaatsen van berichten en foto’s op Facebook en Twitter en/of  Verspreiding van deze zelfde opruiende berichten en foto’s;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Ten aanzien van Anis Z. (09/767077-14)  Samenspanning tot en/of  Voorbereiding dan wel bevordering van moord met een terroristisch oogmerk en/of doodslag met een terroristisch oogmerk en/of het teweegbrengen van ontploffingen met een terroristisch oogmerk en/of  Voorbereiding en/of vergemakkelijking van terroristisch misdrijven door deel te nemen aan training ten behoeve van de gewapende jihadstrijd in Syrië;  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven en/of  Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Rechtsmacht 3.1 Alle verdachten worden ervan beschuldigd deel te hebben uitgemaakt van een (terroristische) criminele organisatie. De tenlasteleggingen noemen als pleegplaatsen daarvan steeds “Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Irak en/of te Syrië”. 3.2 De verdediging van de verdachten Imane B., Oussama C. en Moussa L. heeft aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de in het buitenland te plegen misdrijven waarop deze organisatie volgens de tenlasteleggingen het oog heeft ook in Irak of Syrië strafbaar zijn. Daarmee is niet voldaan aan de in dit geval op grond van artikel 5, lid 1 onder 2 Sr (oud) voor het aannemen van Nederlandse rechtsmacht vereiste dubbele strafbaarheid. En dit heeft, aldus de verdediging, tot gevolg dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van deze ‘buitenlandse’ feiten niet-ontvankelijk is. 3.3 Aan de verdachten Hicham el O., Hatim R. en Anis Z. wordt onder meer verweten samenspanning tot moord en het teweegbrengen van ontploffingen, telkens met een terroristisch oogmerk. Volgens de tenlasteleggingen zou Hicham el O. zich hieraan hebben schuldig gemaakt “te Den Haag en/of elders in Nederland en/of te Syrië en/of te Jemen en/of te Irak”, Hatim R. “te Nederland en/of te Syrië en/of te Irak” en Anis Z. “te Nederland en/of te België en/of te Turkije en/of te Syrië en/of te Irak”. Op vragen van de rechtbank (direct na de pleidooien) hebben de officieren van justitie bij repliek aangegeven dat zij bij elk van deze verdachten samenspanning alleen bewezen achten op momenten dat zij zich in juli 2013 in Syrië bevonden. De rechtbank heeft daarop het Openbaar Ministerie en de verdediging geattendeerd op de op 1 juli 2014 in werking getreden herziene regeling van de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet, in het bijzonder het nieuwe artikel 6 Sr en artikel 4, tweede lid van het Besluit internationale verplichtingen extraterritoriale rechtsmacht (Stb. 2014, 47) (hierna: het besluit). Het Openbaar Ministerie heeft hierop gereageerd met een notitie, waarin wordt betoogd dat voor de hier bedoelde misdrijven rechtsmacht bestaat omdat (
  8. i)artikel 4, lid 2 van het besluit terugwerkende kracht heeft en (
  9. ii)sprake is van dubbele strafbaarheid omdat uit overgelegde wetsteksten blijkt dat samenspanning tot het plegen van terroristische misdrijven ook in Syrië strafbaar is. De raadslieden van Imane B., Oussama C. en Moussa L. en de raadsvrouw van Hicham el O. hebben zich vervolgens bij dupliek nog uitgelaten over de rechtsmacht. 3.4 De rechtbank overweegt hierover als volgt. 3.5 De aanwezigheid van rechtsmacht moet in beginsel worden beoordeeld op basis van de tenlastelegging zonder te kijken of het tenlastegelegde kan worden bewezen. Indien evenwel na beantwoording van de bewijsvraag blijkt dat er geen aanknopingspunt is voor rechtsmacht van Nederland, dient het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3.6 Artikel 2 Sr bepaalt dat de Nederlandse strafwet toepasselijk is op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Naar vaste rechtspraak is indien een feit zowel in Nederland als in het buitenland wordt gepleegd vervolging ook mogelijk ‘ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden’. Hierop stuit het hierboven onder 3.2 beschreven verweer af. 3.7 Op grond van artikel 6 Sr in samenhang met artikel 4, lid 2 van het besluit is de Nederlandse strafwet toepasselijk op de Nederlander of de vreemdeling die een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een terroristisch misdrijf. Wat onder terroristisch misdrijf wordt verstaan is bepaald in artikel 83 Sr. Onder meer samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing met een terroristisch oogmerk zijn zulke misdrijven. 3.8 Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 juli 2014. De vraag die daarom voorligt is of deze ook van toepassing zijn indien de tenlastegelegde feiten voor die datum in het buitenland zijn gepleegd. Beantwoording van die vraag is met name van belang in de zaken tegen Hicham el O., Hatim R. en Anis Z. omdat de rechtbank bij een ontkennend antwoord het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal moeten verklaren in de vervolging ter zake samenspanning tot moord en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing, telkens met een terroristisch oogmerk, indien zij met het Openbaar Ministerie tot het oordeel komt dat er geen bewijs is dat deze feiten ook in Nederland zijn gepleegd. 3.9 De mogelijkheden voor het toekennen van terugwerkende kracht aan strafrechtelijke bepalingen worden begrensd door het legaliteitsbeginsel. Daaruit vloeit voort dat aan bepalingen waarbij een handelen of nalaten strafbaar wordt gesteld nimmer terugwerkende kracht kan toekomen. Het verbod van terugwerkende kracht ten nadele van een verdachte geldt eveneens voor regels over de hoogte en soort van op te leggen straffen. Zo’n verbod op terugwerkende kracht geldt echter niet voor regels waarbij Nederland zijn rechtsmacht uitbreidt. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 21 oktober 2008 (NJ 2009, 108) uitdrukkelijk dat geen rechtsregel zich zou hebben verzet tegen toekenning van terugwerkende kracht aan een rechtsmachtsvoorziening voor de vervolging van genocide in de Wet internationale misdrijven en heeft de wetgever daarna in die wet alsnog met terugwerkende kracht een ruimere rechtsmacht voor de vervolging van dit misdrijf gevestigd. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wijziging van de Wet internationale misdrijven heeft geleid heeft de minister van justitie overigens wel benadrukt dat in het algemeen terughoudendheid in acht moet worden genomen bij het toekennen van terugwerkende kracht aan een regeling waarbij het rechtsmachtregime wordt gewijzigd en op een vraag vanuit de Tweede Kamer of dit slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden wenselijk is heeft hij geantwoord dat per geval bekeken moet worden of er bijzondere omstandigheden bestaan die het vestigen van rechtsmacht met terugwerkende kracht rechtvaardigen. 3.10 Bij de herziening van de regels betreffende de extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken heeft de wetgever er uitdrukkelijk voor gekozen de uitoefening daarvan niet te beperken tot feiten die na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zouden plaatsvinden. Na een opmerking hierover in het advies van de Raad van State is in artikel IV van het betreffende wetsvoorstel de terugwerkende kracht van de artikelen 5, 7, lid 3 en 8c Sr beperkt. Hieruit kan, zoals het Openbaar Ministerie heeft gedaan, worden afgeleid dat daarentegen onbeperkt terugwerkende kracht toekomt aan het nieuwe artikel 6 Sr en het daarop gebaseerde artikel 4, lid 2 van het besluit. 3.11 Deze op zich juiste gevolgtrekking laat zich echter moeilijk rijmen met de mededeling in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat het voorgestelde nieuwe artikel 6, lid 1 Sr geen wijziging wil brengen in de reikwijdte van het op dat moment bestaande rechtsmachtregime. Ook in de nota van toelichting op het besluit is te lezen dat de mogelijkheden tot het uitoefenen van rechtsmacht op grond van artikel 6 Sr in verbinding met de bepalingen uit het besluit materieel ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van de mogelijkheden op grond van de oude regeling in het Wetboek van Strafrecht. 3.12 Dit brengt de rechtbank ertoe te onderzoeken welke mogelijkheden voor extraterritoriale rechtsmacht ten aanzien van terroristische misdrijven onder die oude regeling bestonden. Volgens de nota van toelichting bij het besluit komt wat nu bepaald wordt in artikel 4, lid 2 daarvan overeen met een onderdeel van het oude artikel 5a, lid 1 Sr. Naar het de rechtbank voor komt berust dit op een misverstand. Bedoeld artikel 5a , lid 1 Sr (oud) verklaarde de Nederlandse strafwet toepasselijk op de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft en zich buiten Nederland schuldig maakt aan een aantal vervolgens in dit artikel opgesomde misdrijven, waaronder terroristische misdrijven. Een soortgelijke bepaling bestond merkwaardig genoeg echter niet voor Nederlanders. De rechtsmacht ten aanzien van door Nederlanders in het buitenland gepleegde misdrijven was geregeld in artikel 5 Sr (oud). Daarin is bepaald dat de Nederlandse strafwet alleen toepasselijk is als het feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd ook strafbaar is in het land waarin het is gepleegd, behoudens de in dit artikel opgesomde misdrijven waarvoor die eis van dubbele strafbaarheid niet geldt. Daartoe behoren niet de terroristische misdrijven. Van belang in dit verband is ook nog artikel 4 Sr (oud) waarin de Nederlandse strafwet toepasselijk wordt verklaard op een ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan onder meer bepaalde terroristische misdrijven, maar alleen indien ‘hetzij het feit is gepleegd tegen een Nederlander, hetzij de verdachte zich in Nederland bevindt’ dan wel terroristische misdrijven welke, kort gezegd, tegen Nederland zijn gericht. De rechtbank concludeert dan ook dat onder de oude regeling de Nederlandse strafwet wel toepasselijk is op de in Nederland woonachtige vreemdeling die in het buitenland een terroristisch misdrijf begaat dat Nederland niet rechtstreeks raakt, maar niet op de Nederlander die zich in het buitenland hieraan schuldig maakt, uiteraard tenzij wordt aangetoond dat dit in het land waarin het feit is begaan ook strafbaar is (hetgeen in de regel wel het geval zal zijn). 3.13 Artikel 9 lid 1, onder c van het Kaderbesluit van de Raad van Europese Unie inzake terrorismebestrijding d.d. 13 juni 2002 (PbEU L164) verplicht de lidstaten rechtsmacht te vestigen ten aanzien van de eigen onderdanen of ingezetenen die de in het Kaderbesluit bedoelde strafbare feiten plegen. Blijkens de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet terroristische misdrijven heeft de wetgever voor de implementatie van deze verplichting geen wetswijziging noodzakelijk geacht voor onderdanen, omdat het bestaande artikel 5 Sr daarin voorzag, maar wel voor ingezetenen en daarom artikel 5a Sr aangepast Zoals de rechtbank hierboven heeft uiteengezet heeft dit erin geresulteerd dat de extraterritoriale rechtsmacht over terroristische misdrijven ruimer gevestigd is ten aanzien van in Nederland woonachtige vreemdelingen dan ten aanzien van Nederlanders. De parlementaire geschiedenis biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat de wetgever bewust dit onderscheid heeft willen maken. 3.14 Artikel 4, lid 2 van het besluit heeft een einde gemaakt aan dit onbedoelde en niet te rechtvaardigen onderscheid. De Nederlandse strafwet is nu gelijkelijk van toepassing op de Nederlander en op de hier woonachtige vreemdeling die in het buitenland een terroristische misdrijf pleegt, ongeacht of daarop in het betreffende land een straf is gesteld. De rechtbank acht het gerechtvaardigd aan deze bepaling terugwerkende kracht toe te kennen omdat (
  10. i)het hier gaat om de implementatie van een sinds 2002 bestaande verplichting krachtens een Kaderbesluit van de Europese Unie, (
  11. ii)de bepaling een onvolkomenheid in de implementatie van dit Kaderbesluit herstelt en (iii) de wetgever uitdrukkelijk terugwerkende kracht heeft willen verlenen aan het besluit. 3.15 De conclusie moet dus zijn dat rechtsmacht bestaat ten aanzien van
  12. a)strafbare feiten die in Nederland ofwel deels in Nederland en deels in het buitenland zijn gepleegd en
  13. b)terroristische misdrijven, waaronder samenspanning tot moord met een terroristisch oogmerk en samenspanning tot het teweegbrengen van een ontploffing met een terroristisch oogmerk, welke door Nederlanders en hier woonachtige vreemdelingen in het buitenland zijn gepleegd. 4Het onderzoek Het politieonderzoek 4.1 Het onderzoek Context is in april 2013 gestart naar aanleiding van diverse aangiftes van ronselen voor de gewapende strijd in Syrië. Het onderzoek richtte zich aanvankelijk op ronselen en het voorkomen van uitreizen naar Syrië. Er vertrokken echter steeds meer jongeren naar Syrië, vooral uit de regio Den Haag, om daar deel te nemen aan de gewapende jihadstrijd. Naarmate het onderzoek vorderde, rees de verdenking dat er sprake was van een georganiseerd verband dat zich bezig hield met het aanzetten tot, bevorderen en voorbereiden van deelname aan de gewapende jihadstrijd in Syrië. Gelet hierop werd het onderzoek uitgebreid naar diverse terroristische misdrijven. 4.2 Er kwamen in totaal zeventien verdachten in beeld gedurende het Context onderzoek. Daarvan zouden tien verdachten deel uitmaken van een criminele terroristische organisatie. Deze tien verdachten zijn vervolgens, gezien de samenhang van hun zaken, gedagvaard. De overige zeven verdachten wordt geen deelname aan een criminele terroristische organisatie verweten. Zij zijn volgens het Openbaar Ministerie afgereisd naar Syrië en zullen mogelijk in een later stadium worden vervolgd en berecht. 4.3 Van de tien gedagvaarde verdachten zouden drie verdachten - Hatim R., Anis Z. en Soufiane Z. - zijn afgereisd naar Syrië en daar nu nog deelnemen aan de gewapende jihadstrijd. In de zaken tegen Hatim R. en Anis Z. is verstek verleend en de behandeling ter terechtzitting voortgezet buiten hun aanwezigheid. 4.4 De zaak tegen Soufiane Z. is een uitzonderlijke. Mr. B.TH. Nooitgedagt heeft zich op 6 januari 2015 gesteld als raadsman. Op 14 januari 2015 is aan verdachte een kennisgeving tot vervolging verzonden, met afschrift aan zijn raadsman. Voor de zitting van 19 februari 2015 verschenen berichten dat verdachte inmiddels zou zijn overleden. De raadsman verklaarde op de regiezittingen van 19 februari 2015 en 14 april 2015 uitdrukkelijk gemachtigd te zijn de verdachte ter terechtzitting te verdedigen. Op 6 oktober 2015 verklaarde hij daartoe niet langer gemachtigd te zijn, omdat bij hem geen enkele twijfel bestond dat de berichtgeving over het overlijden van zijn cliënt juist was. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie op 8 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging, omdat zij het zeer waarschijnlijk achtte dat verdachte was overleden. Het Gerechtshof Den Haag heeft dit vonnis op 11 november 2015 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank teneinde met inachtneming van het arrest recht te doen op de voorliggende tenlastelegging. Het hof overwoog dat niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de verdachte niet meer in leven zou zijn, zodat vooralsnog van het tegendeel moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak uiteindelijk op 24 november 2015 voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van nadere berichten over het al dan niet overlijden van verdachte. Zij overwoog dat voortzetting van het proces in afwezigheid van de verdachte, zonder een gemachtigde raadsman, in dit uitzonderlijke geval niet aan de eisen van een eerlijk proces zou voldoen. Bovendien zou, in geval van voortzetting van de zaak waarin de niet gemachtigde raadsman de mogelijkheid zou krijgen een (gemankeerde) verdediging te voeren, de kans op een “spookproces” onverminderd groot blijven omdat verdachte vermist is. 4.5 Dit vonnis wordt dus gewezen in de zaken tegen de overige negen verdachten. Het dossier tegen hen is als volgt opgebouwd. Het bestaat uit een algemeen dossier, een organisatie dossier, verdachtedossiers en zaaksdossiers toegespitst op elk van de verdachte afzonderlijk, methodiekendossiers en beslagdossiers. Dit gehele (digitale) dossier is verstrekt aan de raadslieden van de verschenen verdachten. Het inhoudelijke dossier beslaat ongeveer 17.000 pagina’s en de methodieken- en beslagdossiers beslaan ongeveer 6.500 pagina’s. 4.6 Gedurende het onderzoek werd samengewerkt met wijkagenten die de verdachten, vaak al vanaf de vroege jeugd, goed kenden. De verdachten zijn daarnaast geobserveerd, afgeluisterd en gevolgd op het internet. Het volgende hoofdstuk zal nader ingaan op het digitaal rechercheren, waarbij diverse websites, social media en mailaccounts van verdachten zijn veiliggesteld. Ook hebben huiszoekingen plaatsgevonden, waarbij onder andere telefoons, computers, tablets, vlaggen, boeken en geschriften in beslag zijn genomen. Daarnaast heeft de politie een groot aantal getuigen gehoord. De voorlopige hechtenis 4.7 Het politieonderzoek heeft tot de volgende aanhoudingen en vrijheidsbenemende maatregelen geleid:  Imane B.werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 5 september 2014 heeft de rechter-commissaris haar inbewaringstelling bevolen. Op 12 september 2014 heeft de officier van justitie haar op vrije voeten gesteld;  Oussama C. werd op 24 juni 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Hij werd op 27 juni 2014 in bewaring gesteld en op 9 juli 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen. Op 6 oktober 2015 heeft de rechtbank zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;  Azzedine C. werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 5 september 2014 is hij in bewaring gesteld. Hij bevindt zich sindsdien in voorlopige hechtenis;  Rudolph H. is op 27 augustus 2014 aangehouden en op 28 augustus 2014 in verzekering gesteld. Hij werd op 29 augustus 2014 in bewaring gesteld en op 10 september 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft op 22 september 2015 zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;  Jordi de J. werd op 30 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 3 oktober 2014 werd zijn bewaring bevolen. Op 16 oktober 2014 werd zijn gevangenhouding bevolen en geschorst door de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank. Deze schorsing van de voorlopige hechtenis werd op 3 februari 2015 door dezelfde raadkamer opgeheven omdat Jordi de J. zich niet aan de gestelde voorwaarden had gehouden. De voorlopige hechtenis werd op 22 juni 2015 wederom geschorst, dit keer door de raadkamer gevangenhouding van het gerechtshof;  Moussa L. is op 7 oktober 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Zijn bewaring werd op 10 oktober 2014 bevolen en nadien ook zijn gevangenhouding. De voorlopige hechtenis is op 23 oktober 2014 geschorst door de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank. Deze schorsing werd op 9 januari 2015 door dezelfde raadkamer opgeheven omdat Moussa L. zich niet aan de gestelde voorwaarden had gehouden. Op 5 februari 2015 heeft de raadkamer gevangenhouding van de rechtbank de voorlopige hechtenis wederom geschorst;  Hicham el O. werd op 2 september 2014 aangehouden en in verzekering gesteld. Zijn bewaring werd op 5 september 2014 bevolen en zijn gevangenhouding op 17 september 2014. De rechtbank heeft op 4 december 2014 zijn voorlopige hechtenis geschorst tot aan de dag van de uitspraak;  De rechtbank beval op respectievelijk 19 februari 2015 en 29 juni 2015 de gevangenneming ter terechtzitting van de niet verschenen Anis Z. en Hatim R.. 4.8 Verdachten hebben hun voorlopige hechtenis moeten ondergaan op de Terroristten Afdelingen van de PI De Schie en de PI Vught (hierna: TA). Dit vloeit voort uit de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden waarin is bepaald dat in beginsel iedereen die wordt verdacht van of veroordeeld is voor terroristische misdrijven wordt geplaatst op een daarvoor speciaal bestemde TA met een zeer strikt regime. Gedurende de terechtzittingen hebben de verdachten en hun raadslieden bij herhaling zowel deze automatische plaatsing als de zwaarte van het regime bekritiseerd, in het bijzonder de visitaties waaraan de verdachten telkenmale worden onderworpen. Na enkele maanden hebben de raadslieden deze gang van zaken – tot nu toe zonder succes – aangevochten bij de selectiefunctionaris, de klachtencommissie en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming. 4.9 De rechtbank heeft steeds benadrukt dat zij oog heeft voor deze bezwaren, maar niet in de positie is de beleidsregel opzij te zetten dan wel aanwijzingen te geven betreffende het detentieregime. Wel heeft zij het Openbaar Ministerie verzocht na te gaan of aan de bezwaren van de verdachten zo veel mogelijk kon worden tegemoet gekomen. Ook het Openbaar Ministerie heeft er blijk van gegeven begrip te hebben voor de bezwaren van de verdachten, met name voor wat betreft de visitaties. Maar ook het Openbaar Ministerie is niet in de positie om de beleidsregels te veranderen en evenmin verantwoordelijk voor het regime dat in een TA geldt. Mede op aandringen van het Openbaar Ministerie heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een werkgroep in het leven geroepen om onderzoek te doen naar deze problematiek en - zo mogelijk - gelijkwaardige alternatieven en oplossingen aan te dragen. Inmiddels heeft de Staatssecretaris bij brief d.d. 3 juli 2015 de Tweede Kamer laten weten dat hij het noodzakelijk vindt om meer maatwerk mogelijk te maken dan thans het geval is. 4.10 De rechtbank merkt hierbij wel op dat (strakke handhaving van) de regels ten aanzien van gedetineerden op een TA geen schending oplevert van het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank voegt hier aan toe dat de duur en de zwaarte van de detentie wel factoren zijn die een rol spelen bij de afweging tussen enerzijds de persoonlijke belangen van verdachten en anderzijds het strafvorderlijk belang. Het onderzoek door de rechter-commissaris 4.11 De rechtbank heeft de regie van het onderzoek door de rechter-commissaris aan de rechter-commissaris overgelaten. Het onderzoek werd daartoe telkens (open) terugverwezen naar de rechter-commissaris ter verrichting van datgene wat deze in het belang van het onderzoek noodzakelijk of anderszins nuttig en wenselijk achtte. De rechtbank fungeerde hierbij als een beroepsinstantie, welke besliste over door de rechter-commissaris afgewezen en niettemin bij de verdediging nog bestaande onderzoekswensen. 4.12 De rechter-commissaris heeft in alle zaken ruim 50 getuigen in Nederland en Engeland gehoord. De raadslieden zijn in de gelegenheid gesteld om bij al deze verhoren aanwezig te zijn. De rechtbank zal in hoofdstuk 14 nader ingaan op Getuige 1, die zowel door de rechter-commissaris als de rechtbank ter terechtzitting is gehoord. 4.13 Door enkele raadslieden is verzocht om een reeks getuigen te horen die op dat moment in Syrië verbleven. Deze verzoeken zijn door de rechter-commissaris toegewezen. De rechter-commissaris achtte het echter praktisch onmogelijk deze getuigen te horen. De verdediging heeft de rechtbank vervolgens verzocht de rechter-commissaris opdracht te geven om hier meer moeite voor te doen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen omdat zij het illusoir achtte dat de getuigen, die zich naar alle waarschijnlijkheid in een oorlogsgebied bevinden, zouden kunnen worden gehoord en er geen garanties waren dat een televerhoor op een verantwoorde wijze zou kunnen plaatsvinden. De rechter-commissaris kon ook drie toegewezen en in België woonachtige getuigen niet horen, te weten Getuige 2, Getuige 3 en Getuige 4. Getuige 2 weigerde mee te werken aan een verhoor, Getuige 4 werd niet aangetroffen op het in België bekende adres en Getuige 3 kon door de Belgische autoriteiten niet worden opgeroepen voor verhoor. De (getuige-)deskundigen 4.14 Dr. Martijn de Koning, cultureel antropoloog, is in deze zaak benoemd als deskundige en gehoord als getuige. Hij heeft gepubliceerd over activisme onder moslims, salafistische moslims in Nederland, islamofobie en het beleid aangaande moslims en islam. Hij onderzocht hoe in de periode 2009-2013 het activisme van verschillende da’wah-netwerken in Nederland, waar een aantal verdachten een belangrijke rol in speelden, zich verhield tot de aandacht en de praktijken van overheid en media. Gedurende het onderzoek werd gebruik gemaakt van interviews, offline en online observaties, Facebookdiscussies en chats en talloze informele gesprekken met activisten en andere betrokkenen. De Koning trok in het kader van zijn onderzoek zoveel mogelijk op met de activisten, waaronder een aantal verdachten, en onderhield goede zakelijke contacten met hen. Het onderzoek resulteerde in het rapport ‘Eilanden in een zee van ongeloof’, dat werd gepubliceerd in december 2014. De Koning heeft naar aanleiding van vragen van de raadslieden in mei 2015 een uitgebreide toelichting op dit onderzoek geschreven. Vervolgens is hij gedurende twee volle dagen door de rechter-commissaris verhoord. Ook zijn verhoor ter terechtzitting nam twee volle dagen in beslag. 4.15 De rechtbank beschouwt De Koning als een buitengewoon waardevolle getuige-deskundige. Hij is vanwege zijn beroep een professionele waarnemer, beschikt over een grote kennis van stromingen binnen de islam, meer in het bijzonder het salafisme, en stond gedurende een lange periode in nauw contact met veel verdachten. Hij heeft de rechtbank dan ook veel over hen en hun gedachtegoed kunnen vertellen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om te twijfelen aan zijn deskundigheid, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank dat er geen aanwijzingen zijn dat een te geringe distantie tussen hem en de verdachten afbreuk zou hebben gedaan aan de waarde van zijn waarnemingen en verklaringen. Als getuige heeft hij alle vragen over de verdachten beantwoord. Dit laat uiteraard oververlet dat ook hij niet alles over de verdachten heeft geweten. De rechtbank merkt verder op dat De Koning geen strafrechtdeskundige is en dat daarom slechts beperkte betekenis toekomt aan zijn oordelen over het mogelijk opruiend karakter van bepaalde uitlatingen van verdachten. 4.16 Daarnaast is prof. dr. Peters, emeritus hoogleraar voor het recht van de islam en het Midden-Oosten, op vordering van het Openbaar Ministerie in een laat stadium door de rechter-commissaris als deskundige benoemd. Hem is gevraagd zich uit te laten over al dan niet opruiende teksten, afbeeldingen en films van verdachten. Hierover heeft hij in korte tijd twee rapporten geschreven. Ook prof. dr. Peters is door de rechtbank ter terechtzitting gehoord. De rechtbank stelt vast dat Peters deskundig is op het gebied van de islam en dat hem gevraagd is vanuit die expertise bepaalde uitlatingen van verdachten te duiden. Hij is echter geen expert op het gebied van (de EVRM-jurisprudentie betreffende) uitingsdelicten. 4.17 Tot slot is em. prof. dr. Van Koningsveld, islamoloog, benoemd als deskundige. Hij heeft een kort en helder rapport geschreven naar aanleiding van vragen van enkele raadslieden. Het onderzoek ter terechtzitting 4.18 Pro-forma zittingen vonden plaats op 29 september 2014 (in de zaak tegen Oussama C. ), 1 december 2014 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H. en Hicham el O.), 19 februari 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Anis Z. en Hatim R.), 14 april 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Jordi de J. en Hatim R.) en 29 juni 2015 (in de zaken tegen Oussama C. , Azzedine C. , Rudolph H., Jordi de J. en Hatim R.). 4.19 De inhoudelijke behandeling heeft gedurende tien weken plaatsgevonden op (vrijwel) elke maandag, dinsdag en donderdag. Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van:  7, 8 7, 8 en 10 september 2015: verhoor (getuige-)deskundigen De Koning en Peters  7, 8 14 en 15 september 2015 en 8 oktober 2015: verhoor Rudolph H.  7, 8 17 september 2015: verhoor Hicham el O. en verhoor Getuige 1  7, 8 21, 22, 24 en 28 september 2015: verhoor Azzedine C.  7, 8 29 september 2015 en 1 en 5 oktober 2015: verhoor Oussama C.  7, 8 5 oktober 2015: verhoor Imane B.  7, 8 6 oktober 2015: behandeling Anis Z. en Hatim R.  7, 8 8 oktober 2015: verhoor Moussa L.  7, 8 15 oktober 2015: verhoor Jordi de J. (deels achter gesloten deuren)  7, 8 19 en 20 oktober 2015: requisitoir Openbaar Ministerie  7, 8 26, 27 en 29 oktober 2015 en 2 november 2015: pleidooien raadslieden  7, 8 6 november 2015: repliek Openbaar Ministerie  7, 8 10 november 2015: dupliek raadslieden en laatste woord van de verdachten  7, 8 26 november 2015: formele sluiting van het onderzoek 4.20 De zaken zijn niet gevoegd behandeld. De behandeling vond deels gelijktijdig (gedurende de verhoren van De Koning en Peters, het requisitoir en de repliek) en deels apart (gedurende de verhoren van de verdachten afzonderlijk, de pleidooien en de duplieken) plaats. Het verhoor van de Getuige 1 vond gelijktijdig plaats in de zaken van de verdachten Azzedine C. , Oussama C. en Jordi de J.. De raadslieden zijn in de gelegenheid gesteld om aanwezig te zijn bij de verhoren van alle verdachten. Ook hebben zij zich in hun eigen pleidooi kunnen aansluiten bij de pleidooien van de andere raadslieden. Voor een spoedige behandeling hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging op verzoek van de rechtbank niet letterlijk geciteerd uit jurisprudentie en literatuur, maar daarnaar zoveel mogelijk verwezen of deze opgenomen in bijlagen. 4.21 Voorafgaand aan deze zittingen is geregeld gebruik gemaakt van correspondentie per mail voor een snelle uitwisseling van stukken en standpunten. Daarbij heeft regelmatig informeel (agenda-)overleg plaatsgevonden tussen de voorzitter, vergezeld door een van de griffiers, de officieren van justitie en de raadslieden. Alle partijen zijn telkens op de hoogte gebracht van de inhoud van dit overleg. Deze gang van zaken heeft bijgedragen aan een efficiënte behandeling ter terechtzitting. 4.22 De verdachten Azzedine C. , Rudolph H. en Oussama C. hebben voorafgaand aan hun verhoor uitgebreide schriftelijke stukken ingediend met hun zienswijze op het dossier. Azzedine C. en Rudolph H. hebben bovendien na het requisitoir daarop uitgebreid schriftelijk gereageerd. De stukken van Azzedine C. bedroegen tezamen ongeveer 400 pagina’s, het stuk van Rudolph H. ruim 600 pagina’s en het stuk van Oussama C. 50 pagina’s. De rechtbank heeft deze stukken in alle strafdossiers gevoegd. De strafeisen van het Openbaar Ministerie 4.23 De officieren van justitie hebben geconcludeerd tot gedeeltelijke bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten en gevorderd dat aan verdachten de volgende gevangenisstraffen zullen worden opgelegd, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 4.24 De officieren van justitie hebben ten aanzien van Imane B. gevorderd een bewezenverklaring van veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie eisen, gezien haar grote rol in de opruiing, maar haar kleinere rol in de organisatie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaren, alsmede een bevel gevangenneming bij einduitspraak. 4.25 De officieren van justitie achten bewezen dat Oussama C. zich schuldig heeft gemaakt aan het ronselen van één persoon, veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal ten behoeve van opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie vorderen, gezien zijn substantiële rol als ideologische motor in de organisatie, het feit dat hij minder lang heeft deelgenomen aan de organisatie en zijn relatief jonge leeftijd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. 4.26 De officieren van justitie hebben gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat Azzedine C. heeft begaan: veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal dat opruiing met terroristisch oogmerk tot doel had, haatzaaiing jegens cq. belediging van een bevolkingsgroep, smaadschrift jegens een politieambtenaar en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens het Openbaar Ministerie was Azzedine C. leider van de organisatie, vervulde hij een aanjagende rol en was hij bij de meeste activiteiten betrokken (al dan niet als initiatiefnemer). De officieren van justitie hebben gevorderd dat aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren zal worden opgelegd. 4.27 De officieren van justitie komen voor Rudolph H. tot een bewezenverklaring van veelvuldige opruiing met terroristisch oogmerk, het in voorraad hebben van materiaal dat opruiing met terroristisch oogmerk tot doel had en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Het Openbaar Ministerie heeft, gelet op zijn centrale rol in de opruiing en langdurige deelname aan de organisatie, geconcludeerd tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren. 4.28 Bij verdachte Jordi de J. komen de officieren van justitie tot een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven ex art 134a Sr en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens de officieren van justitie heeft Jordi de J. gedurende twee kortere periodes deelgenomen aan de organisatie, is hij daadwerkelijk afgereisd naar het strijdgebied om zichzelf te trainen voor de strijd, neemt hij hierover een leugenachtige houding aan op zitting en is hij verminderd toerekeningsvatbaar. Zij vorderen de gevangenisstraf voor een aanzienlijk deel voorwaardelijk op te leggen, mede omdat op deze wijze uitvoering kan worden gegeven aan het uitgebreide behandelplan van de reclassering. Zij concluderen tot een gevangenisstraf van drie jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en het NIFP, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak. 4.29 De officieren van justitie achten bewezen dat Moussa L. zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing met terroristisch oogmerk, bedreiging van een verbalisant, belediging van twee verbalisanten en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie wijzen erop dat Moussa L. een lange periode in een meelopersrol heeft deelgenomen aan de organisatie. Zij vinden de boosheid van Moussa L. zeer zorgwekkend en hechten er daarom - ondanks dat dit niet is geadviseerd door de reclassering - grote waarde aan dat Moussa L. een behandeling krijgt voor het leren reguleren van zijn woede en daarbij begeleid zal worden door de reclassering. Zij vorderen 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde het opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt behandeling voor eventuele regulering van woede en agressie, alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak. 4.30 De officieren van justitie komen bij Hicham el O. tot een bewezenverklaring van samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven en deelname aan de omschreven criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie concluderen, gezien zijn deelname aan de gewapende strijd, korte dienstbaarheid aan de organisatie als schakel tussen Nederland en Syrië en schofferende houding ter terechtzitting, tot een gevangenisstraf van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering alsmede opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak. 4.31 De officieren van justitie achten bewezen dat Hatim R. zich schuldig heeft gemaakt aan samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven, opruiing met terroristisch oogmerk en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. De officieren van justitie vorderen, gelet op zijn langdurige periode van deelname aan de gewelddadige jihadstrijd, opruiing (ook tegen het Westen) en het feit hij een belangrijke schakel is geweest in de organisatie tussen Syrië en Nederland, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren. 4.32 De officieren van justitie hebben ten aanzien van Anis Z. gevorderd een bewezenverklaring van samenspanning tot en voorbereidings- en bevorderingshandelingen ten behoeve van het plegen van terroristische misdrijven en deelname aan de criminele en terroristische organisatie. Volgens de officieren van justitie heeft hij gedurende een langdurige periode deelgenomen aan de gewelddadige jihadstrijd, ook binnen de ten laste gelegde periode, en gedurende een kortere periode een beperktere rol in de organisatie gespeeld. Zij concluderen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren. 5Rechercheren op het internet (Facebook en Twitter)Inleiding 5.1 Facebook is een sociaal netwerk op het internet. Een gebruiker van Facebook kan op zijn account (ook wel pagina genoemd) informatie over zichzelf kwijt en hij of zij kan daarop berichten, foto’s en video’s plaatsen. De gebruiker kan ook de informatie die andere gebruikers van Facebook op hun accounts plaatsen, delen. Van de informatie op een (deels) openbare Facebookpagina kan iedereen kennis nemen, ook personen die zelf geen Facebookaccount hebben. De informatie op een (deels) besloten Facebookpagina is alleen toegankelijk voor personen die zelf ook een Facebookaccount hebben en die een verzoek van de gebruiker van die pagina om ‘vriend’ te worden hebben geaccepteerd of die, na een eigen verzoek aan die gebruiker om ‘vriend’ te mogen worden, als zodanig zijn ‘toegelaten’. Voor gebruikers van Facebook is zichtbaar of een Facebookpagina, of een deel daarvan, besloten is. Als een Facebookpagina (deels) geheim is, is de informatie op die pagina alleen toegankelijk voor personen die door de gebruiker/beheerder van die pagina zijn benaderd en die zijn ingegaan op een verzoek van die gebruiker/beheerder om ‘vriend’ te worden. Het bestaan van een (deels) geheime Facebookpagina is voor gebruikers van Facebook (die geen ‘vriend’ zijn van die pagina) niet zichtbaar. 5.2 Twitter is een communicatiemedium op het internet. Gebruikers kunnen met gebruikmaking van een eigen account per bericht (‘tweet’) van maximaal 140 tekens aan de wereld kwijt wat ze bezig houdt, wat hen is opgevallen en ze kunnen feiten of nieuwsberichten delen. Gebruikers van Twitter kunnen ook berichten van anderen doorsturen (‘retweeten’). Het totaal van de door een gebruiker verstuurde en gedeelde berichten vormt een soort ‘mini-blog’ (Twitterpagina). Twitterpagina’s kunnen door een ieder die dat wenst, bezocht worden; een eigen Twitteraccount is daarvoor niet nodig. 5.3 Azzedine C. , Oussama C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. maakten gebruik van social media. Ze hadden of beheerden één of meer Facebookpagina’s. Azzedine C. was ook lid van Facebookpagina Werkgroep Shaam. Azzedine C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. hadden ook één of meer Twitteraccounts. 5.4 In het kader van het onderzoek heeft de politie de berichtgeving op social media van (voor zover hier van belang) Azzedine C. , Oussama C. , Rudolph H., Imane B., Moussa L. en Hatim R. gemonitord. 5.5. Om een betere informatiepositie op Facebook te kunnen verkrijgen en, meer in het bijzonder, om de contacten van de verschillende verdachten en hun specifieke uitingen in beeld te krijgen, heeft de politie op 5 juni 2013 een Facebookaccount aangemaakt op naam van Aboe Noewas. In de periode van 21 juni 2013 tot 1 september 2014 zijn op deze Facebookpagina door de politie op vrijwel iedere doordeweekse dag berichten, foto’s en video’s geplaatst. Deze informatie werd ‘openbaar’ gedeeld. Door de politie is, met hetzelfde doel, ook een pagina aangemaakt op naam van Ab Bashir. Deze pagina heeft bestaan van 6 april 2014 tot en met 19 augustus 2014.5.6. Op 7 september 2013 heeft Aboe Noewas een bericht gestuurd naar één van de Facebookpagina’s van Azzedine C. teneinde te kunnen achterhalen waar in die periode door Azzedine C. en anderen gevoetbald werd. 5.7. Aboe Noewas heeft ook vriendschapsverzoeken verstuurd naar de Facebookpagina‘s van Moussa L., Oussama C. , Azzedine C. en Rudolph H., althans de pagina’s die door hen werden beheerd. Moussa L. heeft op 1 juli 2013 een vriendschapsverzoek van Aboe Noewas gehonoreerd en Oussama C. op 9 mei 2014. Azzedine C. (die meerdere Facebookpagina’s had) is op 11 juni 2014 en op 20 juni 2014 ‘vriend’ geworden van Aboe Noewas. Eerdere vriendschapsverzoeken van Aboe Noewas (in december 2013 en op 13 mei 2014) had Azzedine C. afgewezen. Rudolph H. is ook ingegaan op een vriendschapsverzoek van Aboe Noewas, maar door de politie kon niet meer achterhaald worden wanneer hij dit heeft gedaan. 5.8 Op 25 april 2014 heeft Azzedine C. het Facebookprofiel van Ab Bashir toegevoegd aan het Facebookprofiel van Werkgroep Shaam. 5.9 Vanaf december 2013 tot 1 september 2014 heeft de politie, meerdere keren per week, (een gedeelte van) de berichtgeving op de hiervoor genoemde Facebookpagina’s en Twitteraccounts veiliggesteld door een kopie van deze berichtgeving te maken en deze op te slaan. 5.10 De veiliggestelde (delen van
  14. de)persoonlijke Facebookpagina’s van Azzedine C. , Oussama C. en Hatim R. en de Facebookpagina’s van Shaam al-Ghareeba en Radio Ghuraaba waren openbaar toegankelijk. Van de persoonlijke Facebookpagina van Moussa L. kon dit, achteraf, niet meer worden vastgesteld. De Facebookpagina van Werkgroep Shaam betrof een geheime pagina. 5.11 Aan de hiervoor geschetste recherche op het internet lag een aantal bevelen ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag:  in de zaak van Azzedine C. : een bevel voor de periode van 13 juni 2013 tot en met 10 september 2013 en een bevel voor de periode van 25 april 2014 tot en met 23 juli 2014;  in de zaak van Oussama C. : voor de periode van 1 mei 2014 tot en met 31 juli 2014 en  in de zaak van Rudolph H. : voor de periode van 12 mei 2014 tot en met 9 augustus 2014. 5.12 De verdediging van Oussama C. , Imane B.en Moussa L. heeft de officieren van justitie in het voorjaar van 2015 verzocht inzicht te verstrekken in de opsporingsactiviteiten die zijn verricht op het internet. De officieren van justitie hebben in reactie hierop informatie verstrekt, maar zij hebben niet alles meer kunnen achterhalen. Vormverzuim bestaande uit stelselmatige informatie-inwinning zonder bevelen (ex artikel 126j Sv)? 5.13 Door de verdediging van Azzedine C. , Oussama C. , Imane B.en Moussa L. is aangevoerd dat zich in het opsporingsonderzoek op het internet vormverzuimen hebben voorgedaan. Dit onderzoek had, aldus de verdediging, in zijn geheel met bevelen ex artikel 126j Sv (of bevelen op een andere grondslag) gedekt moeten zijn; er is volgens de verdediging een meer dan beperkte inbreuk gemaakt op de grondrechten van verdachten en de methode van onderzoek is naar zijn aard zeer Risicovol voor de integriteit en de beheer Betrokkeneheid van de opsporing. Gezien de aard van dit verzuim moet hieraan volgens de verdediging door de rechtbank een consequentie worden verbonden. De consequentie die de verdediging van Oussama C. , Imane B.en Moussa L. voorstaat is bewijsuitsluiting, terwijl de verdediging van Azzedine C. heeft bepleit dat niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie gerechtvaardigd is en, als daartoe niet wordt beslist, bewijsuitsluiting dan wel strafvermindering. De verdediging van Rudolph H. heeft zich bij het betoog van de verdediging van Azzedine C. , Oussama C. , Imane B.en Moussa L. aangesloten. De rechtbank zal dit verweer, ambtshalve, ook in de zaak van Hatim R. aan een beoordeling onderwerpen. 5.14 In reactie op dit verweer hebben de officieren van justitie naar voren gebracht dat artikel 3 van de Politiewet een voldoende wettelijke grondslag vormt voor de opsporingsactiviteiten van de politie in die periodes waarin er geen bevelen ex artikel 126j Sv voorhanden waren. 5.15 De rechtbank overweegt als volgt. Doorslaggevend bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een opsporingsmethode zoals in deze zaak is gehanteerd door de politie is in welke mate de inzet van die methode inbreuk maakt op het recht van een verdachte op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Is sprake van een niet meer dan geringe inbreuk (waarbij het moment van inzet van het opsporingsmiddel leidend is, niet de resultaten) of bergt de gebruikte opsporingsmethode geen bijzondere Risico’svoor de integriteit en de betrokkenheid van de opsporing in zich, dan biedt artikel 3 van de Politiewet een toereikende wettelijke grondslag voor het inzetten van de bewuste opsporingsmethode. Is dit niet het geval, dan moet de politie aan de officier van justitie vragen bijvoorbeeld (maar dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval) een bevel ex artikel 126j Sv af te geven. 5.16 Het is in zaken betreffende het hanteren van de opsporingsmethode van observatie (op de voet van artikel 126g Sv) vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat voor de beantwoording van de vraag of er bij het hanteren van die methode sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte – onder meer – de volgende omstandigheden bepalend zijn: de duur, de intensiteit, de plaats(
  15. en)van observatie, het doel van de observaties en de wijze waarop zij hebben plaatsgevonden (de overlast in de zin van indringendheid) en – voor wat betreft de vraag of voortduring van de observaties gerechtvaardigd is – de graad van verdenking. Van belang is of de methode geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. 5.17 In de rechtspraak van de Hoge Raad over de reikwijdte van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wordt als maatstaf aangehouden dat in het openbaar verrichte observaties alleen dan een inbreuk op dat artikel opleveren, indien zij betrekking hebben op situaties waarin, naar moet worden aangenomen, de betrokkenen onbevangen zichzelf willen zijn. 5.18 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) uit 2000 wordt het volgende vermeld (in relatie tot de opsporingsmethode van observatie): Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een dergelijke vorm van observatie is een aantal elementen van belang: de duur, de plaats, de intensiteit of frequentie en het al dan niet toepassen van een technisch hulpmiddel dat méér biedt dan alleen versterking van de zintuigen. Ieder voor zich, maar met name in combinatie, zijn deze elementen bepalend voor de vraag of een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van iemands leven wordt verkregen. Naarmate de observatie langer plaatsvindt, de plaats waar de te observeren persoon zich bevindt intiemer is, de intensiteit of frequentie waarmee geobserveerd wordt groter is, dan wel een technisch hulpmiddel dat wordt ingezet meer mogelijkheden biedt, is de kans groter dat een dergelijk beeld wordt verkregen (…). Van stelselmatige observatie kan sprake zijn bij zowel langdurige als kortstondige vormen van observatie. Bepalend is dat de observatie tot resultaat kan hebben het in beeld brengen van een bepaald aspect van iemands leven. Een normale surveillance zal geen vorm van stelselmatige observatie zijn. Ook het oppervlakkig in de gaten houden van bijvoorbeeld een groep jongeren zal doorgaans geen stelselmatige observatie zijn. Wanneer echter een persoon intensief of frequent wordt gevolgd, zal wel sprake zijn van stelselmatige observatie. 5.19 Over de opsporingsmethode van het stelselmatig inwinnen van informatie (artikel 126j Sv) is in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) uit 2000 het volgende te vinden: Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren. Gelet op de stelselmatigheid waarmee dit kan gebeuren, kan deze bevoegdheid een inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. 5.20 In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet in verband met nieuwe ontwikkelingen in de informatietechnologie (computercriminaliteit II) wordt over het stelselmatig inwinnen van informatie op de voet van artikel 126j Sv voorts nog het volgende vermeld: Denkbaar is dat dit de vorm aanneemt van het stelselmatig inwinnen van informatie in een nieuwsgroep op Internet waaraan ook de verdachte deelneemt, zonder dat de deelnemers aan de nieuwsgroep weten dat zich onder hen een opsporingsambtenaar bevindt (…). Hierbij gaat het overigens alleen om het door de ambtenaar actief deelnemen aan de nieuwsgroep, doordat hij of zij zelf berichten post en aldus tracht van anderen informatie los te krijgen; het slechts rondkijken in een nieuwsgroep en lezen wat voor een ieder toegankelijk is, is zoals eerder aangegeven zonder meer geoorloofd. 5.21 In dezelfde memorie van toelichting heeft de Minister van Justitie naar voren gebracht dat een opsporingsambtenaar op grond van artikel 2 van de Politiewet 1993 ‘als ieder ander kan rondkijken in de digitale wereld en kennis kan nemen van de voor een ieder raadpleegbare informatie. (…) Zoals de politie, al dan niet in burger, op straat mag surveilleren en rondkijken, zo mag een rechercheur vanachter zijn computer hetzelfde doen op internet. Een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is daarvoor niet nodig’. Daarbij wordt door de Minister opgemerkt dat deze bevoegdheid om rond te kijken op een openbaar netwerk niet de bevoegdheid impliceert om stelselmatig voor de uitoefening van de politietaak gegevens van internet te downloaden en in een politieregister op te slaan. 5.22 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat er een grote mate van overeenstemming bestaat tussen de opsporingsmethode van observatie en die van het inwinnen van informatie. Het is hierom dat de rechtbank de in de wetgeschiedenis en de rechtspraak van de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunten voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporingsmethode van observatie ook toepasbaar acht bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporingsmethode van het inwinnen van informatie. 5.23 Toegespitst op de onderhavige zaak overweegt de rechtbank voorts als volgt. 5.24 De rechtbank stelt voorop dat wanneer zich in het onderzoek naar de verrichtingen van één van de verdachten op social media een vormverzuim zou voordoen, dit niet de belangen van de andere verdachten raakt. In zoverre is er dan ook geen reden om in de zaak van die verdachten aan dat specifieke verzuim enig rechtsgevolg te verbinden (Schutznorm). 5.25 De rechtbank constateert vervolgens dat een groot deel van de in het dossier aanwezige berichtgeving op social media is veiliggesteld en opgeslagen in een periode waarin geen bevel of bevelen ex artikel 126j Sv voorhanden was/waren. De rechtbank is, indachtig de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis en rechtspraak, van oordeel dat genoemde activiteiten echter wél met dergelijke bevelen gedekt hadden moeten zijn omdat deze moeten worden aangemerkt als het stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachten die het aangaat. Daartoe is het navolgende redengevend. 5.26 Door de activiteiten van de verschillende verdachten op (verschillende vormen van) social media gedurende langere periodes te volgen, te bekijken en veilig te stellen werd niet alleen zicht verkregen op het persoonlijke leven van de verdachten, maar ook op (verbanden tussen) hun contacten en de inhoud van die contacten in relatie tot de verdenking (in veel gevallen het ‘ronselen’ voor de gewapende jihadstrijd in Syrië). Ook werd zicht verkregen op het verleden; een Facebookpagina en een Twitteraccount zijn immers niet ‘statisch’. Ze bevatten niet alleen informatie van ‘nu’; ook in het verleden geplaatste berichten (en dat kan ver in de tijd teruggaan) zijn toegankelijk. Op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een vormverzuim. Van belang is verder het volgende. 5.27 Het politie-account Aboe Noewas is aangemaakt op een moment waarop geen bevelen ex artikel 126j Sv van kracht waren. In de periode dat zijn account actief was, plaatste Aboe Noewas vrijwel dagelijks informatie op zijn Facebookpagina met als doel de aandacht van de verdachten in het onderzoek te trekken (opdat zij zouden reageren door, bijvoorbeeld, vriendschapsverzoeken te sturen of vriendschapsverzoeken van Aboe Noewas te honoreren). Voor de verdachten en hun omgeving (hun ‘vrienden’ op Facebook en hun volgers op Twitter) was niet zichtbaar dat de politie achter dit account schuilging. De activiteiten van Aboe Noewas werden ook niet geheel door een bevel of bevelen ex artikel 126j Sv gedekt. De rechtbank is van oordeel dat een bevel ex artikel 126j Sv had moeten worden verkregen voor zowel het aanmaken van het account als alle activiteiten van Aboe Noewas. Hierbij heeft de rechtbank het feit dat die activiteiten onder een gefingeerde naam werden verricht alsmede de duur van die activiteiten betrokken. Ook in zoverre is dus sprake van een vormverzuim. 5.28 Voor het Facebookaccount Ab Bashir geldt dat, bij gebreke van informatie hierover, niet kan worden vastgesteld of aan het aanmaken van dat account een bevel ex artikel 126j Sv ten grondslag lag. Het Facebookaccount Ab Bashir is aangemaakt in een Amsterdams onderzoek dat niet was gericht op één van de verdachten. Hierom raakt het mogelijk ontbreken van een bevel ex artikel 126j de verdachten niet. Van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek naar deze verdachten is dus in zoverre geen sprake. 5.29 Op het moment dat het Facebookaccount Ab Bashir aan de Facebookgroep van Werkgroep Shaam (waarvan Azzedine C. medebeheerder was) werd toegevoegd, was er in de zaak van Azzedine C. een bevel ex artikel 126j Sv afgegeven. Dit bevel vormde naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om de (historische) berichtgeving op het Facebookaccount van Werkgroep Shaam te bekijken en veilig te stellen. Aan het toepassen van deze opsporingsmethode zijn naar het oordeel van de rechtbank ook geen bijzondere Risico’svoor de integriteit en betrokkenheid van de opsporing verbonden; dat niet duidelijk was wie er achter het account Ab Bashir schuilging, is onvoldoende om dit aan te nemen. Van een vormverzuim is dus ook op dit punt geen sprake. 5.30 De wel geconstateerde vormverzuimen kunnen niet meer worden hersteld. De vraag die vervolgens moet worden beantwoord is of er aanleiding bestaat om aan het bestaan van genoemde vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. De rechtbank overweegt hierover in algemene zin als volgt. 5.31 Als er sprake is van een vormverzuim dat niet herstelbaar is, moet de rechtbank, als de rechtsgevolgen van het verzuim niet uit de wet blijken, beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient zij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten:
  16. a)het belang dat het geschonden voorschrift dient,
  17. b)de ernst van het verzuim, waarbij de omstandigheden van belang zijn waaronder het verzuim is begaan en ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim en
  18. c)het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. 5.32 Van belang is voorts dat een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv niet steeds behoeft te leiden tot een van de daar omschreven rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Van niet-ontvankelijkheid kan slechts sprake zijn indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Bewijsuitsluiting kan aan de orde komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt slechts in aanmerking indien dit noodzakelijk is ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, er een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden of er sprake is van een situatie waarin naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen. Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat:
  19. a)de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden,
  20. b)dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim,
  21. c)het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en
  22. d)strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. 5.33 Het geschonden voorschrift beoogt het privacy-belang, zoals ook verankerd in artikel 8 EVRM, van de verdachten die door de vormverzuimen zijn geraakt, te beschermen. 5.34 Ten aanzien van de ernst van de verzuimen (de inbreuk op de privacy) en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt oordeelt de rechtbank dat relativering op zijn plaats is. Het gaat in deze om het inwinnen van informatie in de digitale wereld. De verzamelde gegevens waren publiekelijk toegankelijk. Het betreft dus een andere (en minder ernstige) situatie dan de situatie waarin informatie wordt verzameld in een afgesloten ‘ruimte’ (bijvoorbeeld een woning). Van belang in dit verband is ook dat verdachten hun Facebookpagina’s met name gebruikten om uit te dragen waar zij voor stonden, voor hun boodschap; het was hen er juist om te doen dat anderen kennis namen van de inhoud van hun pagina’s. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat er in het onderzoek tegen de verdachten goede gronden waren om tot stelselmatige informatie-inwinning over te gaan, zodat geen sprake is geweest van een inbreuk op de privacy van verdachten waarvoor geen inhoudelijke rechtvaardiging bestond; als de politie aan de officieren van justitie had gevraagd om bevelen ex artikel 126j Sv af te geven, dan zouden deze zonder enige twijfel zijn verstrekt. Van belang is ook dat waar tot meer indringende vormen van het inwinnen van informatie is overgegaan, zoals het versturen van vriendschapsverzoeken (waarmee toegang kon worden verkregen tot de, waar van toepassing, afgeschermde gedeeltes van de Facebookpagina’s), deze activiteiten wél werd gedekt door bevelen ex artikel 126j Sv. Hierop geldt één uitzondering, namelijk het Facebookaccount van Moussa L., maar dit gegeven alleen brengt geen wijziging in het oordeel van de rechtbank. Ten slotte merkt de rechtbank nog op dat de geconstateerde vormverzuimen er niet toe hebben geleid dat de opsporingsactiviteiten niet of slechts beperkt controleerbaar zijn geweest doordat zij achter de rug van de officieren van justitie plaatsvonden en doordat als gevolg daarvan behoorlijke verslaglegging ontbrak. Weliswaar valt op die verslaglegging, zoals de rechtbank hierna nog zal overwegen, wel het een en ander aan te merken, maar hieraan behoeft, wat de rechtbank betreft, geen gevolg te worden verbonden. 5.35 Gelet op al het voorgaande ziet de rechtbank, in het licht van de door de Hoge Raad geformuleerde criteria ten aanzien van de toepassing van de diverse mogelijke rechtsgevolgen, geen aanleiding om aan de geconstateerde onherstelbare vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. Zij volstaat met de enkele constatering van het verzuim. Overige verweren ten aanzien van mogelijke vormverzuimen 5.36 De verdediging van Azzedine C. heeft betoogd dat zich in het opsporingsonderzoek op het internet nog een aantal vormverzuimen heeft voorgedaan. Het gaat volgens de verdediging om het volgende:
  23. a)door toedoen van de politie is niet meer na te gaan of de uitingen (op social media) die aan Azzedine C. zijn ten laste gelegd, niet oorspronkelijk van de politie, meer specifiek van de Facebookpagina’s op naam van Aboe Noewas en Ab Bashir, afkomstig waren (en dus of er sprake is geweest van uitlokking);
  24. b)Aboe Noewas en Ab Bashir hebben zich, zonder wettelijke grondslag, schuldig gemaakt, aan opruiing;
  25. c)de officieren van justitie hebben onvoldoende openheid van zaken betracht over het handelen van Aboe Noewas en Ab Bashir;
  26. d)de officieren van justitie zijn een deel van de relevante stukken over de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir kwijtgeraakt, althans zij weigeren deze te verstrekken. Ook aan deze vormverzuimen, althans aan de combinatie daarvan, moet volgens de verdediging van Azzedine C. een rechtsgevolg worden verbonden; is het niet niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, dan minst genomen bewijsuitsluiting en, in het uiterste geval, strafvermindering. 5.37 Ten aanzien van het gestelde onder (
  27. a)overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat de verdediging meent dat de verbaliseringsplicht is geschonden. Wat de Facebookpagina van Aboe Noewas betreft, moet worden vastgesteld dat de politie niet (meer) in staat is gebleken alle berichten die op die pagina zijn geplaatst, terug te halen; slechts een deel is aan het dossier toegevoegd. In zoverre is dus wel sprake van een vormverzuim en dit verzuim kan ook niet meer worden hersteld. De informatie die in het dossier is neergelegd over het Facebookaccount Ab Bashir is onvolledig. Ook in zoverre is dus sprake van een vormverzuim dat onherstelbaar is. 5.38 De rechtbank ziet echter geen aanleiding om aan deze vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. Door Azzedine C. is tijdens de bespreking ter terechtzitting van de aan hem verweten uitingen op social media op geen enkel moment gezegd dat één of meerdere van die uitingen afkomstig waren van de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir. Uit hetgeen over de aan Azzedine C. ten laste gelegde uitingen bekend is, volgt dat ook niet. 5.39 Ten aanzien van het gestelde onder (
  28. b)overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat betoogd wordt dat de activiteiten van Aboe Noewas en Ab Bashir, voor zover het gaat om het plaatsen van berichten op hun Facebookpagina’s, gedekt hadden moet zijn door een bevel ex artikel 126h Sv (bevel tot infiltratie). Kenmerkend voor infiltratie is dat het Risicobestaat dat de infiltrerende opsporingsambtenaar een strafbaar feit of strafbare feiten begaat; als het daarvan komt, was dat dus de bedoeling. Evident is dat aan het plaatsen van berichten op de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir niet een dergelijke bedoeling ten grondslag lag. In zoverre faalt het verweer, waarbij de rechtbank nog wijst op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, te weten dat uit niets is gebleken dat één of meer van de aan Azzedine C. ten laste gelegde uitingen op social media hun oorsprong vinden in de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir. Overigens merkt de rechtbank ook nog op dat de uitingen die zijn gedaan op de Facebookpagina’s van Aboe Noewas en Ab Bashir in deze zaak niet ter beoordeling voorliggen. Van een vormverzuim is dus geen sprake. 5.40 Het onder (
  29. c)en (
  30. d)gestelde kan niet worden aangemerkt als vormverzuimen die zich in het voorbereidend onderzoek hebben voorgedaan. De verweren op deze punten falen dus. 6. De ontwikkelingen in Syrië 6.1 Geïnspireerd door soortgelijke ontwikkelingen in andere Arabische landen kwam in het voorjaar van 2011 een groot deel van de bevolking van Syrië vreedzaam in verzet tegen het dictatoriale regime van president Bashar al-Assad. Het regime probeerde de roep om hervormingen met grof geweld de kop in te drukken, maar dit bracht het verzet niet tot zwijgen. Aan het eind van 2011 begon de oppositie zich in reactie op de gewelddadigheden van het regime gewapenderhand te verzetten. Hierbij werden wraakacties uitgevoerd tegen regeringstroepen en wijken in grote steden en gebieden op het platteland veroverd. Het Syrische bewind trad hiertegen met nog hardere hand op. 6.2 Gaandeweg ontwikkelde wat als een vreedzaam protest was begonnen zich tot een gewapende strijd, waarvan vooral de burgerbevolking het slachtoffer was, en uiteindelijk tot een humanitaire ramp. Het aantal doden dat tijdens het conflict in Syrië is gevallen werd in december 2014 geschat op meer dan 200.000. Op dat moment waren al meer dan drie miljoen Syriërs gevlucht naar het buitenland en bedroeg het aantal ontheemden in Syrië meer dan 7,5 miljoen. 6.3 Al kort na het begin van het protest werd het optreden van het regime van president Assad daartegen door een groot deel van de wereldgemeenschap scherp veroordeeld. Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties Ban Ki-moon stelde in de zomer van 2011 vast dat president al-Assad alle legitimiteit had verloren. Westerse staten drongen aan op zijn aftreden en vaardigden sancties uit tegen zijn regime. 6.4 Rapporten van de Independent International Commission of Inquiry on the Syrian Arab Republic van de Human Rights Council van de Verenigde Naties (IICIS), Human Rights Watch (HRW) en Amnesty International (AI) en talloze publicaties van gezaghebbende journalisten laten er geen twijfel over bestaan dat het regime van president Assad zich heeft schuldig gemaakt aan systematische en grootschalige schendingen van mensenrechten en oorlogsmisdaden. De rechtbank citeert hier de samenvatting van het 8e rapport van de IICIS d.d. 13 augustus 2014: Government forces continued to perpetrate massacres and conduct widespread attacks on civilians, systematically committing murder, torture, rape and enforced disappearance amounting to crimes against humanity. Government forces have committed gross violations of human rights and the war crimes of murder, hostage-taking, torture, rape and sexual violence, recruiting and using children in hostilities and targeting civilians. Government forces disregarded the special protection accorded to hospitals and medical and humanitarian personnel. Indiscriminate and disproportionate aerial bombardment and shelling led to mass civilian casualties and spread terror. Government forces used chlorine gas, an illegal weapon. Dit zijn feiten van inmiddels algemene bekendheid. Deze rechtbank heeft in haar vonnis d.d. 1 december 2014 het regime van president Assad vanwege deze feiten abject genoemd. Er is geen enkele reden hiervan iets terug te nemen. 6.5 Naarmate de strijd in Syrië vorderde, nam de invloed van jihadistische groepen hand over hand toe. Islamisme werd de hoofdstroming van de verzetsbeweging. Het doel van deze strijdgroepen was niet alleen - misschien zelfs niet eens in de eerste plaats – het ten val brengen van het regime van Assad, maar ook – of vooral – de vestiging van een streng islamitische staat op het grondgebied van Syrië, waar de door hen voorgestane versie van de sharia zou worden geïmplementeerd. 6.6 De gewapende strijd kreeg hierdoor ook meer en meer een sektarisch karakter: een strijd van soennieten tegen alawieten en sjiieten. 6.7 Er kan ook geen twijfel over bestaan dat de jihadistische strijdgroepen, zoals Jabhat al-Nusra, ISIL (later: ISIS en IS) en andere, zich op grote schaal en systematisch hebben schuldig gemaakt aan gruwelijke misdaden. Ook deze zijn in de talloze betrouwbare perspublicaties en de hierboven genoemde rapporten gedocumenteerd beschreven. De rechtbank citeert ook hier de samenvatting van het rapport van IICIS d.d. 13 augustus 2014: Non-State armed groups, named in the report, committed massacres and war crimes, including murder, execution without due process, torture, hostage-taking, violations of international humanitarian law tantamount to enforced disappearance, rape and sexual violence, recruiting and using children in hostilities and attacking protected objects. Medical and religious personnel and journalists were targeted. Armed groups besieged and indiscriminately shelled civilian neighbourhoods, in some instances spreading terror among civilians through the use of car bombings in civilian areas. Members of the Islamic State of Iraq and Al-Sham (ISIS) committed torture, murder, acts tantamount to enforced disappearance, and forcible displacement as part of an attack on the civilian population in Aleppo and Ar Raqqah governorates, amounting to crimes against humanity. 6.8 De verdediging heeft er bij de rechtbank op aangedrongen vooral niet ‘met de kennis van nu’ te oordelen over wat de verdachten wordt verweten. Zo hebben de raadslieden van Imane B., Oussama C. en Moussa L. aangevoerd dat de door IS gepleegde misdrijven vooral dateren uit de periode daarna en dat berichten daarover Nederland eerst in augustus 2014 hebben bereikt. Dit klopt niet. De rechtbank heeft hierboven geciteerd uit het rapport dat IICIS in augustus 2014 uitbracht. Maar ook in haar eerdere rapporten had IICIS al uitgebreid verslag gedaan van de misdrijven van onder andere de jihadistische strijdgroepen. En ook de versies van het op openbare bronnen gebaseerde kennisdocument van dr. [deskundige Nationale Politie] van augustus 2013, 12 mei 2014 en 1 augustus 2014 geven daarvan een duidelijk beeld. Voor wie ook maar een beetje het nieuws over Syrië volgde en zijn ogen daarvoor niet sloot, moet het al ver voor medio 2014 volstrekt duidelijk zijn geweest dat de jihadistische strijdgroepen systematisch en op grote schaal ernstige misdrijven pleegden. De rechtbank onderschrijft wel dat de door IS vanaf eind augustus 2014 verspreide films van onthoofdingen van westerse journalisten en de berichtgeving over de dreigende genocide op de Yezidi’s omstreeks diezelfde tijd aanzienlijk hebben bijgedragen aan de kennis onder grotere delen van de bevolking over de ideologie en de daden van IS. 6.9 Veel van de hierboven beschreven misdaden van de jihadistische strijdgroepen stonden in geen enkele relatie tot de strijd tegen het leger van president al-Assad, maar kwamen voort uit de godsdienstig gemotiveerde wens van deze groepen hun radicale versie van de sharia op een gewelddadige wijze op te leggen aan de burgerbevolking van de door hen veroverde gebieden. Veel van deze misdaden werden bovendien gepleegd met het uitdrukkelijke doel de bevolking in deze gebieden vrees aan te jagen. Executies, onthoofdingen en kruisigingen vonden daarom bewust in het openbaar plaats. De bevolking werd opgeroepen dan wel gedwongen deze bij te wonen en soms werden video’s hiervan op het internet geplaatst. De IICIS meldt in haar rapport d.d. 12 februari 2014 dat Jabhat al-Nusra en ISIS publiekelijk executies uitvoerden “to assert their presence after taking control of an area and to instil fear among the population.” 6.10 Na het uitbreken van de vijandelijkheden in 2011 kwam al snel een stroom op gang van buitenlandse strijders die zich aansloten bij jihadistische strijdgroepen. Aanvankelijk waren dit vooral jongeren uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika, later ook steeds meer jongeren uit Westerse landen. Syrië werd een jihadistische hotspot. Secretaris Ban Ki-Moon sprak in september 2014 over meer dan 13.000 buitenlandse strijders uit meer dan 80 landen die zich hadden aangesloten bij Jabhat al-Nusra en IS. De eerste Nederlanders vertrokken in het najaar van 2012. In november 2014 werd hun aantal geschat op ten minste 160. 6.11 De jihadistische strijdgroepen die in Syrië actief zijn maken intensief gebruik van het internet en sociale media. Zij verspreiden op deze manier hun ideologie, doen verslag van hun activiteiten en roepen op tot (geldelijke en/of fysieke) steun. Zij hebben zelf mediaplatforms, websites, facebookpagina's en/of twitter accounts. Via jihadistische websites en fora, maar ook mainstream videokanalen zoals YouTube, wordt hun berichtgeving verspreid. In deze propaganda is een belangrijke rol weggelegd voor buitenlandse strijders. In veel video’s wordt de onderlinge kameraadschap benadrukt van strijders die uit alle delen van de wereld naar Syrië zijn gekomen om de bevolking aldaar te helpen en een islamitische staat te vestigen. In Syrië kun je je geloof als moslim in volle omvang belijden en praktiseren, is de boodschap. Onverholen wordt opgeroepen zich bij hen aan te sluiten omdat de jihad in Syrië een verplichting voor elke moslim is geworden. Een belangrijk element in deze wervende propaganda is (de verheerlijking van) het martelaarschap. Een strijder wacht ofwel de overwinning, of de hoogste rang in het paradijs. 6.12 De aanwezigheid van de vele godsdienstig gemotiveerde buitenlandse strijders verhevigde de intensiteit, de duur, de onbetrokkenheid en het sektarische karakter van de strijd in Syrië. Internationaal groeide ook de bezorgdheid dat deze strijders bij eventuele terugkomst in hun eigen land verder zouden zijn geradicaliseerd, gevechtservaring hadden opgedaan en/of getraumatiseerd zouden zijn geraakt. Zij zouden mogelijk aanslagen kunnen plegen in hun eigen land en/of daar nieuwe strijders kunnen werven voor de strijd in Syrië (en/of Irak). In een resolutie van 15 augustus 2014 sprak de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties haar diepe bezorgdheid uit over de acute en groeiende bedreiging die uitgaat van de grote stroom van buitenlandse terroristische strijders naar IS, het Nusra Front en overige aan al-Qaeda gelieerde groepen. In deze en een volgende resolutie droeg de Veiligheidsraad alle landen op passende maatregelen te nemen om de uitreis naar en deelname van deze strijders aan de gewapende jihadstrijd in Syrië (en Irak) tegen te gaan. 6.13 In het hierna volgende hoofdstuk wordt besproken hoe de strijd in Syrië juridisch moet worden geduid en welke gevolgen dat heeft voor het toepasselijk recht. 7Het toepasselijk recht 7.1 De rechtbank zal in dit hoofdstuk onderzoeken of het Nederlandse strafrecht, waaronder de terrorisme bepalingen, van toepassing zijn op geweldshandelingen die plaatsvinden tijdens de gewapende jihadstrijd in Syrië. 7.2 Daartoe zal de rechtbank, alvorens de afzonderlijke ten laste gelegde feiten te bespreken, ingaan op het relevante juridische kader met betrekking tot geweldshandelingen in Syrië. Om de strafbaarheid van deze geweldshandelingen te kunnen bepalen, is het allereerst nodig om vast te stellen of in Syrië sprake was van een internationaal danwel niet-internationaal gewapend conflict. Gedurende internationale en niet-internationale gewapende conflicten zijn andere rechtsregimes van toepassing met betrekking tot het gebruik van geweld dan in vredestijd. Het internationaal humanitair recht, dat alleen van toepassing is gedurende gewapende conflicten, bepaalt welke personen gerechtigd zijn om bepaalde geweldshandelingen uit te voeren. De rechtbank zal dan ook vaststellen welke rechtsregimes van toepassing waren in Syrië en of de strijders van IS(IS) en/of Jabhat al-Nusra en/of andere (jihadistische) strijdgroepen daarin een status is toegekend die hen vrijwaart van strafrechtelijke vervolging voor geweldshandelingen. Vervolgens zal worden bepaald of het Nederlandse strafrecht, waaronder de bepalingen die terroristische misdrijven strafbaar stellen, van toepassing is. De vijandelijkheden in Syrië: een gewapend conflict? 7.3 De officieren van justitie hebben gesteld dat er in Syrië sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict, waarin zowel het internationaal humanitair recht als het Nederlandse strafrecht van toepassing zijn. In Syrië (en Irak) is immers geen sprake van een gewapend conflict tussen staten onderling en er is geen bewijs dat een ander land ‘overall control’ uitoefent over bepaalde gewapende groepen. 7.4 De verdediging heeft betoogd dat het niet mogelijk is om over één conflict in Syrië te spreken en dat er in ieder geval in een deel van Syrië (en Irak) sprake is van een internationaal gewapend conflict, waarin het internationaal humanitair recht exclusief van toepassing is. Een conflict internationaliseert op het moment dat een buitenlandse mogendheid tegen een staat vecht of ‘overall control’ uitoefent over een gewapende groepering die in opstand is gekomen tegen die staat. Veel landen hebben zich in het conflict in Syrië en Irak gemengd, ook aan de kant van de opstandelingen. Er zijn sterke aanwijzingen dat deze steun aan de opstandelingen verder gaat dan louter financiële of logistieke steun en dat andere landen ook daadwerkelijk controle uitoefenen over bepaalde groeperingen. Volgens de verdediging kan haar niet worden verweten dat zij niet precies heeft aangegeven in hoeverre of waar het conflict in Syrië en Irak precies geïnternationaliseerd is. Dat is lastig en zinloos omdat het Openbaar Ministerie heeft geweigerd aan te geven tot welke organisaties verdachten zouden hebben behoord en waar en in welke context de onderliggende feiten zouden zijn gepleegd. 7.5 De rechtbank overweegt ten aanzien van het bestaan en de aard van het conflict als volgt. 7.6 Allereerst is van belang dat de tenlasteleggingen zien op de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 oktober 2014. Voor het vaststellen van het bestaan van een gewapend conflict gedurende deze periode is een analyse van de feitelijke situatie vereist, gebaseerd op de aard en omvang van de gevechtshandelingen, de doelstelling daarvan, alsmede de grondslag waarop de handelingen worden verricht. 7.7 Indien gewapend geweld tussen staten of langdurig gewapend geweld tussen een staat en (een) georganiseerde gewapende groep(
  31. en)dan wel tussen zulke groepen onderling een bepaalde mate van intensiteit bereikt, kunnen de vijandelijkheden worden gekwalificeerd als een internationaal respectievelijk niet-internationaal gewapend conflict. 7.8 In Boskoski & Tarculovski heeft het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (hierna: ICTY) de relevante factoren opgesomd die tot dan toe waren vastgesteld in de jurisprudentie om op objectieve wijze de vereisten van ‘intensiteit’ en ‘organisatie’ te kunnen toetsen. Om de intensiteit van het geweld te beoordelen, moet acht worden geslagen op factoren als het aantal burgers dat is gevlucht, het soort wapens dat wordt gebruikt (met name militaire wapens en voertuigen zoals tanks), het aantal doden en strijders, het al dan niet sluiten van een wapenstilstand en inmenging van de internationale gemeenschap. Om te beoordelen of een partij bij het conflict voldoet aan het vereiste van organisatie kan worden gekeken naar de commandostructuur van een groep, de organisatie van operaties, het disciplinair systeem, de mogelijkheid om de minimumgedragsnormen van het internationaal humanitair recht te implementeren en de mogelijk om met één stem te spreken. 7.9 De ontwikkeling van de vijandelijkheden in Syrië is reeds beschreven in hoofdstuk 6. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit verscheidene rapporten van gezaghebbende NGO’s dat er in ieder geval vanaf juli 2012 sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict op het gehele grondgebied van Syrië, tussen het Syrische regeringsleger en verscheidene georganiseerde gewapende groepen zoals ISIL/ISIS/IS en Jabhat al-Nusra. Er waren op dat moment immers duizenden mensen gevlucht, er waren duizenden burgerdoden gevallen, er werd gebruik gemaakt van militaire wapens en voertuigen als tanks en artillerie, regeringstroepen en oppositie voerden grootschalige militaire operaties uit, er werd onderhandeld over een vredesplan, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties poogde het Syrische bewind te veroordelen in resoluties en de gewapende groepen waren voldoende georganiseerd. 7.10 Een gewapend conflict tussen een staat (in casu: Syrië) en een (of meer) georganiseerde gewapende groep(
  32. en)kan worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict als de handelingen van die groep(
  33. en)zijn toe te schrijven aan een andere staat. In Tadić bepaalde het ICTY dat sprake moet zijn van een ‘overall control’ over de georganiseerde gewapende groep, in die zin dat de andere staat “has a role in organising , coordinating or planning the military actions of the military group, in addition to financing, training and equipping or providing operational support to that group”. Het criterium van ‘overall control’ is algemeen aanvaard in de jurisprudentie. Echter, uit de statenpraktijk blijkt dat “the overall control threshold is high and the evidence in support must be compelling”. 7.11 De verdediging heeft slechts in algemene bewoordingen gesteld dat er “aanwijzingen” zijn en het “aannemelijk” is dat het conflict internationaal van aard was. Er moet volgens de verdediging worden gekeken naar de mate waarin andere landen betrokken zijn bij het gewapende conflict. De verdediging volstaat echter met de constatering dat veel landen zich in het conflict hebben gemengd en er sterke aanwijzingen zijn dat andere landen ook daadwerkelijk controle uitoefenen over bepaalde groeperingen. 7.12 Nu de verdediging heeft nagelaten om te stellen welke mogendheid een ‘overall control’ zou uitoefenen over welke groepen en derhalve niet, althans onvoldoende concreet, heeft onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden er reeds gedurende de tenlastegelegde periode sprake zou zijn geweest van een “geïnternationaliseerd” gewapend conflict, kan dit verweer alleen maar falen. De rechtbank heeft, ook ambtshalve oordelend, geen feiten of omstandigheden aannemelijk bevonden die tot een andersluidend oordeel zouden hebben kunnen leiden. De rechtbank sluit de ogen niet voor de betrokkenheid van andere mogendheden bij het conflict in Syrië en onderkent de mogelijkheid dat het conflict in de toekomst zou kunnen worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict. De rechtbank kan echter niet concluderen dat er reeds gedurende de tenlastegelegde periode sprake is geweest van het vereiste van ‘overall control’. In haar rapport d.d. 13 augustus 2015 concludeert ook IICIS met betrekking tot het gewapende conflict in Syrië: While fought mostly by Syrians and largely contained within Syrian territory, the war is increasingly driven by international and regional powers, primarily in accordance with their respective geostrategic interests. Syrian stakeholders, on all sides of the conflict, have gradually lost control over the course of events due to a variety of external factors that have obscured the internal dimension of the war. As the war endures, it displays worrying signs of becoming internationalized. The competition among regional powers for influence has resulted, among other consequences, in an alarming exacerbation of the sectarian dimension, instigated by the intervention of foreign fighters and extremist clerics. 7.13 Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er in een gedeelte van de tenlastegelegde periode - vanaf juli 2012 tot en met 31 oktober 2014 - in Syrië sprake was van een niet-internationaal gewapend conflict. De Syrische regeringsstrijdkrachten enerzijds en de strijders van de georganiseerde gewapende oppositiegroepen anderzijds waren gedurende deze periode verwikkeld in een intensieve en langdurige gewapende strijd. De toepasselijke rechtsregimes gedurende een niet-internationaal gewapend conflict 7.14 Nu is vastgesteld dat er sinds juli 2012 een niet-internationaal gewapend conflict in Syrië bestaat, moet worden beoordeeld welke rechtsregimes daarop van toepassing zijn. 7.15 Het bestaan van een gewapend conflict is een vereiste voor de inwerkingtreding en toepasbaarheid van het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht bestaat uit een reeks van verdragen en (gewoonterechtelijke) bepalingen die er, kort gezegd, primair op gericht zijn om personen die niet of niet meer deelnemen aan een gewapend conflict te beschermen. Daarnaast moet het middelen en methodes van oorlogsvoering beperken en aan regels onderwerpen, met als grondslag het idee dat er (ook) tijdens een gewapend conflict geen staat van wetteloosheid is. 7.16 Zo omschrijft gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève fundamentele principes die in een niet-internationaal conflict dienen te worden gerespecteerd. Het bevat minimum-gedragsnormen waaraan de strijdende partijen zich dienen te houden. Deze bepaling verbiedt uitdrukkelijk een aantal flagrante en ernstige schendingen (‘grave breaches’) van de menselijke waardigheid, zoals onder andere moord, (ernstige) mishandelingen, vernederingen, onterende handelingen en gijzeling. 7.17 De rechtbank is van oordeel dat het internationaal humanitair recht in een niet-internationaal gewapend conflict niet exclusief van toepassing is. Deze opvatting vindt steun in omvangrijke jurisprudentie en literatuur. Gedurende gewapende conflicten zijn aldus verschillende rechtsregimes van toepassing, waaronder het internationaal humanitair recht en het nationale recht van een staat. 7.18 Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat geweldshandelingen gepleegd tijdens een niet-internationaal gewapend conflict strafbaar kunnen zijn naar internationaal humanitair recht en het commune strafrecht. Om de strafbaarheid van concrete geweldshandelingen gedurende een niet-internationaal gewapend conflict te kunnen bepalen, zal echter eerst moeten worden vastgesteld of de pleger naar internationaal humanitair recht een bepaalde status geniet waardoor deze legitiem krijgshandelingen mag uitvoeren. De strafbaarheid van leden van georganiseerde gewapende groepen in Syrië 7.19 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het zogeheten combattantenprivilege, dat combattanten het recht geeft deel te nemen aan de vijandelijkheden, niet bestaat in niet-internationale gewapende conflicten. Leden van georganiseerde gewapende groepen genieten geen bijzondere status in het oorlogsrecht betreffende niet-internationale gewapende conflicten. Er kan daarmee geen sprake zijn van legitieme krijgshandelingen. Daardoor kan deelname aan de vijandelijkheden op basis van nationaal strafrecht worden vervolgd. 7.20 De verdediging heeft betoogd dat combattanten in internationale gewapende conflicten immuniteit genieten, ofwel dat hun normale krijgshandelingen niet strafbaar zijn zolang zij zich houden aan de wetten en gebruiken van het internationaal humanitair recht. Aangezien de feiten naar Nederlands recht niet strafbaar zijn, heeft Nederland geen rechtsmacht, waardoor het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Of het brengt mee dat de feiten eventueel wel zouden kunnen worden bewezen, maar niet gekwalificeerd, hetgeen tot ontslag van alle rechtsvervolging moet leiden. 7.21 De rechtbank overweegt ten aanzien van de status en strafbaarheid van georganiseerde gewapende groepen in niet-internationale gewapende conflicten als volgt. 7.22 Gedurende internationale gewapende conflicten wordt onderscheid gemaakt tussen combattanten en burgers. Uitsluitend combattanten hebben het combattantenprivilege, dat wil zeggen het recht om rechtstreeks aan krijgshandelingen deel te nemen en, aldus, het recht om de vijand te doden, krijgsgevangen te nemen en om militaire objecten te vernietigen. Combattanten hebben de plicht om zich te houden aan de regels van het internationaal humanitair recht en genieten, zolang zij zich daaraan houden, immuniteit van strafvervolging onder nationaal recht. 7.23 Gedurende niet-internationale gewapende conflicten wordt uitsluitend onderscheid gemaakt tussen personen die rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden en burgers. Er bestaat geen combattantenstatus in niet-internationaal gewapende conflicten. Gedurende de onderhandelingen voor de Geneefse Verdragen wilden de verdragsluitende staten geen combattantenprivilege geven aan de leden van georganiseerde gewapende groepen waarmee zij in conflict waren geraakt, of die met elkaar in conflict waren geraakt op hun grondgebied. Hiermee zouden deze leden het recht hebben om legitiem deel te nemen aan de vijandelijkheden. Staten waren echter niet bereid om leden van georganiseerde gewapende groepen immuniteit van strafvervolging te geven voor het opnemen van wapens, omdat voorkomen moet worden dat burgers het recht in eigen hand nemen. Leden van georganiseerde gewapende groepen zijn derhalve strafbaar voor alle geweldshandelingen die zij plegen, zowel voor commune delicten als moord als voor schendingen van het internationaal humanitair recht. 7.24 Leden van regeringstroepen hebben gedurende niet-internationale gewapende conflicten daarentegen wel het recht om geweld te gebruiken. De meeste nationale regelgeving voorziet in artikelen waarbij leden van de reguliere gewapende macht (regeringstroepen) worden gevrijwaard van vervolging voor rechtmatig gebruik van geweld. Dit vloeit voort uit het feit dat de vertegenwoordigers van soevereine staten vroeger ‘privileged belligerents’ waren. Zij waren bevoegd om geweld te gebruiken, aangezien zij de staatsautoriteiten vertegenwoordigden en de verantwoordelijkheid hadden om rechtmatig geweld te gebruiken om hun regering en natie te beschermen tegen vijanden. Leden van regeringstroepen zijn uitsluitend strafbaar voor geweldshandelingen indien zij daarmee internationaal humanitair recht schenden. 7.25 De rechtbank heeft in het vorige hoofdstuk overigens vastgesteld dat leden van het Syrische regeringsleger zich op systematische en grootschalige wijze schuldig hebben gemaakt aan dergelijke schendingen van het internationaal humanitair recht. Zij zijn daarmee te vervolgen voor oorlogsmisdrijven. 7.26 De rechtbank constateert dat bovenstaande leidt tot een asymmetrische oorlogsvoering, waarin mogelijk maar weinig beweegredenen bestaan voor georganiseerde gewapende groepen om zich te houden aan het internationaal humanitair recht. Zij kunnen immers toch al worden vervolgd naar nationaal recht voor deelname aan de vijandelijkheden, ook indien zij zich houden aan alle rechtsregels van het internationaal humanitair recht. Aangezien internationaal humanitair recht het gebruik van geweld beperkt en zulke groeperingen vaak minder geavanceerd zijn dan regeringstroepen, zullen zij al eerder geneigd zijn om zich niet te houden aan deze rechtsregels. Het Aanvullend Protocol II moedigt staten dan ook aan om leden van georganiseerde gewapende groepen amnestie te geven voor hun deelname aan de vijandelijkheden, voor zover zij daarbij de regels van het internationaal humanitair recht in acht hebben genomen. 7.27 De rechtbank onderstreept echter dat de gewapende jihadstrijd in Syrië zoals die door leden van ISIL/ISIS/IS en/of Jabhat al-Nusra en/of al-Qaeda wordt gevoerd, geenszins voor een dergelijke amnestie achteraf in aanmerking komt. Deze groepen maken zich immers op systematische en grootschalige wijze schuldig aan schendingen van het internationaal humanitair recht. 7.28 Daarbij volgt thans uit de Geneefse Conventies en vaste rechtspraak dat leden van georganiseerde gewapende groepen in een niet-internationaal gewapend conflict niet gerechtigd zijn om geweld te gebruiken. Dit is ook de opinie van gezaghebbende schrijvers over dit onderwerp. De rechtbank concludeert dat burgers die in een niet-internationaal gewapend conflict deelnemen aan de vijandelijkheden (al dan niet als lid van een georganiseerde gewapende groep) geen recht hebben om met inachtneming van de geweldsregels zoals neergelegd in het internationaal humanitair recht geweld te gebruiken. Zij kunnen daarom worden vervolgd en berecht voor hun deelname aan de vijandelijkheden. Dit geldt niet alleen voor personen die zich aansluiten bij jihadistische groeperingen. 7.29 Deelname aan het gewapend conflict in Syrië is dan ook strafbaar naar Nederlands recht. De rechtbank ziet zich tot slot voor de vraag gesteld of het Nederlandse strafrecht in zijn volle omvang, inclusief de bepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven, van toepassing is. De toepasselijke rechtsregels van de Nederlandse strafwet 7.30 Het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (hierna: het Kaderbesluit) verplichtte de EU-lidstaten onder meer de strafwetgeving ter bestrijding van terrorisme aan te passen. Nederland heeft daaraan uitvoering gegeven door de invoering van de Wet terroristische misdrijven. Aan verdachten zijn diverse (onderliggende) strafbare feiten tenlastegelegd als terroristische misdrijven. Deze misdrijven zijn een uitwerking van de in het Kaderbesluit bedoelde regelgeving. 7.31 In overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit is de volgende uitsluitingsclausule opgenomen: Actions by armed forces during periods of armed conflict, which are governed by international humanitarian law within the meaning of these terms under that law, and, inasmuch as they are governed by other rules of international law, actions by the armed forces of a State in the exercise of their official duties are not governed by this Framework Decision. 7.32 De vraag - die door de verdediging is opgeworpen - is of de Nederlandse strafrechtbepalingen die betrekking hebben op terroristische misdrijven en een uitwerking zijn van het Kaderbesluit, van toepassing zijn gedurende gewapende conflicten. 7.33 De officieren van justitie hebben aangevoerd dat de wetgever er welbewust voor heeft gekozen om de in overweging 11 van de preambule opgenomen uitzondering niet over te nemen in de Nederlandse strafwet. De wetgever gaat ervan uit dat ook geweld gepleegd gedurende een gewapend conflict onder omstandigheden aangemerkt kan worden als terrorisme. De Nederlandse wet moet zoveel als mogelijk kaderbesluitconform geïnterpreteerd worden, maar die interpretatie kan nooit contra legem zijn. Daarbij stellen de officieren van justitie zich op het standpunt dat de uitzondering in overweging 11 helemaal niet verplicht om oorlogshandelingen uit te zonderen van terrorismebepalingen, maar slechts bepaalt dat op zulke handelingen de verplichtingen uit het Kaderbesluit niet van toepassing zijn. Daarmee bestaat - althans zo begrijpt de rechtbank hun standpunt - nog geen verplichting tot afwezigheid van het strafrecht. 7.34 De verdediging heeft betoogd dat de Nederlandse terrorismewetgeving niet van toepassing is op het gewapende conflict in Syrië. Diverse internationale instrumenten (zoals het Kaderbesluit en het Verdrag tegen terroristische bomaanslagen) verplichten terrorisme strafbaar te stellen, maar beperken die strafbaarheid bij toepassing van het internationaal humanitair recht. De rechter is verplicht om de Nederlandse wetgeving conform dergelijke hogere regelgeving (zoals de preambule) uit te leggen. Er bestaat geen vrijheid om, in strijd met het Kaderbesluit, de werking daarvan uit te breiden tot gewapende conflicten. De vaststelling van de Hoge Raad in het Kesbir arrest, dat gedurende niet-internationale gewapende conflicten verschillende rechtssystemen naast elkaar kunnen bestaan, zegt niets over de definitie van terrorisme gedurende dergelijke conflicten. Gedurende gewapende conflicten zijn aanslagen tegen de bevolking altijd strafbaar, maar acties gericht tegen een abject regime zijn dat uitdrukkelijk niet. Verdachten wilden het regime van Assad verdrijven, sommigen wilden ook een islamitische staat stichten, maar zij wilden nooit de bevolking angst aanjagen. De overweging van de preambule is opgenomen om misverstanden te voorkomen en conflicten tussen rechtssystemen te vermijden. Het Gerecht in Luxemburg zou in de LTTE-uitspraak hebben beslist dat de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet is uitgesloten in het geval van een gewapend conflict. Echter, het Gerecht heeft zich volgens de verdediging niet uitgelaten over de vraag wat de strekking moet zijn van de Preambule bij de interpretatie van het Kaderbesluit of de daarop gebaseerde Nederlandse regelgeving. Het ging in de LTTE-zaak om een verordening die niet op het kaderbesluit was gebaseerd en een gemeenschappelijk standpunt dat geen ‘exclusion clause’ als in de preambule bevatte. De verdediging concludeert tot ontslag van rechtsvervolging, nu de terroristische elementen van de tenlastelegging misschien wel bewezen, maar niet gekwalificeerd kunnen worden. 7.35 Ten aanzien van de uitsluitingsclausule in overweging 11 van de preambule van het Kaderbesluit overweegt de rechtbank als volgt. 7.36 De preambule van een Unierechtelijke handeling (zoals een Kaderbesluit) heeft geen bindende kracht en kan niet worden aangevoerd om van de bepalingen van dat Kaderbesluit af te wijken of om deze bepalingen uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan. De preambule kan echter wel duidelijkheid geven over de uitleg van de in het Kaderbesluit neergelegde rechtsvoorschriften en is daarmee een belangrijke bron van interpretatie. 7.37 De uitsluitingsclausule ziet op handelingen van ‘armed forces’ (hierna ook: strijdkrachten) tijdens een gewapend conflict die onderworpen zijn aan het internationaal humanitair recht. Nu in de tweede zinsnede van de uitsluitingsclausule nadrukkelijk ‘armed forces of a State’ is opgenomen, is het de vraag of ‘armed forces’ in de eerste zinsnede ook ziet op andere strijdkrachten dan die van een staat. Om de reikwijdte van de uitsluitingsclausule te kunnen bepalen, zal de rechtbank de betekenis van het begrip ‘armed forces’ derhalve moeten vaststellen. 7.38 In letterlijke zin heeft het begrip ‘armed forces’ doorgaans betrekking op de strijdkrachten van een staat. Zo wordt in Aanvullend Protocol II, dat uitsluitend van toepassing is gedurende niet-internationale gewapende conflicten, verwezen naar ‘armed forces’ (‘de strijdkrachten van die Partij’) enerzijds en ‘dissident armed forced or other organized armed groups’ (‘dissidente strijdkrachten of andere georganiseerde gewapende groepen’) anderzijds. 7.39 Met het begrip ‘armed forces’ zijn dus in ieder geval de handelingen van de strijdkrachten van een staat uitgesloten van het bereik van de terrorismebepalingen van het Kaderbesluit. Dit volgt ook uit de rechtsregels van het internationaal humanitair recht. Zoals reeds overwogen, worden de strijdkrachten van een staat beschouwd als ‘lawful combatants’ dan wel ‘privileged belligerents’ die krijgshandelingen mogen uitvoeren. Zij zijn daarom uitsluitend te vervolgen voor schendingen van het internationaal humanitair recht en niet voor schendingen van het commune recht, waaronder de terrorismebepalingen van het Kaderbesluit. 7.40 Georganiseerde gewapende groepen worden gewoonlijk niet aangeduid als ‘armed forces’, maar als ‘organized armed groups’. De betekenis van de uitsluitingsclausule van het Kaderbesluit is niet nadrukkelijk besproken tijdens de parlementaire behandeling, maar de vergelijkbare uitsluitingscausule van artikel 19 lid 2 van het Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen is wél punt van discussie geweest. De Minister van Justitie definieerde het hierin genoemde begrip ‘armed forces’ (strijdkrachten) als ‘armed state forces’ (strijdkrachten van een staat), maar merkte hierbij wel op dat verschillende interpretaties van de uitsluitingsclausule onvermijdelijk waren en de regels van internationaal humanitair recht zullen worden uitgelegd “op een wijze die het belang van de desbetreffende staat het beste kan dienen”. In de tweede zinsnede van deze uitsluitingsclausule is volgens de Minister van Justitie nadrukkelijk ‘military forces of a State’ (strijdkrachten van een staat) opgenomen omdat dit ziet op handelingen in vredestijd. Uit de betrokkenheid van Nederland bij de totstandkoming van deze uitsluitingsclausule en de aanvaarding van eenzelfde uitsluitingsclausule in het Kaderbesluit, kan worden afgeleid dat de Nederlandse wetgever van deze dubbelzinnigheid op de hoogte was en bij het Kaderbesluit eenzelfde positie heeft ingenomen. De uitsluitingsclausule lijkt daarmee in letterlijke zin niet op georganiseerde gewapende groepen te slaan. 7.41 Voorts moeten de aard en doelstelling van het internationaal humanitair recht en de uitsluitingsclausule in ogenschouw worden genomen. De leden van georganiseerde gewapende groepen genieten geen combattantenstatus gedurende niet-internationale gewapende conflicten. Zij kunnen voor al hun krijgshandelingen worden vervolgd naar internationaal humanitair recht én het commune strafrecht. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de uitsluitingsclausule is opgenomen om conflicten tussen de verschillende rechtsregimes te voorkomen. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat krijgshandelingen die naar (de status van een persoon
  34. in)het internationaal humanitair recht legitiem worden geacht, in het commune strafrecht strafbaar worden gesteld. De rechtbank overweegt echter dat naar huidig recht geen enkele krijgshandeling van een lid van een georganiseerde gewapende groep legitiem is. Hoewel het internationaal humanitair recht alleen excessieve krijgshandelingen strafbaar stelt, zijn zij ingevolge het commune strafrecht tevens strafbaar voor alle ‘ordinary acts of war’, ofwel normale krijgshandelingen. Er bestaat derhalve geen conflict tussen de normen van de verschillende rechtsregimes. Voorts zou het inconsistent zijn om, in tegenstelling tot strafbare krijgshandelingen gepleegd in vredestijd, deze zelfde strafbare krijgshandelingen gedurend een gewapend conflict uit te sluiten van terrorismebepalingen. 7.42 Tot slot overweegt de rechtbank dat het Kaderbesluit onderdeel is van een aantal instrumenten dat de internationale gemeenschap heeft aangenomen in reactie op de wereldwijde dreiging van (georganiseerde en gewapende) terroristische groepen. Vlak na de aanslagen van 11 september 2001 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in Resolutie 1373 alle lid

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.